Faust in Waardenburg

Kasteel Waardenburg

Nederland telt enkele gerenommeerde spookkastelen. Daar kan je je schouders over ophalen, je wenkbrauwen diep over fronsen, het overlaten aan de parapsychologie of er heilig in geloven. Feit is dat diverse sagen en legenden in Nederland gaan over gebouwen waar het niet pluis is. Neem kasteel Waardenburg in de Betuwe, tegenover Zaltbommel.

Daar spookt het niet alleen, het heeft ook een bijzondere band met de legendarische doctor Faustus. Kortom, we moeten het eens hebben over bestaande kasteel Waardenburg en de historische Faustus.

Kasteel Waardenburg

Het oorspronkelijke kasteel was een motte, dus een ringburcht op een kunstmatige verhoging, en dateert uit 1265. Motte-kastelen waren niet uniek, maar de precisie van de stichtingsdatum is dat wel. We weten dat ridder Rudolph de Cock in dat jaar zijn leenheer, graaf Otto II van Gelre, verzocht een versterkte woning te mogen bouwen. Diens afstammelingen bouwden het kasteel uit met onder meer in 1283 “den sael ende ronde toern”, ongetwijfeld van steen.

Lees verder “Faust in Waardenburg”

Dauwtrappen

Op blote voeten door het bedauwde gras lopen: het “dauwtrappen” dateert uit pakweg de achttiende eeuw. De oorsprong ligt echter vroeger. Net als andere feesten die afhankelijk zijn van de jaarlijks verschuivende paasdatum, valt Hemelvaart (veertig dagen na Pasen) in de lente. En dat roept associaties op met oude lente- en vruchtbaarheidsfeesten.

Het begin

Maar toch. Het mag dan logisch zijn een lijn te veronderstellen tussen het achttiende-eeuwse dauwtrappen en de Germaanse lente- en vruchtbaarheidsfeesten, daarvan kan niets aangetoond worden. Los daarvan is er de retorische vraag of in het geheugen van de achttiende-eeuwers nog iets van een dergelijk Germaans feest was blijven hangen. De aanname dat het dauwtrappen heidense wortels had, lijkt een verzinsel uit de Romantiek. Zo schreef onderwijzer en amateur-historicus Jan ter Grouw in hoofdstuk 7 van zijn vuistdikke De volksvermaken (1871):

Zonderling gebruik! ’t herinnert ons aan het heenstromen onzer voorvaderen naar de heilige wouden om vreugde te bedrijven, nu eens op de algemeene godsdienstfeesten, dan weer op de bijzondere feestdagen van den beschermgod van gouw, heem, marke of dorp. Toen die wouden er niet meer waren, en ’t volk wel gekerstend maar niet veranderd was, bleven toch de oude gewoonten voortduren.

Ter Grouw vermeldt voor deze claim geen bron. Je kunt weliswaar veronderstellen dat de dauwtrapgewoonten niet uit de lucht zijn komen vallen, maar je kunt tevens stellen dat het begin van de lente überhaupt uitnodigt tot feestelijkheid. Marianne van Zuijlen (Meertens Instituut) maakt in een artikel korte metten met een veronderstelde oeroude oorsprong van het dauwtrappen:

Over de achtergrond van het massaal naar buiten trekken van de mensen is geen betrouwbare informatie beschikbaar.

Frustrerend, maar het is niet anders.

Bijgeloof, huwelijk en vermaak

Bij het dauwtrappen zijn drie niet duidelijk te scheiden begrippen van belang: bijgeloof, het vinden van een huwelijkspartner en vermaak.

Wat bijgeloof betreft: ooit geloofde men dat de ochtenddauw een magische, helende en beschermende werking had. Vandaar dat het met blote voeten moest worden betreden. Dauw zou helpen tegen huidaandoeningen, met name dauwworm, voetschimmel, zomersproeten, ouderdom en andere onreinheden. Bovendien zou dauw de schoonheid bevorderen. Ze zou het meest effectief zijn met Walpurgis (1 mei) en Sint-Jan (24 juni), beide data die in verband staan met lente en vruchtbaarheid. Het dauwtrappen werd oorspronkelijk op 1 mei gehouden, daarna op de eerste zondag in mei.

