Ben ik nou zo streng?

Sint-Isidorus van Sevilla, beschermheilige van het internet

In de supermarkt kwam ik een bevriende classica tegen die me verraste met de mededeling dat ze deze blog las en de “Methode op maandag” waardeerde. Ik begon al te zwellen van trots toen ze eraan toevoegde dat ze me wel wat streng vond voor haar academische collega’s. Ik kromp weer naar normale proporties.

Haar opmerking bleef bij me hangen, mede omdat ik deze constatering (of kritiek) twee weken daarvoor ook op Facebook had gelezen. Ik stond toen op het punt af te reizen naar Slovenië en Kroatië en heb er niet méér op gereageerd dan met een “like”, maar ik had er nota van genomen dat ik, in de ogen van mijn Facebookvriend, de wetenschap verweet weinig aansluiting te vinden bij de grote maatschappelijke ontwikkelingen.

In mijn idee is het nu eenmaal altijd improviseren en houtje-touwtje. De universiteit is nog steeds niet bekomen van de schokgolven van de internet-revolutie.

Er stond nog meer behartenswaardigs op Facebook, maar het gaat me vandaag even over de geciteerde woorden. Houtje-touwtje. Improviseren. Ik begrijp ze. Wetenschap is mensenwerk en dus worden er van tijd tot tijd fouten gemaakt. Uiteraard heb ik daarvoor alle begrip.

Maar neem nu dit. Ik ben bestuurslid van een stichting die probeert de Romeinen wat meer over het voetlicht te krijgen, RomeinenNu. We krijgen subsidie en onze subsidiënten stellen daarbij eisen. Die staan in documenten als de “Gedragscode cultuurfondsen” en hoewel dat geen heel inspirerende lectuur vormt, is er niets mis mee. Ook als zulke eisen er niet zouden zijn, mag u verwachten dat mensen die openbare gelden aannemen om het publiek over de wetenschap te informeren, een zekere mate van professionaliteit vertonen. Daarbij kun je denken aan controleerbaarheid, aan gerichtheid op wat de doelgroep nodig heeft, aan de proactieve bestrijding van misverstanden, aan publieksbereik. Ik zeg niet dat we dit bij RomeinenNu volmaakt doen maar het is wel een punt van aandacht.

Het lijkt me niet onbillijk iets dergelijks te verwachten van de universiteit. Eigenlijk wel méér, want de budgetten die daar rondgaan zijn aanzienlijk groter dan die van RomeinenNu. We mogen mijns inziens verwachten dat een vakgebied ruim twintig jaar na de doorbraak van het internet in elk geval informatie aanbiedt op het wereldwijde web, dat daarbij rekening wordt gehouden met diverse doelgroepen en dat wordt getoond wat het wetenschappelijk proces is. Onderzoek dat niet wordt overgedragen aan het publiek is immers zoiets als een muziekstuk dat niet wordt uitgevoerd. Als je je voorlichting niet op orde hebt, word je niet alleen door het publiek genegeerd, maar zien ook collega-wetenschappers je niet staan (voorbeeld). Met dit alles zeg ik niets unieks: het is ook te vinden in Tussen onderzoek en samenleving, een advies van De Jonge Academie over wetenschapsvoorlichting.

Maar er is meer. Ik denk dat wetenschappers mensen soms niet goed informeren omdat ze zelf onvoldoende bagage hebben. Afgelopen maandag rondde ik mijn stukje af met de constatering dat voor een goede interpretatie van een antieke tekst een stevige kennis van de antieke cultuur noodzakelijk is. Die is echter niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger: de opleidingen zijn bekort tot vier jaar en dat is echt te weinig.

Ik wil niet klinken als een zeurende vijftigplusser aan de borreltafel en zal mijn standaardlitanie beperken tot één voorbeeld: dat archeologen bij het overnemen van resultaten van historici niet in de gaten hebben dat een discussie van die resultaten niet kan worden gevoerd aan de hand van de kwaliteitsnormen die binnen de archeologie gelden. Je zult eerst moeten vaststellen welke kwaliteitsnormen beide vakgebieden delen. De crux is in dit voorbeeld niet dát archeologen historici meten aan een archeologische maatstaf, want wetenschap is mensenwerk en er worden, zoals gezegd, van tijd tot tijd fouten gemaakt. De crux is dat men het probleem niet herkent. Anders geformuleerd: men weet niet wat interdisciplinariteit is. De archeologische vakopleidingen hebben een wetenschapstheoretische lacune.

