Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat

Windgod (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

Mijn vorige blogje in de reeks over de voor-westerse geschiedenis rondde ik af met de constatering dat het landschap het de bewoners niet makkelijk maakt. Overal waren en zijn bergen, die reiken tot aan de zee. Daarop zijn natuurlijk uitzonderingen. De noordkust wordt hier en daar onderbroken door de moerassige gebieden bij riviermondingen. Dat het Romeinse Rijk zich uitbreidde naar Gallië, kwam doordat de Rhône dat noordwetselijke gebied verbond met de Middellandse Zee, maar ook dan nog is die stroom een lange gleuf tussen het Massif Central en de West-Alpen. Eigenlijk ligt het landschap alleen tussen de Nijldelta en Byzacene (in Tunesië) open naar het achterland.

Het opent zich daar echter naar een droge steppe, die verder naar het zuiden plaats maakt voor de woestijn. Dat geldt ook voor Mesopotamië: reis naar het westen of zuiden, en er is woestijn; reis naar de oostelijke bergen, en op de Iraanse Hoogvlakte groeit ook niet al te veel. Hoewel daar langs de schaarse artesische bronnen en oases een Zijderoute zou ontstaan, blokkeert de woestijn feitelijk de weg naar India en Centraal-Eurazië. Wat de vraag oproept waarom er zoveel woestijn ligt.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat”

Aristoteles over de Nijl

Ergens langs de Nijl

De studenten die in de Late Middeleeuwen aan de Sorbonne filosofie studeerden, kregen een reeks teksten te lezen, waaronder een forse hoeveelheid Aristoteles. Omdat er veel studenten waren, waren er dus ook veel boeken, en zo komt het dat we ruim tachtig kopieën hebben van het traktaatje dat bekendstaat als De overstroming van de Nijl. Tachtig handschriften is heel veel.

Helaas is de Griekse tekst, op een citaat in een fragment op een papyrus uit Oxyrhynchos na, verloren gegaan, maar dat vormt niet het laatste woord. Aan de hand van enkele specifieke vertaalkeuzes is vast te stellen dat de Latijnse vertaling is gemaakt door Willem van Moerbeke (1225-1286), wiens vertaalprincipes bekend zijn: hij wilde niet alleen de inhoud weergeven, maar liefst ook de Griekse zinsopbouw, zelfs als de weergave daarvan slecht Latijn opleverde. Dat betekent dat onbegrijpelijke stukken Latijn weleens begrijpelijker worden als je bedenkt wat er gestaan zou kunnen hebben in het Grieks.

Lees verder “Aristoteles over de Nijl”

Storm op zee

Papyrus 𝔓45

Een van de allerbekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, het onderwerp waarover ik op zondag graag blog, is dat over de storm op zee. Of beter: het Meer van Galilea, een plas zoet water van 166 vierkante kilometer, zo groot als de gemeente Amsterdam. Hier is de versie van de evangelist Marcus.

Toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.” Ze lieten de menigte achter en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.noot Marcus 4.35-36; NBV21.

Dit is meteen interessant. In de eerste vier hoofdstukken van het Marcusevangelie hebben we alleen gelezen over Johannes de Doper en over Jezus’ prediking in Galilea. Jezus verlaat Galilea nu en zal aankomen bij Gadara, en daarmee is hij weg uit het land van Israël. Hij verlaat als het ware zijn vaderland. Het zal geen enkele antieke luisteraar hebben verbaasd dat er een storm opstak: een gangbaar literair motief. Neem Herodotos: als de Perzische koning Kambyses een leger stuurt naar de vreemde wereld der Libiërs, verdwijnt het in een storm; als zijn opvolger Darius een vloot stuurt naar de wereld van de Grieken, zinkt die in een storm; en als Xerxes een brug bouwt van Azië naar Europa, wordt ook die verwoest.

Lees verder “Storm op zee”

Stuifmeelonderzoek

Drie coupes voor pollenonderzoek (Museo de Almería)

Je ziet stuifmeel nauwelijks, maar het is vervelend poeder. Als het droog weer is en als het spul vrijuit kan zweven, kun je er hooikoorts van krijgen. Maar voor archeologen zijn stuifmeelkorrels leuk, heel erg leuk. Eenmaal onder de (elektronen)microscoop gelegd zijn de verschillende soorten stuifmeel namelijk te identificeren en dat helpt ons iets zeggen over de antieke vegetatie. Overigens gebeurt determinatie vaak niet met het menselijk oog, maar met de computer en artificiële intelligentie.

Mogelijkheden

De conclusies hebben diverse toepassingen. Je kunt niet alleen uitspraken doen over het dieet van de mensen van weleer, maar ook over het oude klimaat. Als een landschap eerst is begroeid met allerlei grassoorten, later met dennen en berken, en daarna met loofbomen, mag je aannemen dat de temperatuur is gestegen. Als er in een gebied meer en meer struikheide is geweest, is dat een aanwijzing voor ontbossing en dat kan weer een aanwijzing zijn voor landbouw. De conclusies beperken zich niet tot de vegetatie. Omdat in de voedselpiramide de flora de basis vormt voor de fauna, kunnen stuifmeelonderzoekers vertellen welke dieren waarschijnlijk in de buurt hebben gewoond.

