
Zomaar een vraag, waarvan ik niet weet waarom die afgelopen zomer bij me opkwam, en die vermoedelijk vooral veel zegt over mijn al bijna veertig jaar verouderde kennis. Aan het begin van mijn studie leerde ik bij de colleges archeologie (die overigens vooral leken op colleges kunstgeschiedenis) dat in gebeeldhouwde Romeinse portretten ongeveer vanaf de regering van keizer Hadrianus (r.117-138) de pupillen werden uitgehouwen. Dit was een handig foefje om portretten te dateren. Misschien waren de vroegste exemplaren iets eerder, misschien werd de praktijk pas ten tijde van Hadrianus’ opvolger Antoninus Pius standaard, maar ergens tussen 110 en 160 veranderde de sculptuur.
Althans, dat dacht ik te weten. Een snelle controle op de foto’s van Romeinse portretbustes die ik op een harde schijf heb staan, sprak dit niet tegen, wat natuurlijk niet wilde zeggen dat het werkelijk klopte. En de vraag die zomaar bij me opkwam: waarom gingen de toenmalige beeldhouwers dat doen?
Volstond het beschilderen van een portret niet langer? Wilden ze contrast aanbrengen, moest het levendiger? Ik zal niet zeggen dat ik slapeloze nachten kreeg van deze vraag – daarvoor heb ik immers bouwvakkers die om half zeven de buurt laten weten dat zij al wakker zijn – maar het confronteerde me voor de zoveelste keer met mijn onwetendheid. Je denkt iets te weten, maar je weet niet waarom.
Eén mailtje naar Eric Moormann, emeritus hoogleraar aan de Radbouduniversiteit, was voldoende. Vier minuten later had ik antwoord.
Het moest inderdaad de levendigheid vergroten, zoals in de Antonijnse kunst de reliëfwerking door krulhaar en -baard ook versterkt wordt.
Vier minuten. En iemand die echt iets weet van kunstgeschiedenis en die bovendien weet hoe ’ie het moet uitleggen, haalt er meteen een parallel bij die het antwoord verder illustreert. Wat ik maar zeggen wil: een goede docent blijft een goede docent, emeritus of niet.
[Dit was het 520e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]
Zelfde tijdvak
Conjecturen en kritische apparatenoktober 9, 2017
Israël verdeeld (synopsis)juli 17, 2013
Christenvervolging? (3)december 26, 2017

Leuk dit. Kan het ook zijn dat in die pupilgaten misschien glazen pupillen (of van zwart edelsteen) hebben gezeten?
Eric is een fijne kerel.
Het woord ‘pupil’ is al even interessant. Dichterlijk zelfs. Mijn
dochter vroeg me eens, spontaan, toen ze nog een meisje was, wat
een ‘pupil’ is. Dus ik begon een college over fysiologische optica te
geven, maar ik werd door haar onderbroken. Het ging haar om het woord.
Dus ik zocht het op in mijn Latijnse woordenboek. Pupa = pop, pupilla
= poppetje. Het bleek te zijn vernoemd naar wat wij het poppetje in
het oog noemen, dat zich daar lijkt te bevinden. Als je iemand
aankijkt, zie je daar een afbeelding van je zelf, als of je voor een doorzichtige
bolle spiegel staat: een spiegelbeeldje van jezelf, en ook ondersteboven.
Het woord ‘pupil’ blijkt dus te zijn ontstaan toen men het nog niet geduid had als een camera obscura met een gaatje, zoals Johannes Kepler dat voor het eerst deed.
Je zou het woord pupil met de kennis van nu een misnomer kunnen
noemen. Maar dat is dan een voorbeeld van ‘presentisme’: het duiden van
de geschiedenis vanuit het ‘nu’, in plaats van vanuit het ’toen’.
Inverted bionics: eye seen as camera
Kepler’s interest in optics arose as a direct result of his observations of the partial solar eclips of 10 July 1600. Following instructions from Tycho Brahe, he constructed a pinhole camera; his measurements, made in the Graz marketplace, closely duplicated Brahe’s and seemed to show that the moon’s apparent diameter was considerably less than the sun’s. Kepler soon realized that the phenomenon resulted from the finite aperture of the instrument; his analysis, assisted by actual threads, led to a clearly defined concept of the light ray, the foundation of modern geometrical opticts.
Kepler’s subsequent work applied the idea of the light ray to the optics of the eye, showing for the first time that the image is formed on the retina. He introduced the expression ‘pencil of light’, with the connotation that the light rays draw the image upon the retina; he was unperturbed by the fact that the image is upside down. (O. Gingerich, Dictionary of scientific biography, Vol 7, Simon & Schuster Macmillan, New York, 1881, p. 312)
Welke kennis was dan verouderd? Niet echt blijkbaar.
Nee, verouderd was mijn kennis niet. Onvolledig was ze wel. Ik wist immers de verklaring niet.
Blijft nog altijd de vraag waarom men dat dan juist vanaf die periode belangrijk begon te vinden…
Ok.
‘Distinctiedrift’ lijkt mij (een uitdrukking van Carry van Bruggen).