Het Mishna-traktaat Aboth

Menora’s (Archeologisch museum van Korinthe)

Na de val van Jeruzalem, in 70 na Chr., hadden de joden geen tempel meer en geen hogepriester. Zonder allerhoogste autoriteit moesten ze hun geloof opnieuw uitvinden. Als de sadduceeën, zoals je vroeger weleens las, vooral behoorden tot het meer welvarende deel van het Joodse volk, waren ze ten onder gegaan door de plunderingen tijdens de Joodse Oorlog. Van de mensen die de Dode Zee-rollen schreven (misschien de essenen) horen we niets meer. De sicariërs en de zeloten waren gesneuveld.

Nieuw leiderschap

Slechts twee groepen overleefden: enerzijds de farizeeën, anderzijds de volgelingen van Jezus. Uit die laatste groep is het christendom voortgekomen, met een kader van priesters, diakenen en bisschoppen. (Er waren aanvankelijk ook apostelen en christelijke profeten, maar die verdwijnen al snel uit zicht.) De christenen raakten van de andere joden gescheiden door de door de keizer geëiste Fiscus Judaicus, een maatregel die niet alle monotheïsten trof op dezelfde manier.

Lees verder “Het Mishna-traktaat Aboth”

Vragen rond de jaarwisseling (1)

Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (1)”

Het scheiden der wegen

Schema van het scheiden der wegen (klik=groot)

Het is niet voor het eerst dat ik schrijf over het scheiden van de wegen van joden en christenen. Voor negentiende-eeuwse christenen was dat simpel: er was een Oud Verbond en omdat de joden Jezus van Nazaret niet hadden erkend als messias, was er een Nieuw Verbond, waarin de joden als verbondsvolk waren vervangen door de christenen. En voor joden was het ook al simpel: christendom was monotheïsme voor de export, maar niet het onversneden echte spul. Beide groepen – de negentiende-eeuwse christenen en de negentiende-eeuwse joden – claimden het tempeljodendom als hun eigen erfgoed en meenden dat de andere religie zich van de rechte leer had afgesplitst.

De geschiedenis van het christendom werd lange tijd eigenlijk even simpel voorgesteld. Ooit was er een zuivere kerk geweest, waar links en rechts aftakkingen van waren, met één orthodoxe stroming die in een rechte lijn vanaf de apostelen ging naar het eigen kerkgenootschap.

Lees verder “Het scheiden der wegen”

Joden en christenen in Rome

Joods grafschrift (Museo delle terme, Rome)

Voor wie Rome verliet, voerde de eerste mijl van de Via Appia langs een parkje waarvan men zei dat de legendarische koning Numa er nog eens met een bosnimf had gesproken, én door een joodse wijk. Joden mochten op de sabbat maar een beperkte afstand wandelen en vestigden zich daarom het liefst bij hun synagogen, zodat er in Rome verschillende joodse buurten waren, elk met een eigen gebedshuis en een eigen catacombe. De synagoge aan de Via Appia was genoemd naar Eleas of Elaias, maar het is onbekend wie of wat dat is geweest.

Het is echter wel bekend dat de bewoners van deze buurt vrij sterk geromaniseerd waren. Dat blijkt uit de inscripties in de catacombe even voorbij de tweede mijlpaal van de Via Appia: merendeels in het Latijn, niet in het Grieks of een meer oostelijke taal. Deze joden waren overigens niet bepaald rijk. De dichter Juvenalis (ca.60 – ca.135) vertelt hoe hij hier eens een vriend tegenkwam die aan het verhuizen was, en geeft en passant een beschrijving van de armoedige levensomstandigheden:

Lees verder “Joden en christenen in Rome”

Faits divers (24)

Een scheepswrak in het archeologisch museum van Girne; wellicht krijgen we zoiets ook te zien in Cartagena

Omdat het nieuwe academisch jaar is begonnen en de oudheidkunde dus wordt bedreigd, beginnen we deze “faits divers” met een petitie. Dit keer gaat het om de gymnasia in Denemarken, die geen financiële steun meer krijgen. Vorig semester waren er petities voor twee archeologische instituten, vier voor klassieke talen, één voor geesteswetenschappen in het algemeen en twee voor musea (overzicht). Soms hielpen die petities, dus tekenen is geen vergeefse moeite. U vindt de Deense petitie daar.

Ter zake nu.

Lees verder “Faits divers (24)”

Even wat boos geblog

Even wat boos geblog. U hoeft niet verder te lezen hè. Maar ik moet even wat kwijt over de mail die ik zoal krijg. Ik krijg heel veel mail – daarom kan ik er niet altijd zo snel op antwoorden als ik zou willen – en het meeste is leuk. Ik word er blij van als we samen iets kunnen oplossen. Maar er is ook een niet verwaarloosbaar deel bij mijn correspondentie dat ik liever niet ontvang omdat het me alleen in een negatieve stemming brengt. Hier zijn wat categorieën.

Een. De vandaal die iets wil weten over een van zijn vondsten. De fascinerende huisregels van deze blog maken, volgens mij, duidelijk dat ik niets te maken wil hebben met de plundering van opgravingen en de handel in illegaal opgegraven voorwerpen. Ik weet niet welk deel van de huisregels onvoldoende duidelijk is, maar ik blijf ermee lastig gevallen worden.

Voor wie me nog eens hierover schrijft: ga je schamen.

