
Medina was in de Oudheid nog geen stad, maar een flinke oase, die volstond met dadelpalmen en woontorens. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken of verhongeren, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze onder andere graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
Teveel mensen, te weinig eten
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,noot mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali (de tweede imam) woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en dichters en intellectuelen.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639 na Chr.,noot was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van de Ondergang.’
Hongersnood in Medina
De bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923 na Chr.), of liever dat van Sayf ibn Umar (gest. ca. 800 na Chr.), dat al-Tabarī citeert.
De mensen werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat Jaar van de ramāda genoemd wordt.noot
Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās (Emmaüs) in Palestina, waar te zelfder tijd de pest uitbrak (25.000 doden) na een maandenlange periode van droogte. Dat kwam, zo wordt uitvoerig verhaald, omdat de mensen daar aan het wijn drinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!’, waarop de ramāda uitbrak.
Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie. Sayfs tekst gaat verder over de catastrofale situatie in Medina. In Syrië werd overigens ook gehongerd en verbreidde de pest zich eveneens; des te onwaarschijnlijker is het dat er vandaar maar liefst 4000noot kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zouden zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd. De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.
In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: ‘… omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
Een graankaravaan
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 4000noot kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Of en hoe het mogelijk was, zoveel graan naar Medina te brengen terwijl Syrië toch ook in crisis verkeerde, blijft onduidelijk. Hoe dan ook, een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
Opwaaiend stof
Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? En was droogte iets bijzonders?
Kijkt U even mee naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid, en in dit rampjaar viel er blijkbaar nog wat minder regen dan anders; allicht dat er dan stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as,’ volgens de bron.
En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Classici zijn zich voortdurend bewust van vulkanen als Santorini en de Vesuvius. Arabisten denken meestal niet aan vulkanen, daarom is het goed er eens op te wijzen. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Dat zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is Djabal al-Baydā’, de ‘Witberg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 in Medina geweest kunnen zijn? Zijn de schapen gestorven toen er as en stenen op hen vielen, of omdat hun voer met as werd bedekt? Het is maar een voorstel; we weten het niet.
Nu nog dat woord ramāda. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Er wordt in de teksten wel veel over droogte gesproken, maar ramāda betekent van huis uit geen ‘droogte’, maar ‘ondergang’, door slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair, de eventuele droogte secundair. Ramād daarentegen betekent ‘as’, dat is echt iets anders. De bron van al-Tabarī werd getroffen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād, maar hij doet aan volksetymologie; wij hoeven hem daar niet in na te volgen.
Het Jaar van de Ondergang dus, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ook ik even dacht. Een vulkaanuitbarsting zou er geweest kunnen zijn, maar is met behulp van de teksten en het lexicon niet hard te maken.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In een groot deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?
[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Wim Raven en ook op de beëindigde website Grondslagen.net.]
Zelfde tijdvak
Het oudste manuscript van de Koranjuli 22, 2015
De Dame van Auxerremaart 27, 2025
De antieke watermolenmei 15, 2025

“Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst.”
Werd Medina als enige getroffen door dit verschijnsel? Zo ja, dan zou ik voor een vulkaan gaan. Zo niet, voor een klimaatverschijnsel. Natuurlijk kan Gods toorn ook alleen lokaal impact hebben. 😉
Over het ommeland is domweg niets bekend.
Ik neem aan dat je hier naar geschreven bronnen verwijst, maar wat zeggen de eerder genoemde vulkanologen?
In dit blog staat een doorlink naar
https://archive.aramcoworld.com/issue/200602/volcanic.arabia.htm
Het is een seismisch actieve regio. Bij een spleeteruptie zoals beschreven stroomt lava uit en worden grotere en kleinere piroclasten en gassen uitgestoten. Afhankelijk van de kracht van de eruptie en de heersende winden kunnen giftig stof en giftige gassen over grote afstand uitregenen. Geologen kunnen dat materiaal in de ondergrond terugvinden met bijv. booronderzoek.