
Ik heb een hoogst geschoold universitair medewerker ooit in ernst horen beweren dat “mystiek” etymologisch verwant zou zijn met “mistig”. Uitleg van het mystieke genre is derhalve, voor ik verder blog over de bijdrage van Beatrijs van Nazareth, vermoedelijk zinvol.
Wat is mystiek?
Eerst de term: “mystiek” komt van het Griekse mystikos, dat “verborgen” of “geheim” betekent. Mystici streven naar de versmelting van hun ziel met het goddelijke, het ultieme transcendente. Ze beschrijven deze unio mystica ook wel als de terugkeer van de ziel tot zijn essentie. Deze eenwording gaat gepaard met gevoelens van extase, diep geluk, absolute zingeving en absolute zekerheid.
Onderzoekers kunnen het verschijnsel wetenschappelijk bestuderen, zoals ze ook bijgeloof bestuderen, en ze kunnen getuigenissen vergelijken en daaruit conclusies trekken. Ze kunnen de fysieke component van de extase beschrijven. Het wezen van de extase doorgronden blijft echter zoiets als een blinde die probeert het clair-obscur van Rembrandt te doorgronden.
De officiële kerk heeft altijd wat tweeslachtig gestaan tegenover de mystiek. Enerzijds begrepen de geestelijken dat het ging om iets essentieels, anderzijds was mystiek oncontroleerbaar en kon ze tegen het leergezag ingaan. Meester Eckhart is door zijn natuurlijke dood maar net ontsnapt aan een kerkelijke veroordeling, terwijl zijn leerlinge Marguerite Porete overleed op de brandstapel.
De Brabantse mystiek
De West-Europese mystiek is te verdelen in ruwweg vier stromingen:
- De vroegmiddeleeuwse mystiek, die schatplichtig is aan de laatantieke woestijnvaders;
- de Rijnlandse mystiek van Meester Eckhart, Johannes Tauler, Henry Suso en Hildegard van Bingen. De schriftelijke neerslag van hun ervaringen is nogal beschouwelijk van aard;
- de Brabantse of Vlaamse mystiek van Hadewijch en Jan van Ruusbroec, waartoe ook Beatrijs van Nazareth behoorde;
- de zestiende-eeuwse Spaanse mystiek van Theresia van Avila en Johannes van het Kruis.
Bij de Brabantse mystiek, ook wel “mystiek van de minne” genaamd, komt de godskennis tot stand doordat het subject een geestelijke liefdesrelatie aangaat met Jezus c.q. de Drie-Eenheid. Net als de menselijke liefde kent de geestelijke liefde diverse stadia. Ze is wederzijds en kent ook, zoals wel meer mystici beschrijven, een “nacht van de ziel” waarbij de geliefde onbereikbaar schijnt. Beatrijs heeft met de liefdesmystiek kennisgemaakt toen ze verbleef bij de Begijnen in Zoutleeuw.
Van seven manieren van heiliger minnen
De Brabantse mystici probeerden hun indrukken onder woorden te brengen in traktaten, brieven en andere geschriften. Men deden ze niet in het Latijn, maar in de toenmalige volkstaal, het Middelnederlands. Over het algemeen betreft het hierbij pareltjes die terecht tot de literatuur gerekend worden.
De bijdrage van Beatrijs betreft slechts één boekje, maar dat is wel het oudste complete proza dat in het Middelnederlands bewaard is gebleven. Frits van Oostrom besteedt in zijn Stemmen op schrift niet minder dan zestien pagina’s en gedeelten daarvan aan Beatrijs van Nazareth.
Het traktaat telt ongeveer 500 regels, heeft de titel Van seuen manieren van heileger minne en is in feite een zogeheten Liber Confortatorius: een soort wegwijzer in de mystiek voor kloosterlingen. Beatrijs schreef het werkje voor haar medezusters in de abdij Nazareth rond 1240, toen zij zelf, om zo te zeggen, het volwassen stadium had bereikt van de bruidsmystiek en kon optreden als geestelijke gids voor haar medezusters. Het werkje bezit daardoor een heel eigen mystieke terminologie, die specifiek is gericht tot haar eigen medezusters.
Opgang tot God
Het traktaat bevat de kern van de mystiek zoals Beatrijs die beleefd heeft. Ze schrijft over de opgang in de mystieke liefde (Godsliefde). Hierin onderscheidt ze zeven vormen (manieren) van opeenvolgende ervaringen: zuiverende liefde, dienende liefde, het onverzadigbare verlangen naar de volle liefde, de mystieke liefdesvreugde, de liefdesstorm, de zegevierende liefde en uiteindelijk de overgang naar de eeuwige liefde.
De eerste fase, de godsbeleving (minne), manifesteert zich allereerst als een intens, menselijk verlangen om meer en meer gelijk te worden aan Jezus Christus. De ziel van de mysticus of mystica ervaart een begeerte om God lief te hebben zoals Christus God heeft liefgehad. Deze eerste “manier” vormt de basis en het uitgangspunt voor de volgende fasen. Die dienen zich later aan, totdat in de voorlaatste fase de minne zegevierend regeert. In die zesde wijze wordt ervaren dat Christus in je woont, maar dit is nog niet de eindfase. Dat is de zevende fase, de eeuwigheidsdimensie: het begin van de deelname van Gods leven op aarde. Het is een persoonsoverstijgende liefde.
