
Even wat boos geblog. U hoeft niet verder te lezen hè. Maar ik moet even wat kwijt over de mail die ik zoal krijg. Ik krijg heel veel mail – daarom kan ik er niet altijd zo snel op antwoorden als ik zou willen – en het meeste is leuk. Ik word er blij van als we samen iets kunnen oplossen. Maar er is ook een niet verwaarloosbaar deel bij mijn correspondentie dat ik liever niet ontvang omdat het me alleen in een negatieve stemming brengt. Hier zijn wat categorieën.
Een. De vandaal die iets wil weten over een van zijn vondsten. De fascinerende huisregels van deze blog maken, volgens mij, duidelijk dat ik niets te maken wil hebben met de plundering van opgravingen en de handel in illegaal opgegraven voorwerpen. Ik weet niet welk deel van de huisregels onvoldoende duidelijk is, maar ik blijf ermee lastig gevallen worden.
Voor wie me nog eens hierover schrijft: ga je schamen.
Twee. De wetenschappelijk medewerker die mijn blogje over de Vierde Redevoering van Praxidemos van Sindos heeft gelezen, heeft geconstateerd dat ik ook het knipoogje naar Leon van Sikyon vermeld, en die me er kwaad op wijst dat ik zijn artikel “Deconstructing the Debris. Lost Intertextualities in Praxid. Or.4” had moeten citeren, in 2018 gepubliceerd in het Journal of Hellenistic Rhetorics. Want daar heb ik het natuurlijk gevonden.
Antwoord A: ik ontdek zelf ook weleens iets. Antwoord B: zolang er geen open access is, is het nogal dom, eigenlijk, om aan te nemen dat een blogger een wetenschappelijk artikel kan inzien. Antwoord C: al zou ik het hebben gelezen, dan nog heeft de literatuurverwijzing in een wetenschappelijk artikel een andere functie (namelijk verantwoording voor andere wetenschappers) dan in een populariserend stuk (waar we mensen vertrouwd maken met het wetenschappelijk proces).
Voor wie me nog eens hierover schrijft: kijk nog even naar je aantekeningen uit je eerstejaarscollege wetenschapsethiek.
Drie. De contemporain historicus die een mening heeft over oude geschiedenis. Dat kan natuurlijk, maar bedenk wel dat ik ook weleens iets weet. Als ik dus beweer dat dat er een Romeinsrechtelijke definitie was van wat een Jood was, bedenk dan eerst dat ik misschien een boek heb gelezen, bijvoorbeeld het proefschrift van Marius Heemstra over de Fiscus Judaicus, vóór je me schrijft dat ik onzin uitkraam omdat pas de nazi’s Joden zouden hebben gedefinieerd. En schrijf, gewoon, beleefdheidshalve, zoals je bent opgevoed, helemáál niet dat een mening, van wie dan ook, “in het licht van de genocide moreel verwerpelijk” is.
Voor wie me nog eens hierover schrijft: oudheidkunde is een wetenschap en je moet het elementaire fatsoen hebben een proefschrift te respecteren.
Vier. De ondankbare lafaard die, als ik zo iemand een foto uit mijn archief cadeau deed voor pakweg een publicatie, nog bij me terugkomt met de vraag of ik een auteursrechtenverklaring wil tekenen.
Voor wie me nog eens hierover schrijft: zeg gewoon tegen die boven je gestelde bureaucraat dat het onbeleefd is om van iemand die je iets ten geschenke gaf, te verlangen dat ’ie ook nog de administratie komt doen. Je mag je baas gewoon tegenspreken hoor.
Vijf. De neoliberaal die denkt dat alles wat mensen doen is te herleiden tot financieel gewin. Denk aan museummedewerkers die me, zonder te begrijpen dat ik mijn foto’s niet commercieel verhandel, voorhouden dat ik geen foto’s van museumvoorwerpen mag verkopen. Denk aan de mafkees die dacht dat ik viel onder de regels voor influencers en moest aangeven dat ik geld ontving.
Voor wie me nog eens hierover schrijft: in wat van wereld leef je als je niet meer weet dat veel mensen werken uit liefde voor hun vak? Ze zijn niet blind voor geld, heus niet, maar ze werken omdat kennis delen hetzelfde is als plezier delen.
Ziezo. Dat moest ik even kwijt. Morgen weer een blogje over de Oudheid. Gewoon, omdat ik het leuk vind erover te vertellen.

“Ga je schamen” is een goed standaard antwoord op emails van De Vandaal. Hardleersheid typeert hem/haar, dus hoe minder energie je er aan besteedt hoe beter.
“Ziezo. Dat moest ik even kwijt. Morgen weer een blogje over de Oudheid. Gewoon, omdat ik het leuk vind erover te vertellen.”
Jona, je bent je boosheid weer de baas. En dat is ook leuk.
Van de tweede groep hebben musea ook last. En het gaat om functionele geletterdheid: begrijpen dat wat in jouw genre geldt, niet ook in andere genres geldt. Maar dat schijnt te moeilijk te zijn.
‘zeg gewoon tegen die boven je gestelde bureaucraat dat het onbeleefd is om van iemand die je iets ten geschenke gaf, te verlangen dat ’ie ook nog de administratie komt doen.’
Vermelding van ‘Foto vrij van rechten’ is kennelijk niet voldoende. Men is bang voor ‘suing’ achteraf.
Dat de universiteiten e.d. daar zorgvuldig in willen zijn, dat begrijp ik. Al is het maar omdat commerciële fotografen gewoon hun rechten hebben. Dus ja, ze mogen een administratie hebben.
Maar wat me zo dwars zit is de vanzelfsprekendheid waarmee mensen verwachten dat ik die administratie voor ze doe. Als je een cadeautje krijgt, zeg je “dank je wel”, niet “ik heb werk voor je”.