Dauwtrappen in de achttiende eeuw

Het dauwtrappen was tevens een gelegenheid waarbij jongens en meisjes elkaar ontspannen konden ontmoeten en eventueel een huwelijkspartner konden vinden. Deze functie is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Dicht bij die functie ligt ook het volksvermaak. Joost Hiddes Halbertsma schreef in de Overijsselsche Almanak van 1836:

Op den morgen van Hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever- en brandewijn-flesschen in den zak, en na zich onder de boomen en prieëlen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan.

Dat men wel vóór de vroegmis terug moest zijn, heeft niets te maken met het feit dat de kerkelijke viering in het verlengde zou liggen van het dauwtrappen, maar het was wel zo gepast. Bij het moderne dauwtrappen is het vaak nog gewoonte om na het gebeuren het café te bezoeken. Halbertsma vervolgt:

Ook de meisjes zijn bij dit dauwtreên! Nu, dit laat zich begrijpen; de meisjes blijven niet graag t’huis, en de knapen willen haar wel bij zich hebben.

Tenslotte citeert Ter Gouw de Gelderschen Volksalmanak van 1858 met de niets aan de fantasie overlatende zin: “Rumoer en spektakel – tegen den avond het halve dorp dronken.”

Processies

De eerdergenoemde Marianne van Zuijlen verklaart het ontstaan van het dauwtrappen, naast het bijgelovige aspect, uit de gewoonte om met Hemelvaart processies te houden. Deze processie zouden dan weer hun oorsprong vinden in smeekprocessies die in de vijftiende eeuw gehouden werden voor het bezweren van zware epidemieën.

Op bepaalde plaatsen vonden dan rondritten en brooduitdelingen voor de armen plaats. Wat later ontstonden er echter carnavalachtige toestanden. Nog steeds zijn er in het oosten en zuiden van ons land dauwtrapevenementen, bijvoorbeeld in Mariahout en Liempde, die een processieachtig karakter hebben en waarbij de plaatselijke fanfare een grote rol speelt.

Dauwtrappen en antroposofie

Het hedendaagse dauwtrappen is dus al met al een “invented tradition”, waarbij commercie een grote rol speelt. Slogans als “mindful dauwtrappen” zijn geen uitzondering. Gezelligheid staat voorop en in plaats van de benenwagen nemen velen de fiets. Een levensbeschouwelijke stroming die wat dauwtrappen betreft terug wil gaan naar het begin is de antroposofie en specifiek haar christelijke tak, de Christengemeenschap, met haar nadruk op de jaarfeesten en de vier elementen. De lente zou de maand van het water zijn en de gedachtegang is poëtisch:

De kringloop van het leven wordt in stand gehouden door de kringloop van het water, dat in mei zijn eigen hemelvaart begint [verdampt, opstijgt en als regen weer neerslaat – HO]. In de voorchristelijke natuurreligies beleefden de mensen dit geheel van beweeglijke en veranderlijke levenskrachten als vrouwelijk. Ze personifieerden dit levensgeheel als de levenschenkende “godin”, die vooral in mei werd vereerd.

Aldus Tineke Croese in het Antroposofie Magazine, maart 2016. Natuurlijk is ook dit een “invented tradition”, maar wel een die serieus de oorsprong en zin van het gebruik zoekt.

[Een postume bijdrage van de vorig jaar overleden Hans Overduin.]

De Duivelsbrug van Ginneken

De Duivelsbrug van Ginneken

Onverklaarbare zaken worden in het volksgeloof vaak als bovennatuurlijk gezien. Mensen schrijven ze dan graag toe aan een van de twee uitersten op dit gebied: god dan wel de duivel. Of iets dat daar aan onaardse wezens tussenin zit. Vreemd genoeg kon dit zowel positief als negatief uitpakken: we kennen uitdrukkingen als “duivels goed” maar ook “godsgruwelijk”. Van de Italiaanse violist en componist Niccolò Paganini werd beweerd dat zijn vioolspel zó virtuoos was dat hij wel een pakt met de duivel gesloten moest hebben om zo duivels goed te kunnen spelen. Zulke duivelse aspecten, zowel positief als negatief, komen we ook tegen in het begrip “duivelsbrug”.

