
Vorige week blogde ik over de Ladder van Hawkes: een manier om de relatie tussen de diverse oudheidkundige deelgebieden te conceptualiseren. Een archeoloog kan aan de hand van zijn vondsten vrij robuuste uitspraken doen over het technologisch peil van een samenleving, en als dat eenmaal is vastgesteld, blijft er maar een beperkt aantal configuraties over waarmee, op een hogere tree van deze “ladder”, de economie valt te organiseren. De economie stelt weer beperkingen aan de sociale verhoudingen, weer een tree hoger, en de sociale verhoudingen hebben weer enige invloed op de ideologie.
Er zit veel in dit concept dat de moeite van het overwegen waard is. Hoe hoger we komen op deze ladder, hoe minder robuust onze kennis is en hoe vaker archeologen een beroep moeten doen op andere vakgebieden. En er is een zwak punt: het is niet zo dat uitsluitend lagere treden beperkingen opleggen aan de hogere; het omgekeerde gebeurt ook. Het schema van de Britse archeoloog David Clarke, gepubliceerd in 1968, houdt daar rekening mee. Het is het plaatje hierboven. Het eerste wat opvalt is dat het enorm complex is, maar gelukkig heeft Kees Huijser, die dit plaatje voor u maakte, er kleur aan toegevoegd. Dat helpt.
Het model van David Clarke
Clarke, een vertegenwoordiger van de zogeheten New Archaeology, duidt de deelgebieden van de menselijke cultuur niet aan als treden, maar als subsystemen, die functioneren binnen een fysisch milieu. Dat is de buitenste cirkel, waarin hij vier voor de oudheidkundige analyse relevante deelgebieden onderscheidt, die op elkaar inwerken. Dat zijn de blauwe pijlen (d). Op deze buitencirkel rust de menselijke cultuur (“het socioculturele systeem”), waarin Clarke vijf subsystemen onderscheidt, die met elkaar en met het fysisch milieu in verband staan. U kunt zich bij elk van de zwarte pijlen (a) wel iets voorstellen.
De rode wereldbol staat niet voor één ding, maar representeert de verzameling andere samenlevingen: de S staat voor Society of Samenleving, en de n geeft aan dat het er heel veel zijn. De getrokken rode lijnen (c) geven aan dat ook die samenlevingen gebaseerd zijn op het fysisch milieu, terwijl de indirecte rode lijnen (b) aangeven aan dat ook een buiten-samenleving invloed heeft op de samenleving die we onderzoeken. Als we een driedimensionele afbeelding zouden kunnen maken, zouden we Sn boven de rest verheffen.
De tijd
En dan zou er nog een vierde dimensie moeten zijn: de tijd. Clarke geeft het aan met een pijl onderaan, maar dat is te simpel. Alle andere pijlen geven beïnvloeding aan en je zou in het ideale plaatje willen dat de invloed van een verleden samenleving op een hedendaagse samenleving ook met pijlen zou worden aangegeven. De huidige tijdpijl onderaan toont die invloed niet. Terwijl die vrij interessant is, omdat het geen wisselwerking kan zijn. De invloed gaat maar één kant op.
Ik benadruk dit punt. Als ik zou beweren dat Curaçao invloed vanuit Nederland ondergaat, dan kijkt niemand daarvan op en is er een bibliotheek aan weldoordachte literatuur, waarin nu eens deelaspecten worden behandeld en waarin de relatie dan weer wordt gekaderd in een grotere theorie. Als het daarentegen gaat om de invloed van pakweg de Romeinse samenleving op onze samenleving, dan vervallen oudheidkundigen nogal eens eigenlijk altijd tot simsalabimsociologie: de invloed wordt vaker wel dan niet zonder bewijs aangenomen. Een van de zwaktes van het model van Clarke is dat het synchrone invloed anders voorstelt dan diachrone invloed.
Commentaar
Feitelijk is er opnieuw sprake van een ladder: de buitenste ring van het fysische milieu stelt grenzen aan de binnenste ring van het socioculturele systeem, dat weer culmineert in het psychische subsysteem, dat zoiets is als de ideologische “trede” bovenaan Hawkes’ ladder. Het gaat om waarden en ideeën die vooral talig worden doorgegeven, en eigenlijk vind ik het woord “ideologisch” iets beter dan “psychisch”.
Hawkes en Clarke erkennen allebei dat oudheidkundige inzichten niet overal even robuust zijn. Uitspraken over Clarkes buitenring en Hawkes’ onderste trede zijn redelijk hard, al staat klimaatreconstructie nog in haar kinderschoenen. Meer naar binnen toe (ofwel: hoger op de ladder) wordt het lastiger: archeologische data zijn te ambigu en – ondanks uitpuilende depots – te schaars. Het psychische subsysteem, waarin taal zo’n belangrijke rol speelt, dwingt archeologen tot samenwerking met andere wetenschappers. Maar hoe die samenwerking het beste kan, maken Hawkes en Clarke niet duidelijk, wat natuurlijk iets te maken heeft met het feit dat ze zich allebei vooral bezighielden met de Prehistorie. Maar ook dan speelt de historische taalkunde een belangrijke rol. Ik blogde er al eens over n.a.v. de expositie over de Bronstijd, waar de archeologie vaak een bevestiging heeft geleverd van wat de taalkundigen al eerder hadden ontdekt (bezit, religie, sociale stratificatie…).
Een ander bezwaar van Clarkes model is dat hij sommige wisselwerkingen negeert. Het religieuze taboe op varkens in de oosterse wereld heeft, als je het mij vraagt, consequenties voor de fauna. Ik zou een extra pijl opnemen.