Lees verder “Even wat boos geblog”

Het belang van de Oudheid(kunde)

Een I.D.O.H.Z.O.-tje toont het belang van de Oudheid niet

Wat is het belang van de Oudheid, van de oudheidkunde? Iemand vroeg me onlangs om het nog eens uit te leggen. Een nieuwe vraag is het niet. Toen het Gronings Archeologisch Instituut in 2017 een jubileum vierde, was een van de thema’s “Archeologie, voor wie doen we het ook alweer?” (Ik was een van de sprekers.) In 2019 hield David Fontijn een toespraak over dezelfde vraag. Ik heb het zelf uitgelegd in mijn laatste boek (blz.48-49). Het is opvallend dat de vraag, welbeschouwd eerstejaarsstof, terug blijft keren.

Antwoord 1: De Oudheid is leuk

Eerst het makkelijkste antwoord: inhoudelijk. Oudheidkundigen kunnen dingen vertellen over hoe het vroeger was. Dat is leuk. Ik houd me al veertig jaar met de Oudheid bezig en zie nog elke dag iets verrassends. Dat is waarom musea en parken als Archeon tienduizenden bezoekers hebben en publieksprijzen winnen. Zo simpel.

Lees verder “Het belang van de Oudheid(kunde)”

Godvrezenden en de Theos Hypsistos

Zeus Hypsistos (Archeologisch Museum, Dion)

In mijn wekelijkse reeks over het Nieuwe Testament maak ik even een zijsprong die niet helemaal als een verrassing zal komen voor degenen die deze blog al wat langer volgen. Ik heb er immers al vaker op gewezen dat het vroege christendom – of misschien moet ik het hebben over “de Jezusbeweging” – pluriform was. Joden uit diverse stromingen herkenden iets in Jezus’ leer en later waren er ook niet-joden die er iets in zagen.

Deze tweede groep wordt doorgaans in verband gebracht met Paulus, die meende dat er bij het naderende wereldeinde ook redding kon zijn voor heidenen. Hij was niet de enige apostel die niet-joden toeliet tot het Verbondsvolk. Er zijn bijvoorbeeld al snel christenen te vinden in Egypte, dat bovendien uitgroeide tot een fabriek van nieuwe ideeën, maar we weten niet wie het christendom daar voet aan de grond heeft doen krijgen. Er zijn echter zeker meer Paulussen geweest.

Lees verder “Godvrezenden en de Theos Hypsistos”

Jezus, Petrus, Domitianus en een vis

Op zondag blog ik meestal over het Nieuwe Testament, maar ik ben deze maand ook bezig met een reeks over keizer Domitianus. Het een sluit het ander niet uit. De twee zijn immers te combineren. Hier is Matteüs 17.24-27 in de Nieuwe Bijbelvertaling.

Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’ Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’ Toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: ‘Wat denk je, Simon: van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’ Op zijn antwoord: ‘Van anderen,’ zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; ga naar het meer, werp een vishaak uit en pak de vis die je het eerst bovenhaalt. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. Betaal hen daarmee voor ons allebei.’

Lees verder “Jezus, Petrus, Domitianus en een vis”

Nog één keer de Heerlense Fiscus-Judaicus-ostracon

Kwitantie van de Fiscus Judaicus (Thermenmuseum, Heerlen)

Het zat me niet helemaal lekker dat ik vanmorgen de tekst niet kon geven van dat Heerlense ontvangstbewijs van de Fiscus Judaicus. Vanmiddag kreeg ik van diverse kanten hulp aangeboden, en omdat de zoom-vergadering die ik vanavond had prettig snel was afgelopen, kan ik nu al het een en ander toevoegen. Laten we eens een “diplomatieke uitgave” doen: een uitgave waarbij we eerst tonen wat er feitelijk staat en daarna een op leesgemak aangepaste reconstructie.

Hier is eerst de feitelijke tekst (die niet in alle browsers goed leesbaar zal zijn).

Σαμβθίω ὁ καὶ Ἰησο Παπίου
Ἰουδ τελ ς Τραιανοῦ
τοῦ κυρίου δ ς Παχõ κθ

In een echte diplomatieke uitgave zouden de letters die ik nu heb doorgehaald, zijn aangegeven met een puntje eronder. Het betekent dat die letter niet scherp zichtbaar is. Ik kan dat hier niet namaken. Hier passen we de tekst aan op leesgemak, dus met uitgeschreven afkortingen en wat interpunctie.

Σαμβαθίων ὁ καὶ Ἰησοῦς Παπίου
Ἰουδαικοῦ τελέσματος. ς ἔτους Τραιανοῦ
τοῦ κυρίου δραχμὰς δ. Ἔτους ς Παχῶνος κθ

En de vertaling:

Sambathion, ook bekend als Jezus, de zoon van Papios,
voor de Fiscus Judaicus. Jaar 6 van Trajanus
onze heer. 4 drachmen. Jaar 6, 29 Pachon.

Die laatste datum is om te rekenen naar 24 mei 103.

De scherf komt uit Edfu en staat bekend als O. Heerlen BL 345, waarbij de O natuurlijk staat voor ostrakon. Sambathion is ook bekend van enkele andere ostraka; in Heerlen is bijvoorbeeld ook een kwitantie te zien dat hij de bodembelasting heeft betaald.

En verder vergiste ik me: de Kaufmann van wie Diepen de collectie overnam, was niet de Hongaarse geleerde, maar Karl Kaufmann.