Duivelsbruggen

Hoewel duivelsbruggen minder bekend zijn dan bijvoorbeeld witte wieven, komen ze in de folklore zó veel voor dat er een aparte categorie voor is in het classificatiesysteem van Aarne-Thompson-Uther. We hebben het in de regel over stenen, gewelfde bruggen, gebouwd in Europa tussen pakweg 1000 en 1600 na Chr., waarbij vaak sprake is van een destijds uitzonderlijke bouwkundige prestatie. Maar op die verhalen zijn varianten.
Lees verder “De Duivelsbrug van Ginneken”

Het Solse Gat (2)

Het Solse Gat

Het vorige blogje eindigde met de constatering dat de legende van het Solse Gat is ontstaan om het ontstaan van die kuil te verklaren. Het heeft niet ontbroken aan pogingen een historische waarheid te zoeken achter het verzonken klooster, en er is inderdaad een intrigerend gegeven.

Niet veel verderop ligt namelijk het buurtschap Drie, vroeger geschreven als Thri, en misschien vernoemd naar een Germaanse bosgod. Misschien is de ondergang van het christelijke klooster een echo van de ondergang van een voorchristelijke gebedsplaats. Ook is niet helemaal ondenkbaar, zoals we nog zullen zien, dat de latere Veluwse kermissen teruggaan op oeroude feesten voor die god Thri, al is zoiets onbewijsbaar en krijgt menig geleerde een hartverzakking als hij hoort over de Germaanse wortels van een christelijk gebruik. Er zijn te veel onzinnige speculaties geweest. Dat Drie Drie heet, kan natuurlijk ook zijn omdat er drie wegen samenkomen of omdat er vroeger drie boerderijen hebben gestaan.

Lees verder “Het Solse Gat (2)”

Het Solse Gat (1)

Het Solse Gat

In een eerder blogje behandelde ik de legende van het klooster bij het Kloosterwiel van Zaltbommel, dat wegens de zondigheid van de bewoners in het water was verzonken. Deze sage is vrijwel identiek aan de bekendste Nederlandse legende met dat Sodom-en-Gomorra-motief: het verhaal van het verzonken klooster in het Solse Gat op de Veluwe. Alvorens daarop in te gaan, eerst wat inleidende opmerkingen.

De oude Veluwe

De Veluwe bestaat grotendeels uit stuwwallen uit de voorlaatste ijstijd, het Saalien, toen het ijs reikte tot ver in Nederland. In de allerlaatste ijstijd, het Weichselien, kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar was de bodem wel permanent bevroren. Daardoor kon smeltwater in het voorjaar niet makkelijk wegsijpelen in de ondergrond, waardoor beekjes ontstonden, de ondergrond ging eroderen en dalen ontstonden.

Lees verder “Het Solse Gat (1)”

Sodom en Gomorra in Nederland

Tegeltje met een verzonken kerk (Boshuis, Drie)

Iedereen kent het verhaal van Sodom en Gomorra: twee steden, vermeld in de Bijbel, die vanwege de ongehoord grote zonden van de inwoners door God werden verwoest. Het motief van zo’n wegens de slechtheid der bewoners vernietigde stad is ook bekend uit Arabische en Griekse literatuur (Filemon en Baukis). En uit Nederland, waar de zondigheid en slechtheid der bewoners zo groot moet zijn geweest dat volkskundige Jaques Sinninghe (1904-1988) in zijn Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten (1943) niet minder dan drie versies kon aanwijzen van het Sodom-en-Gomorra-motief:

  • SINSAG 1141: Das versunkene Schloss; schlechter Ritter von der Erde verschlukt;
  • SINSAG 1144: Das versunkene Kloster; versinkt wegen der Schlechtigkeit der Mönche;
  • SINSAG 1145: Die untergegange Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.

Lees verder “Sodom en Gomorra in Nederland”

Maria Lichtmis

De presentatie van Jezus in de tempel; ikoon van de berg Athos.

