Theodor Nöldeke over de Koran

Theodor Nöldeke

Ik vertelde in mijn vorige blogje dat ik het voornemen heb een boek te schrijven over het ontstaan van de islam, met name over de geleerden die het islamitisch recht hebben ontworpen. Dan ontkom je er niet aan te kijken naar de oudste islamitische tekst die we hebben: de Koran. (Dankzij enkele koolstofdateringen van manuscripten weten we dat het boek inderdaad zo oud is als de islamitische traditie stelt: lees maar hier.) De Leidse geleerde Marijn van Putten suggereerde me dat ik eerst Nöldeke eens zou gaan lezen.

Dat hoefde hij me geen tweemaal te zeggen. Theodor Nöldeke (1836-1930) is een van die grote Duitse geleerden die vorm hebben gegeven aan de historische wetenschappen – denk ook aan Droysen, Schliemann, Mommsen, Wilamowitz en uiteraard Weber. Hun publicaties zijn niet alleen grundlegend, maar vaak ook heel leesbaar; ze hebben eigenlijk altijd alle problemen herkend die rond een bepaald thema spelen, en hoewel hun antwoorden regelmatig achterhaald zijn, leer je nog steeds van de helderheid waarmee ze de problemen identificeerden. De verklaring zal wel zijn dat academici destijds minder publicatiedruk hadden en de mogelijkheid hadden een probleem werkelijk te doordenken.

Lees verder “Theodor Nöldeke over de Koran”

As over Medina

Een karavaan van dromedarissen (laatantiek mozaïek uit Bosra)

Medina was in de Oudheid nog geen stad, maar een flinke oase, die volstond met dadelpalmen en woontorens. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken of verhongeren, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.

Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze onder andere graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.

Teveel mensen, te weinig eten

Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,noot Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank. mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.

Lees verder “As over Medina”

Ibn Ishāq en andere bronnen voor het leven van Mohammed

De sīra is een hele tak van Arabische literatuur, waarvan de biografie van de profeet Mohammed de kern vormt. De bekendste vertegenwoordiger is het boek van Ibn Ishāq (gest. 767), dat is overgeleverd in de bewerking van Ibn Hishām (gest. rond 828). Omdat de sīra echter méér behelst dan alleen de biografie, is het weinig zinvol het beroemde boek alleen in die versie te lezen. De teksten van ‘Urwa ibn al-Zubayr (gest. 711) zijn niet alleen ouder maar ook minstens zo belangrijk.

Hier volgt een overzicht van de vroegste Arabische teksten in het genre sīra. Daarvan zijn er steeds meer in vertaling verkrijgbaar. Zelf vind ik de latere sīra-boeken niet zo interessant, hoewel men er telkens weer op wijst dat late boeken vroege teksten kunnen bevatten. Dat is waar, maar er is eerst nog een heleboel te lezen waarvan in ieder geval vaststaat dat het oud is.

Lees verder “Ibn Ishāq en andere bronnen voor het leven van Mohammed”

Wilde Mohammed zelfmoord plegen?

Djibrīl en Mohammed bij de berg Hira

In het grote geschiedwerk van Al-Tabarī (839-923) staat ook het verhaal van Mohammeds biograaf Ibn Ishāq (704-770) over hoe Mohammed de eerste Koranopenbaring ontving op de berg Hirā’. Het verhaal is de profeet zelf in de mond gelegd; wie anders immers zou als bron aannemelijk zijn? Het hele verhaal staat hier; voor het ogenblik licht ik er het fragment uit over Mohammeds gedachte aan zelfmoord. De profeet heeft net verteld hoe hij in een droom door Djibrīl (Gabriël) de eerste Koranverzen onderwezen heeft gekregen.

Twee versies

In Al-Tabarī’s versie van Ibn Ishāq vervolgt hij:

… Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: “O wee, deze nietswaardige” — hij bedoelde zich zelf — “is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.” Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: “Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.” … noot Al-Ṭabarī, [Taʾrīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje e.a., deel 1 (1879) 1150.

Lees verder “Wilde Mohammed zelfmoord plegen?”