
De stad Cartagena, waarover ik zojuist al blogde, was gebouwd op een schiereiland dat een grote baai in tweeën deelde. De zuidelijke helft staat nog altijd in verbinding met de zee en wordt nog altijd als haven gebruikt. Hier legde Scipio’s vloot aan. De noordelijke helft van de baai was een soort lagune, gevoed met zoet water vanuit een riviertje en van de zee gescheiden door het schiereiland met de eigenlijke stad. Toen het riviertje in de Nieuwe Tijd opdroogde, is deze lagune verzand; er ligt een moderne stadswijk die Ensanche heet, “de uitbreiding”.
Scipio sloeg zijn kamp op tegenover de plek ten oosten van het schiereiland, waar de stad met het land was verbonden. Hier ligt een hoge heuvel, de Cerro de los Moros, voorzien van een fort uit de Nieuwe Tijd. De volgende dag liet hij zijn mannen oprukken in de richting van de muren, die zijn opgegraven.

De Karthaagse verdedigers probeerden de Romeinen in het open veld tegen te houden, maar werden teruggedreven tot bij de stadspoort. Die is er niet meer, maar een deel van de Punische muur, gelegen tussen twee hoge heuvels die in de Oudheid met tempels waren bekroond, is er nog wel. Vervolgens plaatsten Scipio’s mannen stormladders tegen de muur, maar toen deze aanval geen succes had, liet Scipio zijn mannen terugtrekken.

De aanval had namelijk zijn doel gediend: de Karthaagse soldaten weg lokken naar de oostelijke stadspoort. De rest van de stadsmuren was nu slecht verdedigd.

Inmiddels was het eb geworden. Een groep van zo’n 500 soldaten waadde nu door de lagune en bereikte de noordelijke stadsmuur. Had Neptunus niet beloofd de Romeinen te helpen? De Griekse geschiedschrijver Polybios, een vertrouweling van Scipio die de situatie ter plekke kende, noteerde:
De mannen die via de lagune de muur naderden en de borstweringen onbemand aantroffen, zetten niet alleen hun ladders ongehinderd overeind, maar klommen ook zonder strijd omhoog en bezetten de muur. De verdedigers moesten immers hun aandacht op andere punten richten, speciaal degenen die bij de landengte en de poort stonden.noot
Tegelijk voer de vloot de haven binnen en viel vanuit het zuiden de stad aan. Dit bewijst dat er verraad in het spel was, want midden in de baai lag een vrijwel onzichtbaar rif; alleen als Scipio beschikte over inside information, kon de vloot met succes de baai binnenvaren. De ondiepte is tegenwoordig een klein eilandje, zichtbaar middenin de foto hieronder, verbonden met het vasteland door een pier (links). Toen beide aanvallen succes hadden, gelastte Scipio zijn eigen mannen om de oostelijke poort opnieuw te bestormen.

Terreur
Toen Scipio schatte dat er voldoende Romeinen de stad waren binnengekomen, stuurde hij de meesten van hen, zoals dat bij de Romeinen de gewoonte is, op de inwoners van de stad af met het bevel iedereen die ze tegenkwamen te doden en niemand te sparen, maar niet te gaan plunderen voordat het signaal daartoe werd gegeven.
De Romeinen doen dit naar mijn mening om de mensen schrik aan te jagen. Bij de inname van een stad door de Romeinen kan men dan ook dikwijls niet alleen de lijken van gedode mensen zien, maar ook in tweeën gehakte honden en andere zwaar verminkte dieren. Door het grote aantal inwoners kwam dit soort dingen bij deze gelegenheid op grote schaal voor.
Zelf rukte Scipio met ongeveer duizend man op naar de burcht. Bij zijn nadering maakte [de Karthaagse commandant] Mago eerst aanstalten zich te verdedigen, maar toen hij eenmaal begreep dat de stad al volledig in handen van de vijand was, stuurde hij afgevaardigden om te spreken over een vrije aftocht voor hemzelf en gaf de burcht over. Pas daarna werd het signaal gegeven, waarop men het moorden staakte en begon aan de plundering.noot
Gecalculeerde terreur. Zoals ik al opmerkte, wil je de inname van een stad door een Romeins leger niet meemaken. De buit was enorm: de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius noemt 120 grote katapulten, 231 kleinere, drieëntwintig grote blijden, tweeënvijftig kleinere, goud, zilver, graan, slaven, drieënzestig schepen, brons, ijzer, zeilen… De voornaamste winst was echter diplomatiek: de drie Karthaagse commandanten zagen hun Iberische bondgenoten opnieuw deserteren, en dit keer voorgoed.
Baecula
In 209 of 208 viel Scipio, met een veel groter leger dan het jaar ervoor, Andalusië binnen, waar zijn vader en zijn oom twee jaar eerder waren gesneuveld. Aan de bovenloop van de Guadalquivir, zo’n honderd kilometer ten oosten van Córdoba, stuitte hij op Hasdrubal Barka, de broer van Hannibal, die numeriek superieur was en een sterke positie op een heuvel had ingenomen bij Baecula (het huidige Bailén), om daar te wachten op de twee andere legers.
Scipio redeneerde dat elk uur dat hij wachtte, door de Karthager zou worden benut om zijn stellingen te verbeteren, tot het moment kwam dat de andere generaals arriveerden. Hij liet meteen aanvallen en de Romeinse bestorming verliep succesvol. Dat blijkt niet alleen uit de bronnen, maar ook uit het opgegraven slagveld, waarover ik al eens blogde. Het hielp natuurlijk wel dat Hasdrubals olifanten schichtig werden en zich keerden tegen hun eigen troepen. De Karthager zelf wist te ontkomen en voegde zich bij de twee andere generaals. Ze spraken af dat Hasdrubal de Pyreneeën en Alpen zou overtrekken om Hannibal bij te staan in Italië, en dat de twee andere generaals zouden proberen de nu onvermijdelijk geworden Romeinse overname van Andalusië zoveel mogelijk zouden vertragen.

De wierookroute (3)
Nesaïsche paarden
Parthische koningen
“Gecalculeerde terreur. ”
Ik bespeur afkeer. Dat staat iedereen vrij natuurlijk, maar dit soort zaken kwam zo vaak voor dat ik durf te veronderstellen (zonder te durven zeggen dat ik kan begrijpen hoe een persoon uit de ijzertijd dacht) dat men dit destijds begrijpelijk zou hebben gevonden.
Voor de aanvallende partij betekende het een grotere kans op de overwinning en minder doden onder de eigen troepen. De verdedigers herkenden het patroon en gaven zich sneller over.
En voor hen die het toch door een moderne bril wensen te beoordelen: ALLE oorlog is moord en doodslag, hoezeer men ook probeert dit terug te brengen tot een lofzang op ‘heldengedrag in de strijd’ of een afstandelijke wetenschappelijke analyse van ‘strategie’ en ’tactiek’.
Wat je zegt klopt allemaal, maar Polybios maakt wel een speciaal punt van de gecalculeerde terreur van de Romeinen. Hij vond het opvallend en anders dan gangbaar.
“Gecalculeerde terreur”.
Ik bespeur hier geen afkeer maar feitelijkheid want de term past precies bij de beschreven doelen: “Voor de aanvallende partij betekende het… etc”.
Wat een “moderne bril” betreft:
Ja oorlog is moord en doodslag maar naast lofzang op helden en afstandelijke analyse hebben naties de Geneefse Conventies onderschreven: ellende door oorlog wordt niet meer als vanzelfsprekend gezien.