
In Medina, de oase waar Mohammed zijn staat had gesticht, woedde in 639 een vreselijke hongersnood. Om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren organiseerde kalief ‘Umar de aanvoer van graan uit Egypte per schip. In 640 was Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de Delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee – Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door een kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land.
Het Nijlkanaal
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (r.522–486 v.Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemaios II (r.284–246 v.Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (r.98-117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf, en dreef vlijtig handel met India. Dit kanaal eindigde bij Klysma (‘Sluis’) of Kleopatris, het latere Arabische Qulzum.
Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; het kanaal schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de Wadi Tumīlāt. Natuurlijk werkten er vooral slaven aan, van wie er vele omgekomen zullen zijn.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven, is dit oude kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de Delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé—spelling was niet de sterkste kant van de cartograaf.
Graanschepen
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië of via Gaza. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden, omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de hongersnood van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.
In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.noot
Een variant op hetzelfde verhaal:
‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en liet op die plek twee burchten bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op stukken papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde. Hij was de eerste die cheques gebruikte en die onderaan verzegelde.noot
Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Ze zijn ook lang na dato geschreven; betrouwbaarheid is niet altijd gegeven.
Hoeveel graan?
Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:
‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand twee djarīb. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf twee djarīb per maand.noot
Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste goederen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en van daaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld op zak.
De diwan
Omstreeks het jaar 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zogenoemde Dīwān al-djund.noot Daarin werden alle Emigranten uit Mekka opgenomen, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt u daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die kort na de hidjra naar Medina aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo u wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
Graden van verdienste
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:noot
- Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 dirham, later 5000 of 6000
- Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 dirham minder dan klasse 1.
- Klasse 3: Deelname aan Hudaybiya en de zogenoemde Ridda-oorlogen 1000-2000 dirham minder dan Kl. 2
- Klasse 4: Alle overige vrije inwoners van Medina 250-400 dirham.
De Duitse arabist Gerd Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Registratie
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan om (groot)vaders dappere daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur.
De laat bekeerde Mekkanen kregen overigens niets, tenzij ze zich na 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).
Als het werkelijk zo gegaan is betekende dat een plotselinge invoer van veel Perzisch geld en een grote stap op weg naar een geldeconomie en een renteniersstaat. De dirham of drachme was een Perzische zilveren munt, indertijd een sterke valuta. Het oude Arabië (buiten Jemen) had nooit eigen geld gehad en het zou nog decennia duren voordat moslims zelf munten gingen slaan. In ‘Umars tijd zal er zeker geld in omloop zijn geweest; in het noordwesten denkelijk vooral Romeins, in de Golf en Jemen Perzisch; de archeologie zal het ons leren. Maar er was ook veel ruilhandel en er kon betaald worden met brokjes goud en zilver, metalen die in Arabië werden gedolven. (Of valt dat nog onder ruilhandel?) Het vele Perzische geld waarover ‘Umar nu kon beschikken was natuurlijk oorlogsbuit uit het pas veroverde Perzië.
[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Wim Raven en ook op de beëindigde website Grondslagen.net.]
Zelfde tijdvak
Kara Tepeoktober 3, 2015
Friezen en Franken (en Noormannen)december 4, 2016
Uqba ibn Nafi al-Fihri (1)augustus 22, 2025

“(Of valt dat nog onder ruilhandel?)”
Strikt genomen is met geld betalen ook ruilhandel. Ik wil maar zeggen: er is geen strak afgebakend verschil.
Die leuke 19e eeuwse kaart op Wikimedia waarnaar verwezen wordt, is duidelijk in Nederland geweest, want tussen alle Franse opschriften staat “Uittocht der Israëliten (waarschijnlijk meer Oostwaarts)”. Kennelijk gebruikt voor een goddienstonderwijs?
Nog een aan de Exodus gerelateerde opmerking: ik las laatst in het uitstekende boek “De Dode Zeerollen” (dankzij deze blog toch maar eens aangeschaft) dat in sommige versies van Exodus in de Dode zeerollen het hele verhaal over de doortocht door de Rode zee ontbrak, hetgeen mij doet vermoeden dat het een latere toevoeging betreft (wat wel past in de tendens dat met het verstrijken van de tijd de verhalen steeds beter worden). Hebben andere mensen daar al ooit eens iets over geschreven?
“Natuurlijk werkten er vooral slaven aan, van wie er vele omgekomen zullen zijn.”
Kijk, dit soort aannames deden we vroeger ook over de piramiden, en die bleken er helemaal naast te zitten.
De Arabieren veroverden Egypte in 640. In hetzelfde jaar begonnen ze met het opknappen van dat kanaal. Ik denk niet dat ze de CAO’s zo snel op orde hadden, of dat de Egyptenaren enthousiast aan deze klus begonnen. Anders dan de piramide was dit geen project dat verankerd lag in de religie. Zo geen slavernij, dan toch zeker forced labour.