
[Dit is het vijfde van zes blogjes van de hand van Françoise Hbeyka uit Beiroet over haar ervaringen tijdens de Libanese Burgeroorlog. Het eerste van haar blogjes was hier.]
Ik vertelde al hoe we tijdens gevechten naar het binnenste van een huis gingen, vaak naar de wasruimte. Het was claustrofobisch. Steeds als er een staakt-het-vuren was, haastten we ons naar buiten – naar de straat, naar het balkon of naar het trappenhuis, van waaruit je in een Libanees huis op de straat uitkijkt. We verlangden naar zonlicht en lucht.
Na dagen in het donker, bang en slapeloos, hadden we geen idee van hoe we eruit zagen. Gekleed in dezelfde trainingspakken en tennisschoenen keken we elkaar aan en barstten in lachen uit: bleek, moe, met slordig haar en donkere kringen onder onze ogen. Maar we waren samen. En op de een of andere manier waren dat, ondanks alles, momenten van vreugde en levenslust.
Tijdens de relatief rustige uren, dus tussen de al genoemde 6:05 en 13:55 uur, kwamen we uit onze schuilplaatsen om adem te halen. De lucht, zwaar van aarde en winterwind, voelde als een geschenk. Velen van ons stonden op diezelfde overloop. Anderen stapten op hun balkon om uit te rusten of zich gewoon levend te voelen.
Soms gingen we met onze ouders naar de kruidenier op de hoek om het hoognodige te halen: brood, conserven, wat er maar voorhanden was, om ons er doorheen te helpen. Maar niet iedereen had de middelen om zelfs maar een brood te kopen. Veel gezinnen waren volledig afhankelijk van religieuze en liefdadigheidsorganisaties, die opmerkelijk actief bleven in die donkere tijden en die, ook toen er weinig over was, voedsel, steun en een gevoel van solidariteit bleven bieden.
In de zomer verruilden wij, de jonge vrouwen in ons gebouw, zo snel er een wapenstilstand was, onze trainingspakken voor badjassen en badkleding. We snelden naar het dak en blokkeerden met lakens het uitzicht vanuit de naburige gebouwen, want we wilden niet dat iemand ons zag. Daarna spreidden we handdoeken uit, trokken de badjas uit en ging in zwemkleding liggen om wat zon te vangen.
We lachten, maakten grapjes, plaagden elkaar – bijvoorbeeld over hoe iemand keek als ’ie zenuwachtig stond te wachten voor het toilet, of over onze overdreven gezichtsuitdrukkingen als er niet genoeg water was om door te spoelen, of wie het hongerigst kon kijken, of wie het ergst kon smeken om een tweede glas van die al genoemde wonderbaarlijke koude Pepsi die op de een of andere manier uit het niets verscheen.
Naast deze momenten van zon en lachen, waren er ook momenten van diep verdriet. Sommige families renden, in een wanhopige poging om tijdens zware beschietingen hun gebouwen te ontvluchten, naar gebouwen met betere schuilplaatsen, maar werden gedood alvorens ze de veiligheid konden bereiken. Anderen kwamen de overblijfselen van geliefden – of zelfs vreemden – ophalen in plastic bodybags, om vervolgens zelf door een projectiel te worden getroffen.
We waren daar kapot van, echt kapot. We waren soms doodsbang dat ook wij, wanneer de gevechten weer zouden beginnen, binnen enkele uren zouden kunnen sterven. Die angst maakte dat we ons des te steviger vastklampten aan elk zuchtje lucht, aan elke minuut zonlicht of wind, aan elke druppel leven.
Het leek misschien egoïstisch, en misschien was het dat ook wel, maar het is het soort egoïsme dat groeit in tijden van gevaar, wanneer overleven en geestelijke gezondheid hangen aan een zijden draadje. We wilden leven en iets menselijks voelen voordat we van deze wereld zouden verdwijnen.
[Een gastbijdrage over de Libanese Burgeroorlog van Françoise Hbeyka uit Beiroet. Straks meer. Dank je wel Françoise!]
Zelfde tijdvak
Orfeus in de jaren tachtigjuli 14, 2011
Fietsen naar Thessaloniki: Thessalonikiseptember 13, 2017
Tjerk Vermaning en Ad Woutersjuni 4, 2022

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.