Kortom, het model is complex maar laat desondanks nog altijd aspecten buiten beschouwing, en kan niet uit de voeten met diachrone invloed. Desondanks is het model verdraaid nuttig omdat het helpt de samenhang van alle deelgebieden te conceptualiseren. Anthony Snodgrass entte zijn beroemde boek Archaic Greece (1980) op het werk van Clarke.
De voornaamste les is deze: alles hangt met alles samen en een oudheidkundige kan niet zonder kennis van alle subsystemen. Zo bezien staat specialisme haaks op wetenschappelijkheid. Een tweede les is dat het gebrek aan robuustheid in de vijf centrale subsystemen (op de hogere treden van de Ladder van Hawkes) de oudheidkundige dwingt tot samenwerking met andere vakgebieden. En dan geldt opnieuw: specialisme staat haaks op wetenschappelijkheid.
PS
Kees attendeerde me erop dat ik dit plaatje al eens eerder heb behandeld. Grappig, ik was dat helemaal vergeten.
Zelfde tijdvak
Kwakgeschiedenis: afrocentrisme (1)februari 14, 2014
Is er leven na De Dood in Venetië?oktober 30, 2025
Geliefd boek: The Marsh Arabsdecember 18, 2020

Net als de ladder van Hawkes komt dit model me nogal mechanistisch voor. In de archeologie en geschiedenis zijn betrouwbare feiten moeilijk te onderwerpen aan een test door middel van een experiment met een hypothese. En er zijn grote gaten in de feitenkennis die we hebben. Een volgende set opgravingen kan de generaliseringen zomaar weer overhoop gooien. Hoe weten we dat wat we vinden ook een samenleving, een periode of een ontwikkeling weerspiegelt? Is wat we terugvinden representatief of juist niet? De interpretaties op basis van grafvondsten en resten van nederzettingen over de maatschappij die erachter ligt, zijn hoogstens benaderingen. Met andere woorden: de afhankelijkheden die de modellen suggereren zijn niet zo sterk door de vele aannames waarop ze berusten. Ik mis dit bewustzijn in de besprekingen van dit soort modellen.
Ja, dat klopt allemaal: zowel de Ladder van Hawkes als dit model van Clarke zijn schematische, nogal positivistische opvattingen over hoe wetenschap zou moeten werken. Het zijn allebei uitingen van de New Archaeology van de jaren zestig. Die was positivistisch van ambitie: men vatte, net als de toenmalige taalkunde, het wetenschappelijk proces op als wetmatige procedures om wetmatige verbanden te vinden.
Anders dan de taalkunde, die de ambitie heeft waargemaakt, bleek het in de archeologie niet haalbaar. Daarom ontstonden de postprocessuele archeologieën, die een sterk hermeneutisch aspect hebben.
“Desondanks is het model verdraaid nuttig omdat het helpt de samenhang van alle deelgebieden te conceptualiseren.”
Ja dat is precies het belang van modellen. Men heeft nogal eens de kritiek dat modellen niet uitputtend zijn, maar een uitputtend model zou hetzelfde zijn als het verleden. Dat is dus een onmogelijk doel en dat is dus ook niet de activiteit die we daadwerkelijk uitvoeren als archeologen en historici. We bevragen (noodgedwongen) een deel van het verleden en maken daarin stappen vooruit. Een van de tools om complexiteit beheersbaar te houden is een model. Maar men moet die modellen niet met meer betekenis beladen dan het doel waarvoor ze gemaakt zijn: als een tool om specifieke vragen te helpen beantwoorden over een zeer complex verleden.
En over ‘gaten in de feitenkennis’ en ‘hypothesen die berustten op aannames’: dat is eigenlijk altijd zo in elke wetenschap. De truc is dan ook te proberen betere verklaringen te vinden en dat proces noemen we wetenschap. Zoals Jona terecht aangeeft ging positivisme de mist in (want gebaseerd op een onjuist beeld van de wetenschap) maar het postprocessuele maakte (wat mij betreft) nog een veel grotere fout door verklaringen los te koppelen van objectiviteit.
Wat mij frappeert is dat de discussie nog steeds lijkt te gaan over welk van deze twee stromingen ‘waar’ zijn. Terwijl het wel duidelijk moge zijn, en we volgens de regels van epistemologie mogen verwachten, dat het dan tijd is voor een set nieuwe verklaringen. Dat debat is echter nagenoeg dood in de archeologie, tot mijn spijt.
“Men heeft nogal eens de kritiek dat … maar …”
Klopt. Dit geldt in de natuurkunde ook. Het enige volledig correcte model van onze natuurlijke werkelijkheid en alle natuurkunde erin is een precieze kopie van dat heelal. Al het andere is een benadering ervan. Zeker, op bepaalde deelgebieden benadert de natuurkunde die werkelijkheid dichter dan enige andere tak van wetenschap.
Mijn favoriete voorbeeld blijft de lenzenformule. Die is gebaseerd op de aantoonbaar foute aanname dat de sinus van een hoek gelijk is aan die hoek. Die aanname werkt beter naarmate de hoek kleiner is.
Even iets heel anders: Frank, zat jij niet zo’n 35-40 jaar geleden in de user ruimte bij Nikhef-K?
“een uitputtend model zou hetzelfde zijn als het verleden”
Er is een kort verhaal van J.L. Borges over een landkaart met schaal 1:1.
https://youtu.be/yZT-wVnFn60?is=SlOWoa9rj18LzfqA
Zoiets als dit?
Hahaha, ja!
Hah, dat klinkt goed, helaas staat die nog op de plank in mijn tegelijkertijd indrukwekkende en treurige ’te lezen’ stapel…