Het Solse Gat (1)

Het Solse Gat

In een eerder blogje behandelde ik de legende van het klooster bij het Kloosterwiel van Zaltbommel, dat wegens de zondigheid van de bewoners in het water was verzonken. Deze sage is vrijwel identiek aan de bekendste Nederlandse legende met dat Sodom-en-Gomorra-motief: het verhaal van het verzonken klooster in het Solse Gat op de Veluwe. Alvorens daarop in te gaan, eerst wat inleidende opmerkingen.

De oude Veluwe

De Veluwe bestaat grotendeels uit stuwwallen uit de voorlaatste ijstijd, het Saalien, toen het ijs reikte tot ver in Nederland. In de allerlaatste ijstijd, het Weichselien, kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar was de bodem wel permanent bevroren. Daardoor kon smeltwater in het voorjaar niet makkelijk wegsijpelen in de ondergrond, waardoor beekjes ontstonden, de ondergrond ging eroderen en dalen ontstonden.

In deze tijd waren er ook pingo’s, wat in de taal van de Canadese Inuit (Eskimo’s) zoiets betekent als “kleine heuvel”. Ze ontstaan als door het uitzetten van bevroren of bevriezend grondwater een laag bevroren grond wordt opgetild. De kern van een pingo bestaat dus uit ijs. Als het warmer wordt, stort de heuvel in en blijft van de pingo een cirkelvormig meer over: de pingoruïne. Ook het Solse Gat is zo ontstaan. Niet zo veel verder liggen nog twee andere pingoruïne’s: het Uddelermeer en het Bleeke Meer.

De door allerlei dalen doorsneden stuwwal die de Veluwe is, leende zich slecht voor akkerbouw, maar des te beter voor bosbouw. Houthakkers hadden echter alleen iets aan rechte bomen en lieten kromme bomen staan. Zo heeft de boswachterij Speulder- en Sprielderbos, waar het Solse Gat zich bevindt, nogal wat “dansende bomen”: gebogen stammen waar niemand iets aan had maar die het bos een vooral in de schemering geheimzinnige uitstraling geven. Geen wonder dat over het Solse Gat, gelegen in zo’n wonderlijke omgeving, wonderlijke verhalen circuleerden. De aanwezigheid van grafheuvels, de woonplaatsen van Witte Wieven, zal daar verder aan hebben bijgedragen.

Dansende bomen

De legende

Er zijn diverse varianten op het verhaal, maar de rode draad is dezelfde. Op de Veluwe staat niet ver van het gehucht Drie – onthoud die naam – een groot en machtig klooster. Na de dood van de prior zijn de monniken echter van het juiste pad geraakt. ’s Nachts geven ze zich over aan braspartijen, lezen de zwarte mis en worden vergezeld van heksen die er allemaal nog een schepje bovenop doen.

Op een zeker moment kan God het niet meer aanzien. Tijdens een kerstnacht laat hij in een enorm noodweer het klooster in de grond verzinken, en die plek staat sindsdien bekend als het Solse Gat. Op kerstnachten kan men in de diepte nog steeds de klokken horen luiden en ’s nachts kan men schimmen van monniken ontwaren die droeve litanieën zingen, maar bij het ochtendgloren verdwenen zijn.

Deze sage kent een paar varianten. Eén bron heeft het er over dat het een vrouwenklooster betrof, en een andere weet te vertellen dat de klokken die in de diepte te horen zijn die van de middeleeuwse kerk van het nabijgelegen Putten zijn. De grootte van het klooster loopt uiteen van een eenvoudige kluis tot een machtig klooster met vele torens. Duidelijk is dat het verhaal in de loop der geschiedenis behoorlijk is uitgebreid, wat kenmerkend is voor dit soort tradities.

De bron: Gustaaf van de Wall Perné

Mondeling doorgegeven tradities zijn een frustrerende black box. Je weet niet precies wanneer ze ontstaan zijn en hoe ze in de loop der tijd zijn gewijzigd of uitgebreid. En als ze eenmaal zijn opgeschreven, kunnen zulke verhalen weer het uitgangspunt zijn voor nieuwe (invented) mondelinge tradities.

De meeste schriftelijke vastleggingen van de legende van het Solse Gat gaan terug op deel 2 van de verzameling Veluwse Sagen van de Apeldoornse schrijver Gustaaf van de Wall Perné (1877-1911). We zitten dan al in het eerste decennium van de twintigste eeuw! Van de Wall Perné schrijft in het voorwoord tot het eerste deel (1909) dat hij in eerste instantie het nodige literatuuronderzoek had gedaan, met name in volksalmanakken, en vervolgens letterlijk de boer op ging om de verhalen uit de monden van de Veluwenaren op te tekenen. Helaas is dit zijn enige verantwoording.

Dit lijkt echter duidelijk: de legende is ontstaan om te verklaren hoe die poel daar midden in het bos is komen liggen. Maar waarom met een Sodom-en-Gomorra-motief?

Daarover later meer, hoewel we niet veel verder komen.

[Een postume bijdrage van de vorig jaar overleden Hans Overduin.]

Deel dit:

5 gedachtes over “Het Solse Gat (1)

  1. Rob Duijf

    Leuk, die Veluwse volksverhalen!

    Ik moet Hans hier echter wel corrigeren en het is jammer dat hij geen weerwoord kan geven. Het Solse Gat is geen pingoruïne maar een leemkuil.

    Door de druk van het enorme gewicht van het gletsjerijs op de gletsjerzool eronder werden in de voorlaatste ijstijd meegevoerde stenen en riviergrind vermalen tot leem. Het gletsjerijs trok zich in warmere perioden terug en liet leem en steengruis achter als grondmorene. In koudere perioden stuwde het ijs de aardlagen die het eerder had achtergelaten weer op. Dit proces heeft zich een aantal malen voortgedaan, waardoor de Veluwse ondergrond de textuur van een spekkoek heeft gekregen.

    Keileem laat geen water door. Zo zijn er verschillende grondwatersiegels op de Veluwe ontstaan. Op verschillende plaatsen ligt die keileemlaag aan de oppervlakte en ontstaan vennen, poelen, plassen en natte plekken. De boeren op de stuwwallen en het plateau van de Veluwe hadden goed in de smiezen waar ze die keileem konden vinden om er de vlechtwanden van hun huizen mee dicht te smeren of het te gebruiken als vloerverharding.

    Het Uddelermeer is inderdaad een pingoruïne net als het nabijgelegen Groot Zeilmeer en ’t Eitje in het zuidoosten. Hier zijn artefacten gevonden van de Hamburgercultuur; jagersverzamelaars die deze pingoruïnes zo’n 12.000 jaar geleden gebruikten als uitvalsbasis.

Reacties zijn gesloten.