Summa summarum. De meeste van mijn stukjes schrijf ik in één keer maar dit stukje was lastig. Ik merk dat ik steeds meer moeite heb met het contrast tussen enerzijds overtrokken claims – iedere instelling is tegenwoordig excellent – en anderzijds zeer reële tekortkomingen. Die zijn in elk geval in mijn vakgebied maar al te zichtbaar: onderzoekers met kennislacunes, te korte opleidingen, falende voorlichting. Dat is niet uniek voor de wetenschap. Ik zou over de erfgoedsector hetzelfde kunnen schrijven en vermoedelijk over elke gebureaucratiseerde instellingWe moeten echter niet doen alsof dit normaal is. Dat is het niet. Wellicht ben ik streng, maar dat moet dan maar. Wetenschap is belangrijk, de humaniora zijn belangrijk, de klassieken zijn belangrijk en ik wil erop kunnen wijzen wat deze activiteiten zouden kunnen zijn, behoren te zijn.

[En o ja: morgen is de eerste dag van de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden.]

14 gedachtes over “Ben ik nou zo streng?

  1. Manfred

    Ondertussen is een petitie gestart om te bedelen voor meer geld voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. https://petities.nl/petitions/er-moet-meer-geld-naar-wetenschappelijk-onderwijs
    “Het is ontoereikend om slechts meer te investeren in wetenschappelijk onderzoek. Zowel onderwijs als onderzoek hebben meer geld nodig.”

    Het is tekenend dat voorlichting hier überhaupt niet als taak van de wetenschap wordt gezien, er hoeft in ieder geval geen geld naar toe.

  2. Ik denk dat je aangeeft waarom ik deze blog lees: je houdt de wetenschappers een spiegel voor en gelooft niet al hun praatjes. Als hun kennis tekort schiet om wetenschappelijk te functioneren, moet dat worden benoemd.

    En de erfgoedsector vertoont inderdaad dezelfde combinatie van zelfingenomenheid en gebrek aan terugkoppeling.

  3. roepers

    Je hebt toch altijd een kennislacune? Naar mate je meer weet, des te prangender is het gevoel dat er zoveel is dat je nog niet weet. Het gaat niet zozeer om kennislacunes, maar om de omgang ermee. Het besef welke lacunes urgent zijn gezien je onderzoek en de publicatie. Ik denk ook dat vaak goed dat je die benoemt.

  4. Marcel Meijer Hof

    Beste Jona,

    Als ‘zeurende vijftigplusser’ kan ik je enkel bijvallen in je ‘strengheid’. Zesjescultuur, of is het een vijf-min (?), is waar Nederland in excelleert. Een deel van mijn wetenschappelijk ontzag ontleen ik aan mijn ene grootvader, apotheker. Hij was opgeleid in een tijd waarin de grondstoffen nog zelf werden ingekocht en moesten worden beoordeeld op kwaliteit. Pillen draaien was handwerk en oh wee wanneer die niet allemaal even groot waren – dan moest het opnieuw.
    Mijn andere grootmoeder had een Franse achtergrond, een land waar de President aanwezig pleegt te zijn bij begrafenissen van vooraanstaande cultuurdragers. Monsieur Macron nodigde na zijn aantreden de klimaatwetenschappers, die brodeloos dreigen te worden in Amerika, uit vooral naar zijn republiek te komen. Haar gevoel voor kwaliteit maakte dat Koningin Wilhelmina het niet vervelend vond om hoeden uit dat atelier te dragen.
    Later woonde ik een aantal jaren in Duitsland maar kende toen al de wetenschappelijke reputatie uit de tijd voordat het Bildungsbürgertum secuur om zeep werd gebracht. Mijn verblijf werd een leerschool in organisatie.

    In de jaren ’70 was ‘vertrossing’ term waarmee de toenemende oppervlakkigheid in de media en elders in de samenleving werd aangeduid. Sindsdien is de naamgevende publieke omroep opgenomen in de toonaangevende gelederen. Deze ontwikkeling gaf bij mij persoonlijk de doorslag om een pretstudie als Kunstgeschiedenis (met als belangrijkste verplichte bijvak Klassieke Archeologie) op te nemen. Sindsdien krijg ik regelmatig te horen dat ik college aan het geven ben. Het zij zo. Een minderwaardigheidscomplex zal ik er niet van krijgen.

