XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

In de jaren na 118 stond het legioen onder bevel van Quintus Marcius Turbo Fronto, een persoonlijke vriend van keizer Hadrianus, die Dacië was belast met de pacificatie van Dacië, dat na de dood van Trajanus onrustig was geworden. XXX Ulpia Victrix moet wat politiewerk hebben gedaan.

Xanten

Na 122 werd het legioen gestuurd naar Castra Vetera ofwel Xanten in Germania Inferior. De locatie van deze basis is bekend, maar verzwolgen door de Rijn. Het Dertigste zou er, zoals gezegd, eeuwenlang blijven: het was er nog rond 400 en de burgerlijke nederzetting nabij de basis heette enige tijd eenvoudigweg Tricensimae, wat zoiets als “bij het Dertigste” betekent.

Germania Inferior wordt nauwelijks genoemd in onze bronnen, en inscripties zijn ons enige bewijs voor de activiteiten van het legioen. Militaire aangelegenheden blijven vrijwel onvermeld, wat (misschien ten onrechte) suggereert dat het rustig was in de regio. Een inscriptie vermeldt dat een officier in Keulen het heiligdom van Jupiter Dolichenus herbouwde; dezelfde man richtte twee heiligdommen in voor Mercurius en enkele godinnen met de opvallende naam Matres Paternae (“vaderlijke moeders”). Andere inscripties bewijzen dat de gouverneur van Germania Inferior soldaten uit het Dertigste gebruikte als klerken. Een onderafdeling van vijftig legionairs was gestationeerd in Iversheim, waar ze bakstenen en dakpannen vervaardigde.

Helm van een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

EXGERINF

Een andere onderafdeling was met I Minervia, het andere legioen in deze provincie, gestationeerd in Bonn. Andere onderafdelingen lijken in Remagen en aan de grens met Germania Superior te hebben verbleven. Dit is opmerkelijk omdat beide plaatsen dichter bij Bonn, de basis van I Minervia, liggen dan bij Xanten. De twee legioenen opereerden echter vaak samen. Inscripties uit ons rivierengebied vermelden vaak “het leger van Germania Inferior” (exercitus Germaniae Inferioris, kortweg EXGERINF).

Tijdens het bewind van keizer Septimius Severus (r.198-211) dienden onderafdelingen van deze twee legioenen als garnizoen van Lyon, de hoofdstad van de Gallische provincies. Het aantal inscripties van XXX Ulpia Victrix is ​​opmerkelijk groot. Andere inscripties bewijzen dat legionairs van het Dertigste overal in Gallië werden ingezet: in Châlons, in Parijs, in Bourges, in Auch bij de Pyreneeën en in de Alpen. Het lijkt erop dat XXX Ulpia Victrix een soort uitzendbureau was.

Militaire operaties

Toch diende het ook in oorlogen. Tijdens de regering van keizer Antoninus Pius (r.138-161) was een onderafdeling gestationeerd in Mauretanië, waar het de Mauri bestreed. Toen I Minervia in de jaren zestig van de tweede eeuw deelnam aan de campagne tegen het Parthische Rijk van Lucius Verus, waren daarbij ook soldaten van het Dertigste betrokken. Het is waarschijnlijk dat andere onderafdelingen betrokken waren bij de oorlogen van Marcus Aurelius tegen de Marcomannen (165-175 en 178-180), en deelnamen aan de campagne van de gouverneur van Gallia Belgica, Didius Julianus, tegen de Chauken in 173.

In 193 brak er een burgeroorlog uit. Munten bewijzen dat het Dertigste, Zegevierende Ulpische Legioen onmiddellijk de kant koos van Septimius Severus koos. Dit was moedig omdat een andere pretendent, Clodius Albinus, dichterbij was. In 196/197 moet het legioen bij de daadwerkelijke gevechten betrokken zijn geweest. Severus zegevierde en beloonde het legioen van Xanten met de titel Pia Fidelis (“trouw en loyaal”).

Inscriptie voor een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Stara Zagora)

Na 208 nam XXX Ulpia Victrix waarschijnlijk deel aan Severus’ Schotse campagne, en in 235 waren onderafdelingen actief tijdens de Perzische campagne van Severus Alexander. Uit archeologische vondsten kunnen we afleiden dat rond 240 de Rijngrens in een crisis verkeerde, en we moeten aannemen dat XXX Ulpia Victrix op een zeker moment een nederlaag heeft geleden. Het wist echter ook het Nederlandse rivierengebied te heroveren.

Late Oudheid

Dit gebeurde opnieuw in 256-258, toen de Franken Gallië binnenvielen. Keizer Gallienus kon ze teruggooien en moet daarbij het EXGERINF hebben gebruikt. In 260 waren de Franken terug, en deze keer werden ze verslagen door generaal Postumus, die prompt werd uitgeroepen tot keizer in een Gallisch Rijk. Dit waren de moeilijke jaren van de Crisis van de Derde Eeuw.

XXX Ulpia Victrix koos de kant van Postumus, die de regio tot rust bracht. Na 274 heroverde de Romeinse keizer Aurelianus Gallië echter, en hij haalde veel troepen weg voor een oorlog tegen keizerin Zenobia van Palmyra. Onmiddellijk staken de Franken de Rijn weer over en liepen het Nederlandse rivierengebied onder de voet. Het idee dat de limes totaal instortte, geldt inmiddels als achterhaald.

