Athenaeum – Polak & Van Gennep

Afgelopen dinsdag kreeg ik een brief waarin stond dat Athenaeum – Polak & Van Gennep, de uitgeverij die ook mijn boeken publiceert, samen met drie andere uitgeverijen zal worden verzelfstandigd (meer). Ik kon niet ontdekken hoe een organisatorische aanpassing de problemen oplost. Die zijn namelijk niet – of niet alleen – organisatorisch van aard.

Athenaeum was ooit goed in de uitgave van klassieke boeken, in meer dan één betekenis. Een groot deel van het fonds was gewijd aan vertalingen van klassieke, Griekse en Latijnse auteurs. Ammianus MarcellinusThucydides en Philostratus waren de laatste in de Baskerville-reeks. Een ander deel van het fonds is gewijd aan de klassiekers uit de wereldliteratuur: boeken als Orlando Furioso, de Quichot en de verhalen van Edgar Allan Poe. Tot slot waren (en zijn) de boeken ook als uitgave klassiek: niet zelden gebonden, met een leeslint.

Ruim vijftien jaar geleden was ik trots wel eens iets voor Athenaeum te mogen doen. Dat gevoel is gesleten. De uitgeverij is naast de genoemde paradepaardjes minder goede boeken gaan publiceren. Ik zal hier alleen iets noemen dat men bij de uitgeverij al weet, zoals dat als het aan mij had gelegen Perzisch Vuur van Tom Holland nooit (maar dan ook echt nooit) zou zijn uitgegeven. De auteur postuleert historische continuïteiten die hij niet bewijst, presenteert als geschiedschrijving wat in feite ideologie is en verzint op het cruciale punt historische feiten. Ook zijn latere werk behoort niet in het fonds van een kwaliteitsuitgever – en de lezers weten het. Athenaeum had zich verre van kwakgeschiedenis moeten houden.

Wat mijn goede gevoel ook heeft doen slijten is dat de Baskerville-reeks niet met zijn tijd is meegegaan. De drie genoemde vertalingen zouden vijftien jaar geleden op dezelfde wijze zijn uitgegeven, hoewel de lezer in de tussentijd veel betere boeken heeft mogen leren verwachten. De Amerikaanse Landmark-reeks is de nieuwe standaard en ik zie geen reden waarom die in Nederland niet gehaald zou kunnen worden. In elk geval van door academici gemaakte vertalingen mag een lezer verwachten dat ze met hun tijd meegaan. De universiteit heeft immers de wettelijke plicht en een geoormerkt budget om kennis over te dragen.

Een derde reden waarom mijn enthousiasme wat is bekoeld, is dat Athenaeum de veranderende markt niet heeft gevolgd of niet heeft kunnen volgen. Dertig jaar geleden vormden oud-gymnasiasten de voornaamste doelgroep, mensen die een tekst vooral lazen om de literaire waarde. Daar is niets mis mee, maar sinds de jaren tachtig is een tweede markt ontstaan die rond 2000 groter werd dan de gymnasiale en die nog steeds groeit: het publiek dat belang stelt in opgravingen. Die mensen lezen een tekst om de informatie. De met goede archeologische informatie verrijkte uitgave van Caesars Gallische Oorlog is de onverbiddelijke bestseller die, althans volgens mij, Athenaeum al sinds 1997 laat liggen.

Eind deze maand is de Romeinenweek. Wat let Athenaeum om dan eens te adverteren met een gratis e-book? Wat weerhoudt de uitgeverij ervan aan te kondigen dat ze volgend jaar “de archeologische Caesar” ten doop zal houden en dat ze in 2016 een goede geschiedenis zal uitbrengen van het Romeinse Rijk? Er zijn tijdens de Romeinenweek zesenzestig activiteiten; op het festival in Nijmegen waarmee de week eindigt, zullen ook dit jaar duizenden bezoekers zijn. De vraag is er.

De Athenaeumuitgeverij heeft nog steeds prachtige boeken in het fonds. Ik noem die geschiedenis van het Romeinse Rijk omdat ze zo’n mooie tegenhanger zou zijn bij Piet Gerbrandy’s prachtige Latijnse literatuurgeschiedenis en een reeks goede klassieke vertalingen.

Er zijn dus goede boeken, maar Athenaeum kan veel beter. Ik denk

  • dat men selectiever moet zijn met nonfictie,
  • dat men zich bij vertalingen aan de Landmark-reeks moet spiegelen en
  • dat men ervoor moet zorgen dat men – naast de traditionele, gymnasiale doelgroep – de tienduizenden bereikt die nu mis grijpen in de winkels van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden of het Gallo-Romeins Museum in Tongeren.

Dat lijken mij, eerlijk gezegd, verstandigere manieren om de uitgeverij rendabeler te krijgen dan organisatorische aanpassingen.

[En als u nu mocht denken dat het wat pikant is dat een auteur zijn eigen uitgever in het openbaar afvalt, dan heeft u het mis. Een van de fijne trekken van Athenaeum – Polak & Van Gennep is dat er weinig lange tenen zijn en dat schrijvers en uitgever verschillend over dingen kunnen denken. Ik heb dit stukje zekerheidshalve even voorgelegd aan Frits van der Meij, die het niet met alles eens is maar geen bezwaar heeft dat ik dit publiceer.]