Lees verder “Stuifmeelonderzoek”

Sjamanisme

Detail van een kruikje uit de schat van Sânnicolau Mare; mogelijk een sjamaan in extase (Nationaal Museum, Boedapest)

Je begroef graankorrels in de aarde en in het voorjaar ontstonden daaruit grote halmen. De overstromende rivier bracht de dood over de uiterwaarden, maar in het voorjaar was de vallei vruchtbaar. Je gooide dode bladeren, maaisel, schillen en ander afval op de composthoop, en na verloop van tijd werden daaruit maden en wormen geboren. Moderne biologen denken er anders over, maar het was niet onlogisch dat men in de Oudheid dacht dat nieuw leven alleen kon ontstaan uit de dood en dat de twee onlosmakelijk met elkaar samenhingen.

Er waren feitelijk twee werelden: die van de levenden en die van de doden. Soms maakten ze contact: het is vooral mooi gedocumenteerd in de Keltische verhalen, maar alle volken hadden gedenkdagen waarin de doden even wat dichterbij waren. De Romeinen kenden bijvoorbeeld de Lemuria, waarbij ze rituelen uitvoerden om niet tot rust gekomen doden te verdrijven uit de woonhuizen. Daarnaast waren er religieus specialisten die de oversteek van de ene naar de andere wereld konden maken; onderzoekers noemen hen sjamanen.

Lees verder “Sjamanisme”

As over Medina

Een karavaan van dromedarissen (laatantiek mozaïek uit Bosra)

Medina was in de Oudheid nog geen stad, maar een flinke oase, die volstond met dadelpalmen en woontorens. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken of verhongeren, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.

Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze onder andere graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.

Teveel mensen, te weinig eten

Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,noot Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank. mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.

Lees verder “As over Medina”

De Nikè van Samothrakè

Nikè van Samothrakè (Louvre, Parijs)

Ik heb het weleens uit een vliegtuig gezien, meermalen zelfs, maar ben nog nooit op Samothrakè geweest, het eilandje, een fractie groter dan Texel, in het noorden van de Egeïsche Zee tegenover Thracië, die hier dan ook Thracische Zee wordt genoemd. Wat ik ervan weet is (a) er was een cultus voor de Kabeiren; (b) de Alexandrijnse geleerde Aristarchos kwam er vandaan; (c) bovenstaand standbeeld is er gevonden.

Dat gebeurde in 1863 tijdens opgravingen in het heiligdom van de Kabeiren. Dat dateerde uit de archaïsche periode en is door koning Ptolemaios II Filadelfos en koningin Arsinoë II in de hellenistische tijd herbouwd. Achter het heiligdom was een theater, met achteraan een platform waarop een beeld stond van de overwinningsgodin Nikè. Ze keek uit over het heilige terrein en de Egeïsche Zee. Tegenwoordig staat ze in Parijs, bovenaan een trappenhuis in het Louvre. Je kijkt altijd omhoog naar de majestueus neerdalende godin. Ik ken geen standbeeld ter wereld dat effectiever is opgesteld.

Lees verder “De Nikè van Samothrakè”

Frigidus, de koude rivier

De Frigidus

[Archeologiejournalist Theo Toebosch werkt al enige tijd aan een boek over het Sloveense dorp Kobarid. Hij sluit zijn ogen niet voor oudheidkundige bezienswaardigheden in de omgeving en ging een paar jaar geleden op zoek naar het laat-Romeinse slagveld aan de rivier de Frigidus.]

Het regent een beetje en Zeljko, in het dagelijks leven conservator van het Kobarid Museum, heeft me onder z’n afdakje uitgenodigd. Een Citroën C3 rijdt het terrein op.

“M’n vrouw; ze is naar haar familie in Vipava geweest.”

“Toevallig, daar wil ik later deze week ook nog naartoe.”

“Aha, Ad Frigidum!”

Zeljko kent zijn klassieken, hij weet dat in 394 in een vlakte in de buurt een grote veldslag is geweest.

Lees verder “Frigidus, de koude rivier”

Storm op zee (of niet)

Zomaar een schip (Qasr Libya)

Gisteren noemde ik dat er in de klassieke poëzie nogal wat stormen op zee zijn. Het begint al te waaien in de Odyssee en als Vergilius zijn eigen epos schrijft, plaatst hij de noodzakelijke orkaan meteen aan het begin. Het zijn slechts twee voorbeelden. In de lange prozateksten – zeg maar de antieke keukenmeidenroman – behoort de storm op zee eveneens tot het standaardrepertoire. Een auteur die geen noodweer beschreef, verried dat hij het schrijversvak niet volledig meester was. Je kunt het vergelijken met het exclusus amator-gedicht dat een Griekse of Romeinse auteur op zijn repertoire behoorde te hebben: zo iemand moest een jeremiade kunnen schrijven over een aan straat gezette minnaar, anders was het gewoon geen goede dichter. Het heeft niet zoveel zin aan te nemen dat er in ’s mans biografie werkelijk een relatiecrisis is geweest. Of dat werkelijk iedere Griekse of Romeinse schipper moest rekenen op de speciale aandacht van de stormgoden.

De auteur van de Handelingen van de apostelen kende zijn klassieken. Ik heb tien jaar geleden al eens geblogd over een goed geplaatst citaat van de Griekse tragicus Euripides. Vandaag wil ik het hebben over de storm op zee die de auteur van Handelingen inlast. Hier zijn wat passages in de onlangs verschenen NBV21-vertaling. De situatie: Paulus is gearresteerd, beroept zich op de keizer en wordt nu door een Romeinse officier naar Rome begeleid. Na te zijn vertrokken van Kreta belandt men in de storm.

Lees verder “Storm op zee (of niet)”