Archeoloog in Soedan (12)

De defuffa van Kerma
De defuffa van Kerma

[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; het onderstaande schreef hij op 1 februari.]

Onze op-één-na laatste vrije dag hebben we besteed aan een bezoek aan Kerma. Kerma was het hart van Kush voordat de Egyptenaren, onder Tutmosis I, het onderwierpen. Onder de Egyptische overheersing werd Kush steeds meer beïnvloed door Egypte, en mettertijd lijken de uiterlijke kenmerken van Kush steeds meer op die van Egypte. Na de 25e dynastie, als Egypte telkens door van andere buitenlandse overheersers wordt beheert, wordt Kush het land waar de enige echte Farao heerst. Kush heeft het erfgoed van het oude Egypte volledig overgenomen en zal er mee leven (en er mee groeien) tot dik in de 4e eeuw na Chr.

In Kerma kunnen we een glimp krijgen van het oudere, niet-Egyptische Kush. Het voelt heel Afrikaans aan. Een mix van kleitichelstructuren (over het algemeen rond, of in archeologisch jargon: curvilineair) en ronden hutten (waarschijnlijk van palmhout en palmbladeren). De plattegronden en de stadsindeling zijn erg rommelig en dat maakt het tegelijk interessant en exotisch. Het leukste aan Kerma is wel de zgn. defuffa. Dit is een enorme structuur van kleitichels. Hoe het apparaat er ooit heeft uitgezien is onduidelijk en naar de functie is het ook gissen. Het dateert ten minste uit de bronstijd en is ruim 10 meter hoog (schat ik) en bestaat duidelijk uit veel verschillende fases. Of het om reparaties gaat of om uitbreidingen (of misschien een beetje van beide) is volstrekt onduidelijk. Om het te onderzoeken is onbegonnen werk. Conserveringswerk maakt het mogelijk om de defuffa te beklimmen en dat geeft een alleraardigst uitzicht over Kerma en al die malle structuren die er te vinden zijn. Prachtig om zoiets … laat ik maar het woord buitengewoon gebruiken … buitengewoons te hebben mogen zien.

Onze lunch was aan de Nijl, met uitzicht op heen en weer varende gammele veerpontjes. Toen ik even op straat een kijkje ging nemen werd ik al gauw aangesproken door een wat gezette man met een kalm en statig voorkomen, en een roodgeverfde baard. Een Islamitische geestelijke, neem ik aan. De beste man legde uit dat ze zojuist het gebed hebben gehad in de moskee, en dat ze nu op weg zijn naar huis. Hij wil graag weten waar ik vandaan kom en wat ik van Soedan vind, en het noorden in het bijzonder. Ik vertel hem natuurlijk dat ik het allemaal helemaal geweldig vind, en vraag hem of hij hajj is (vanwege de baard). Dat is hij zeker (maar dat heeft niks met de baard van doen), want hij heeft een tijd als buschauffeur in Saoedi Arabië gewerkt en heeft toen de pelgrimstocht naar Mekka kunnen maken. Na nog wat aardigheden over en weer, bijvoorbeeld dat het noorden van Soedan bewoond wordt door Nubiërs, die hun eigen taal hebben, zeggen we gedag en waag ik mij aan de lokale bonen, eieren en rijst. Over de rode baard ben ik helaas niets wijzer geworden.