In de vierde eeuw veranderde de strategie. Mobiele cavalerielegers in het achterland vormden de ruggengraat van het Romeinse leger. De legioenen langs de Rijn waren nu minder belangrijk. Ze waren gestationeerd in goed-versterkte kastelen, waar ze de vijand opwachtten en tegenhielden totdat de cavalerie arriveerde. XXX Ulpia Victrix bleef in Xanten, waarschijnlijk op de plaats van wat ooit de burgerlijke nederzetting was geweest, maar had zijn werkelijke betekenis verloren. Het lijkt uit de geschiedenis te zijn verdwenen in de loop van de vroege vijfde eeuw.


Geweld in Judea (slot)

februari 15, 2017

Liberchies

juli 24, 2020
Deel dit:

8 gedachtes over “XXX Ulpia Victrix

  1. Bart van der Wiel

    “Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.“ Mogelijk is juist dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had, maar dat volgt niet dwingend uit dit rangnummer. Er kunnen nummers ontbreken, en er kunnen meer legioenen zijn met hetzelfde nummer. In 1941 werd een Duitse divisie met nummer 719 in Nederland gestationeerd. Had de Wehrmacht 719 divisies? Ik denk het niet.

  2. FrankB

    “Het lijkt uit de geschiedenis te zijn verdwenen in de loop van de vroege vijfde eeuw.”
    Hebben we enig idee hoe zo’n verdwijning in haar werk ging?

    1. Ja. Vanaf begin vierde eeuw vond er een langzame wijziging plaats in het Romeinse leger, waarbij eenheden de omvang van een cohort (500 tot 1000 man) kregen. We zien dat ‘klassieke’ legioenen (vanaf die tijd gevormde legioenen zijn kleiner) werden ‘opgeknipt’. Soms eerst in twee gelijke delen, al is er discussie over het vormen van nieuwe legioenen met de zelfde naam vanuit een veteranenkader van het ‘ouderlegioen’.
      Maar we zien bijvoorbeeld heel goed aan V Macedonica langs de Donau dat het ook sneller kon, waarbij het hele legioen vrij snel werd onderverdeeld in 6 of meer kleinere eenheden die langs de rivier werden gestationeerd (waar vroeger auxiliacohorten gelegerd waren). Die eenheden bleven vaak niet liggen maar verhuisden regelmatig naar andere rijksdelen.

      In het Westen verdwijnen die eenheden allemaal met het verdwijnen per regio van het Romeinse bestuur (van de ’terugtrekking der legioenen uit Brittannië’ moet u zich geen verbeelding maken). Dat kon goedschiks, zoals het overnemen van Romeinse eenheden in het Frankische leger of kwaadschiks zoals in Noricum, waar de legende van St Severinus vermeld dat de laatste troepen langs de boven-Donau hun soldij in Italië gingen halen en onderweg door bandieten werden omgebracht (waarna Odoacar de hele provincie Noricum boven de Alpen evacueerde naar Italië). Procopius vermeldt (De bello Gothico 1.12.16–18) vanuit een 6de-eeuws Palestina dan wel weer dat er aan de Rijngrens nog steeds militairen staan die afstammen van hun Romeinse militaire voorouders, waarbij nog ‘duidelijk te herkennen was bij welk legioen die ooit gediend hadden’. Prachtig, helaas onmogelijk na te gaan.

      In het Oosten zien we sommige van die eenheden nog wel heel lang terug – het laatst bekende is (weer) een deel van V Macedonica die ergens rond 638 in Heliopolis/Libanon voor het laatst werd is waargenomen. Een ander is IV Parthica, dat onder de naam Koartoparthoi rond dezelfde tijd in Beroea/Syrië lag. Op z’n minst de formatie van het Thema-systeem onder Constans II (AD 641-668) moet een einde aan eventueel nog resterende legioenen zijn geweest, omdat het Romeinse Rijk toen overging tot regionale defensie.

  3. “Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.”

    Niet per se. Er bestonden toentertijd zeker 38 andere legioenen, heel veel met dezelfde nummers, terwijl er voor zover we weten nooit een legio 23 t/m 29 was. Ik vermoed dat ’30’ een speciale betekenis had.

  4. “Mobiele cavalerielegers in het achterland vormden de ruggengraat van het Romeinse leger. ”

    We weten van de comitatenses dat er verhoudingsgewijs meer cavalerie was dan tijdens het Principaat, maar ‘cavalerielegers’ is volgens mij echt een misnomer.

  5. “XXX Ulpia Victrix bleef in Xanten, waarschijnlijk op de plaats van wat ooit de burgerlijke nederzetting was geweest, maar had zijn werkelijke betekenis verloren. ”

    Dat weten we niet echt. Xanten (Tricensimae, ‘bij het 30e’) werd herbouwd na de herovering van de streek door (toen nog caesar) Julianus. Die nam vervolgens de Tricensimani mee op zijn veldtocht (inmiddels als Augustus) tegen Perzië, waar het ten onder ging bij de val van Amida (359).
    We hebben geen idee of de Tricensimani een restant (of een deel) van Legio XXX was, of dat we het hier hebben over een stadsmilitie, die na de Frankische inval naar het Romeinse leger gepromoveerd werden – we kennen verschillende laat-Romeinse eenheden met stadsnamen uit Gallië.

    We kennen vanuit de Notitia Dignitatum nog wel een Truncensimani (102/5.160) onder de magistro equitum Galliarum, als ‘pseudocomitatenses’ een voormalige grenseenheid gepromoveerd naar het mobiele veldleger. Mocht dit dezelfde eenheid zijn als de Tricesimani, dan bestond het nog bij het begin van de 5de eeuw, maar niet meer in Xanten.

Reacties zijn gesloten.