
Een bron die vergelijkbaar is met Historia Brittonum van Nennius (zie het vorige blogje) is Topographia Hibernica van Gerald van Wales (Giraldus Cambrensis) uit het eind van de twaalfde eeuw. Net als het boek van Nennius is dit werk niet bedoeld als fictie. Maar het feit dat er weerwolven in voorkomen, zorgt ervoor dat niet alles even reëel is – dat vinden we nu in de eenentwintigste eeuw.
Latijnse tekst
Circa triennium ante adventum domini Johannis in Hiberniam, contigit quendam presbyterum, de partibus Ultoniæ versus Mediam itinerantem, in silva quadam conjuncta Mediæ pernoctasse. Cumque ad igniculum, quem sibi sub arbore quadam frondosa congesserat, uno tantum comitatus puerulo lucubrasset, ecce lupus ad eos accedens, qui et statim in hujusmodi verba prorupit; ‘Securi estote, et nolite timere; non enim trepidandum vobis est, ubi timor non est.’
Cumque ipsi tanto vehementius consternatis animis obstupuissent, verba de Deo sana subjunxit. Et obtestatus a sacerdote, adjuratusque per Deum omnipotentem, et per fidem Trinitatis, ne eis noceret, et quænam creatura fuisset, quæ sub bestiali forma humana verba proferret, catholicum in omnibus responsum præbens, tandem tamen subjecit; ‘De quodam hominum genere sumus Ossiriensium. Unde, quolibet septennio, per imprecationem sancti cujusdam, Natalis scilicet abbatis, duo, videlicet mas et femina, tam a formis quam finibus exulare coguntur. Formam enim humanam prorsus exuentes, induunt lupinam. Completo vero septennii spatio, si forte superstites fuerint, aliis duobus ipsorum loco simili conditione subrogatis, ad pristinam redeunt tam patriam quam naturam. Et mihi quidem peregrinationis hujus socia non procul hinc graviter infirmatur. Cui, si placet, jam in extremis agenti, sacerdotale solatium intuitu divinæ pietatis indulgeas.’
Quo dicto, lupum præcedentem usque ad arborem quandam satis propinquam presbyter sequitur tremebundus. In cujus concavitate lupam conspicit, sub specie ferina gemitus et planctus humanos emittentem. Quæ statim ut ipsum vidit, præmittens salutationem satis humanam, gratias etiam Deo retulit, quod in tali articulo tanto eam solatio dignatus esset. Et sic usque ad extremam communionem a sacerdote cuncta rite peracta suscepit: quam et ipsa constanter efflagitans, attentius supplicavit ut viatici largitione beneficium consummaret.
Quo sacerdos cum se carere firmiter asseruisset, lupus qui parumper abscesserat iterum accessit, ostendens ei perulam, librum manualem et aliquot hostias consecratas continentem; quæ more patriæ presbyter itinerans [sub indumento] a collo suspensa deferebat. Rogabat etiam ne Dei donum et subsidium, eis divina providentia destinatum, aliquatenus denegaret. Et ut omnem abstergeret dubietatem, pede quasi pro manu fungens, pellem totam a capite lupæ retrahens, usque ad umbilicum replicavit: et statim expressa formavetulæ cujusdam apparuit.
Quo viso, tandem Sacerdos obnixe postulantem et devote suscipientem, terroretamen magis quam ratione compulsus, communicavit. Et statim pellis, a lupo retracta, priori se formæ coaptavit. His ergo rite potius quam recte peractis, humanam magis quam bestialem societatem eis ad igniculum nocte tota lupus exhibuit.
Mane vero facto, extra silvam ipsos conducens, presbyteroque præbens iter, via mei certissimam longe præostendit. Multas etiam sacerdoti super impenso beneficio gratias in discessu referebat; promittens efficaciores multo se gratias ei relaturum, si Dominus ipsum ab hoc exilio, cujus jam duaspartes compleverat, revocaverit.noot
Vertaling
De aankomst van koning Jan zonder Land in Ierland vond plaats in 1184, dus de beschreven gebeurtenis vond plaats rond 1181.
Ongeveer drie jaar vóór de aankomst van heer Johannes in Ierland, gebeurde het dat een zekere priester, die vanuit de streek van Ulster naar Meath reisde, de nacht doorbracht in een bepaald bos aan de grens van Meath. En toen hij, slechts vergezeld door één jonge knecht, laat opbleef bij een vuurtje dat hij onder een bladerrijke boom had aangelegd, kwam er een wolf naar hen toe, die meteen losbarstte in de volgende woorden: ‘Wees gerust en vrees niet; want als er geen reden tot angst is, dan jullie hoeven geen angst te hebben.’
En toen zij door een nog veel heviger ontzetting met stomheid waren geslagen, voegde de wolf er heilzame woorden over God aan toe. Nadat hij door de priester was gesmeekt en bezworen bij de almachtige God en bij het geloof in de Drievuldigheid, om hen geen kwaad te doen en te vertellen wat voor schepsel hij was dat in een dierlijke gedaante menselijke woorden sprak, gaf hij in alles een rechtszinnig antwoord en voegde er tenslotte aan toe: ‘Wij horen bij een bepaald volk uit Ossory. Door de vervloeking van een zekere heilige, namelijk de abt Natalis, worden om de zeven jaar twee personen (een man en een vrouw) gedwongen om zowel hun uiterlijk als hun landstreek te verlaten. Want zij leggen de menselijke gedaante volledig af en nemen die van een wolf aan. Wanneer de periode van zeven jaar is verstreken, keren zij – als zij nog in leven zijn en als twee anderen in hun plaats onder dezelfde voorwaarde zijn aangesteld – terug naar zowel hun vaderland als hun menselijke natuur. Mijn metgezellin op deze omzwerving ligt ernstig ziek niet ver hiervandaan. Schenk haar, als het u behaagt, nu zij in haar laatste uren verkeert, priesterlijke troost met het oog op de goddelijke barmhartigheid.’