    Persisteert ende versaegt nimmer.

  5. Henk Smout

    ‘Behartenswaardig’ – wat is beharten? – was vroeger vaste prik als J.L. Heldring één keer in de maand zijn rubriek ‘Dezer Dagen’ wijdde aan taalfouten die volgens hem op denkfouten berustten. Sommigen vonden het maar ‘spijkers op laag water’.

  6. Messalla

    Niets mis met strengheid. Als er ergens weer desinformatie wordt verspreid over Jezus, het graf van Sint Nicolaas of de laatste rustplaats van Alexander de Grote kom ik graag hier om te lezen hoe het wél zit. Wat onjuist of ongenuanceerd is, dient gecorrigeerd dan wel in het juiste perspectief geplaatst te worden. Het is dan ook beslist een aanwinst dat JL tegenwoordig in tijdschriften die niet primair op de Oudheid zijn gericht, zoals Skepter, publiceert.

    Aan de andere kant moet strengheid geen eenrichtingsverkeer worden. Er moet niet alleen sprake zijn van zenden, maar ook van daadwerkelijke interactie. Als iemand vraagtekens plaatst bij de interpretatie van een beeldje als ‘Afrodite’, kan het antwoord niet zijn dat het museum in Zagreb dat nu eenmaal zegt (autoriteitsargument). JL heeft immers de bordjes in het museum op Curaçao terecht verbeterd als hij daar onzin op aantrof. Wie terecht hamert op de methode, moet ook bereid zijn te discussiëren als zijn eigen beweringen langs een methodologische meetlat gelegd worden.

    Dus ga zo door, maar wees ook kritisch op je eigen beweringen.

  7. Klaas

    Ik had mijn reactie ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’ al klaar liggen… maar ‘Karin’ was mij voor. Maar ik geloof dat een belangrijk deel van het probleem is dat de patient niet door heeft dat-ie ziek is. Blijf dus maar de trom roeren.

    1. Dat denk ik dus ook ja. Als je jezelf mag beoordelen – dat heet de academische vrijheid – en iedereen te maken krijgt met opleidingen, stel je als vanzelf de norm naar beneden bij.

      Wat ik heel erg heb gevonden, was dat de UvA onderscheid maakt tussen wetenschappelijke master-opleidingen en maatschappij-gerichte masteropleidingen. Dat de maatschappij wetenschap nodig heeft, lijkt niet meer duidelijk te zijn aan de letterenfaculteiten. Men heeft de minachting voor de humaniora geïnternaliseerd. Hoe willen we met zulke letterdames en -heren de oorlog nou winnen?

  8. eduard

    Net terug van een interessante conferentie waar ik veel wijzer van ben geworden, maar als ik daarna in de boekwinkel sta van het museum dat voor die conferenties gastheer was, overvalt me toch een gevoel van moedeloosheid. Allemaal experts komen bij elkaar, houden een wegens de taalbarrière soms erg moeilijk te volgen lezing, delen kennis, bekritiseren en helpen elkaar. Niemand kan nu eenmaal alles weten, maar met elkaar discussiërend wordt het werk beter, en iedereen is eerlijk over wat we niet kunnen weten. Enige maanden later volgt een publicatie waarin al die verhalen, door kritiek en verbeterd inzicht aangescherpt, gepubliceerd worden. Vervolgens staan ze in de kast van de museumwinkel voor zestig tot negentig euro te koop, en sommige universiteiten kopen die boeken. Vervolgartikelen verschijnen in wetenschappelijke tijdschriften, waarop je je voor nog hogere bedragen kunt abonneren (of je kan voor rond de dertig dollar een artikel downloaden). Er zou toch bij de publieke omroep een soort permanente DWDD University uur moeten zijn waarop de resultaten van met belastinggeld betaald onderzoek door een goed gebekte deskundige aan het publiek worden overgedragen, om een tegenwicht te bieden aan alle onzin die er gratis en voor niets over ons uit wordt gestrooid. Maar van wat ik van de deze week uitgezonden documentaire over Aaron Schwartz heb gehoord, die het waagde tegen de wetenschappelijke tijdschriften een kleinschalige guerrilla te voeren, waren het niet de advocaten van de uitgeverijen die hem noodlottig werden, maar de agenten van de FBI. Overheid en bedrijfsleven werken gebroederlijk samen om met belastinggeld vergaarde kennis toch vooral uit de buurt van die belastingbetaler te houden.

Reacties zijn gesloten.