Hoe meer je je bezighoudt met volkscultuur, hoe meer die aan elkaar lijkt te hangen van oeroude seizoensfeesten en vruchtbaarheidsriten. Die zijn dan vaak gekerstend of bleven voortbestaan naast een gekerstende variant. Niemand schijnt daar moeite mee gehad te hebben. Bovendien kent de volkscultuur uitlopers die overlappen met andere volksfenomenen. Laten we het eens hebben over Maria Lichtmis.

Maria Lichtmis: het christelijke feest

Het feest dat tegenwoordig bekendstaat als “Opdracht van de Heer in de Tempel” is in West-Europa niet zo bekend. Het wordt vooral gevierd in de Oosters-Orthodoxe Kerk, waar het geldt als één van de twaalf grote feesten en ook wel Hypapante heet, “ontmoeting”. Bij dit feest worden twee joodse gebruiken gecombineerd.

Lees verder “Maria Lichtmis”

Wat is volkscultuur? (2)

Herders in de bergen

[Eerder dit jaar overleed Hans Overduin, die me een groot aantal blogs naliet over volkscultuur, een onderwerp waar hij graag over vertelde. Hij schreef ook twee stukjes waarin hij uitlegde wat de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur inhield. Gisteren publiceerde ik het eerste van die twee blogjes; vandaag het slot.]

In het vorige blogje over de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur introduceerde ik enkele begrippen en vertelde ik over “de ontdekking van het volk”. Zeer kort door de bocht samengevat: waren in de Middeleeuwen de verschijningsvormen van de menselijke cultuur nog vrij homogeen, later ontwikkelde de elite eigen, verfijnde culturele vormen. De elite eigende zich bovendien de resultaten toe van het natuurwetenschappelijk onderzoek, terwijl het volk min of meer bleef steken in bijgelovige tradities. Zoals gezegd: dit was kort door de bocht.

Lees verder “Wat is volkscultuur? (2)”

Wat is volkscultuur? (1)

De gebroeders Grimm

[Eerder dit jaar overleed Hans Overduin, die me een groot aantal blogs naliet over volkscultuur, een onderwerp waar hij graag over vertelde. Hij schreef ook twee stukjes waarin hij uitlegde wat de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur inhield. Vandaag het eerste van die twee blogjes; morgen het tweede.]

Anders dan eerbiedwaardige disciplines als wiskunde en astronomie, is de bestudering van de volkscultuur een jonge wetenschap. Ze is eigenlijk pas in de tweede helft van de vorige eeuw tot wasdom is gekomen. Dat ging gepaard met vallen en opstaan, waarbij fouten werden gemaakt waar we nog steeds last van ondervinden. Die fouten zijn op zich ook weer spannende materie. Ik ken wetenschappers wier dag je kunt verknallen door in verband met de volkscultuur de term “Germanen” te laten vallen.

Lees verder “Wat is volkscultuur? (1)”

De Notre-Dame: spookverhalen

De duivel in de Notre-Dame van Parijs

[Dit is het derde van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]

Een blog over de Notre-Dame zou incompleet zijn zonder een paar opmerkingen over de spookverhalen in en rond de Parijse kathedraal. Ter zake dus, en dan beginnen we met het boek dat (mede) aanleiding was tot alle gespook.

Quasimodo

Rond 1830 verkeerde de kerk in een dermate deplorabele staat – vooral het interieur – dat de Parijzenaars overwogen de kerk maar af te breken. Met de publicatie van de roman Notre-Dame de Paris (1831) van Victor Hugo, in de Nederlandse vertaling bekend onder de titel De klokkenluider van de Notre Dame, kwam de kerk echter dermate in het middelpunt van de belangstelling te staan dat koning Louis Philippe besloot de kathedraal te laten restaureren.

Het overbekende boek biedt een accuraat portret van het middeleeuwse Parijs, zoals men zich dat voor de geest haalde in de vroege negentiende eeuw. Met verwijzingen naar de eigen tijd. Het is namelijk aannemelijk dat het fictieve personage van Quasimodo is geïnspireerd op een gebochelde steenhouwer die rond 1820 werkzaamheden aan de kathedraal zou hebben verricht en die Hugo persoonlijk gekend zou hebben. De man zou als kluizenaar hebben geleefd en bekend hebben gestaan als Monsieur Le Bossu, “de gebochelde”.

Lees verder “De Notre-Dame: spookverhalen”