Na deze woorden volgde de priester trillend de wolf, die hem voorging tot aan een boom die niet ver weg was. In de holte daarvan zag hij een wolvin, die onder haar wilde gedaante een menselijk gezucht en geklaag voortbracht. Zodra zij hem zag, begroette zij hem heel menselijk en dankte zij ook God, omdat Hij haar op een dergelijk kritiek moment zo’n grote troost waardig had gekeurd. En zo ontving zij van de priester alle rituelen die tot de voorschriften van het laatste sacrament hoorden; ook hierom bleef zij standvastig vragen, en zij smeekte aandachtig dat hij de troost zou voltooien door het schenken van het viaticum (de laatste communie).
Toen de priester stellig had verklaard dat hij dit niet bij zich had, kwam de wolf, die even was weggegaan, weer dichterbij en toonde hem een tasje, dat een handboek en enkele gewijde hosties bevatte. De reizende priester droeg deze, volgens het gebruik van het land, onder zijn kleding aan zijn nek hangend met zich mee. Hij vroeg ook dat hij de gave en de bijstand van God, die door de goddelijke voorzienigheid voor hen bestemd was, niet te weigeren. En om alle twijfel weg te nemen, gebruikte de wolf zijn poot alsof het een hand was: hij trok de hele huid vanaf de kop van de wolvin naar achteren en vouwde deze dubbel tot aan de navel. Meteen verscheen de duidelijke gedaante van een oude vrouw.
Toen de priester dit zag, diende hij haar tenslotte de communie toe, terwijl ze er vurig om vroeg en het vroom ontving, hoewel de priester meer door angst dan door rede werd gedreven. En meteen voegde de huid, die door de wolf weer werd teruggetrokken, zich naar haar eerdere gedaante. Nadat deze zaken dus eerder ritueel dan rechtmatig waren volbracht, bood de wolf hun de hele nacht bij het vuurtje een eerder menselijk dan dierlijk gezelschap.
Toen het ochtend was geworden, leidde hij hen het bos uit, wees de priester de weg en toonde hem van verre heel duidelijk de veiligste route. Bij het afscheid bracht hij de priester ook veel dank voor de bewezen weldaad; hij beloofde dat hij hem veel effectievere dank zou betuigen als de Heer hem zou terugroepen uit deze ballingschap, waarvan al twee derde deel was verstreken.
Commentaar
Dit fragment geeft wel wat te denken: wat ís eigenlijk een weerwolf? Het antwoord ‘Een weerwolf is een mens die in een wolf veranderd is’ voldoet immers niet. Een weerwolf is volgens dit verhaal niet volledig wolf. Dat een weerwolf voor een deel menselijke gedachten heeft, en logisch kan redeneren, is ook al gebleken uit de eerdere weerwolfbeschrijvingen. De Griek Autolykos kon – naar we aannemen in de gedaante van wolf – vee stelen om dat vee toe te voegen aan zijn eigen kudde. Dat kon hij doen, omdat hij rationeel nadacht. Een echte wolf steelt geen vee om zijn eigen kudde te vergroten, een echte wolf doodt vee om het op te eten. Ook uit andere verhalen blijkt dat de weerwolf menselijk denkt.
Maar wat zit er ín een weerwolf? Daar geeft de beschrijving van Gerald van Wales een helder antwoord op: in de wolf zit een mens. Een weerwolf is een mens in een wolvenpak. De mannelijke wolf laat dat zien, door het vel van de wolvin weg te halen. Hij vilt haar gedeeltelijk, maar uit niets blijkt dat dit pijnlijk is. Het komt over als heel eenvoudig, zo’n beetje als een verkleedpak; als een pak voor de acteur die de wolf speelt in een toneelbewerking van Vanden vos Reynaerde.
Ik vraag mij wel af, waarom die twee mensen dat wolvenpak niet gewoon uittrekken. Ze kunnen elkaar toch gewoon villen, de wolvenvellen achter zich laten en verder gaan als mens? Nou ja, blijkbaar niet. Het zal wel een onderdeel van de vervloeking door abt Natalis zijn. Deze Natalis is de heilige Natalis van Ulster uit de zesde eeuw. Er zijn geen gegevens dat hij iets met vervloekingen en weerwolven van doen had. Dus hoe dat zit met die vervloeking blijft onduidelijk, ik vermoed dat die vervloeking ook inhoudt dat ze hun wolvenpak gedwongen aan moeten houden.
Deze voorstelling van zaken staat haaks op wat Nennius zegt, bij hem laat de weerwolf zijn menselijke lichaam achter tijdens zijn transformatie tot wolf. De wolf wordt vlees vanuit een soort niets, terwijl hij zijn menselijke vlees achter laat. In het geval van Gerald van Wales zit het menselijk lichaam heel erg in het wolvenlichaam. De weerwolf is een pakketje mens met een dun laagje wolvenvel.
[Dit was een gastbijdrage van Bas Jongenelen. Dank je wel Bas!]
Zelfde tijdvak
De romaanse kerken van Keulen (1)september 11, 2019
Nogmaals El-Andalusnovember 24, 2025
De madrasa volgens George Makdisijuli 14, 2011

Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.