Deze mystieke route komt van de hand van Beatrijs zelf. Er zijn diverse andere routes naar dit punt in kaart gebracht, zoals het bekende rijtje purificatio, illuminatio, communio (zuivering, verlichting, vereniging), of De bestijging van de berg Karmel van Johannes van het Kruis of Het kasteel van de ziel van Theresia van Avila. Maar over onze “eigen” Beatrijs van Nazareth mogen we best wat chauvinistisch doen.
[Een postume gastbijdrage van de vorig jaar overleden Hans Overduin.]
Zelfde tijdvak
Het koninkrijk Cyprusmaart 20, 2024
Het Alhambra: een hemels paradijs (4)november 18, 2023
Het gebroken oorfebruari 5, 2025

De geschiedenis van de mystiek (en de spiritualiteit in het algemeen) in de Nederlanden wordt op wetenschappelijke wijze bestudeerd door het Ruusbroec-genootschap, oorspronkelijk opgericht door de Jezuïeten ( 100 jaar geleden, in 1925) en nu deel uitmakend van de Universiteit Antwerpen. Ze beschikt over een zeer rijke bibliotheek die erkend is als een “Erfgoedbibliotheek”. https://www.uantwerpen.be/nl/onderzoeksgroep/ruusbroecgenootschap/
Het gaat om een religieus-moralistisch gedicht in het Middelnederlands, geschreven door een dichter/monnik/broeder, die uitlegt waarom hij dit werk maakt. Hij wijdt zijn woorden aan Maria, spreekt over kuisheid, trouw, eenvoud en het dienen van God, en legt nadruk op het vermijden van leugens, zonde en vleselijke begeerten. Het is een soort morele verantwoording en gebed in dichtvorm.
Vertaling in modern Nederlands
Begin van de tekst (linkerkolom):
“Een dichter opent in dit kleine boek: dit lied neemt men dat het eindigt met liefde en trouw.
Aan u wijd ik dit lied, o moeder van kuisheid en reinheid, die in wonderen schittert en door God is uitverkoren tot grootse lof en eer.
Ik wil beginnen met uw naam, want u, gezegende door God, moet men prijzen.
En de dichter moet goed nadenken en zijn woorden zorgvuldig kiezen.
Mijn broederschap heeft mij dit opgelegd, samen met Begijn Willemien, dat ik dit boek zou schrijven.
Ik was een ongeletterde man, maar ik vond daar mijn begin: ik hoorde spreken van zeden en vond geen dwaasheden.
Ik heb geschreven zoals ik kon, zonder leugen, want ik ben zwak van lichaam en zonder geleerdheid.
Daarom vraag ik niet om rijkdom, maar dat men mij in eenvoud zal verstaan.
Ik wil u zeggen wat ik bedoel: ik verlangde lang naar dit werk.
Ik dacht dat het een droef werk zou zijn, maar het bleek anders.
Ik zeg u dit overal: ik heb niet gelogen.
Ik was nooit listig, noch bij nacht noch bij dag.
Ik was vlug van handwerk en verlangde te leren in de kerk.
Ik maakte gedichten en versieringen.”
Rechterkolom (gedeelte van de tekst):
“Ik trad in het klooster en wilde toebehoren aan God, en vond er vreugde in Zijn lof.
Ik wilde de liefde dienen met hart en mond, en haar trouw verspreiden ove r het land.
Ik wilde mijn smart verduren, ik wilde vreugde en genade.
Ik wilde macht over mijn vlees en mijn zonden.
Ik wilde dat mijn liefde eeuwig zou leven.
Ik dwong mezelf tot eerbaar leven en sprak openlijk van waarheid.
Ik loof God, want Zijn genade schenkt mij overvloed.
Ik vreesde Hem en droeg mijn kruis,
en zo wilde ik trouw blijven in Zijn dienst.
Ik wilde mijn naasten geen schade doen,
ik wilde liever hun geluk bewaren.
Ik wilde niet vals zijn in woorden of daden,
noch iemand misleiden of bedriegen.
Ik wilde mijn ziel zuiver houden en de duivel weerstaan.
Ik wilde mijzelf beheersen in alles,
dag en nacht dacht ik eraan.
Ik wilde dat mijn liefde zuiver bleef en niet vervloekte.
Zo wilde ik mijn vlees in toom houden en mijn lichaam kuis bewaren.
Ik wilde niet dat het verging door zonde,
maar dat het eindigde in vrede.”
Dank; ik heb inmiddels het plaatje vervangen door het correcte plaatje.
Vertaling in modern Nederlands
Begin van de tekst (linkerkolom):
“Een dichter opent in dit kleine boek: dit lied neemt men dat het eindigt met liefde en trouw.
Aan u wijd ik dit lied, o moeder van kuisheid en reinheid, die in wonderen schittert en door God is uitverkoren tot grootse lof en eer.
Ik wil beginnen met uw naam, want u, gezegende door God, moet men prijzen.
En de dichter moet goed nadenken en zijn woorden zorgvuldig kiezen.
Mijn broederschap heeft mij dit opgelegd, samen met Begijn Willemien, dat ik dit boek zou schrijven.
Ik was een ongeletterde man, maar ik vond daar mijn begin: ik hoorde spreken van zeden en vond geen dwaasheden.
Ik heb geschreven zoals ik kon, zonder leugen, want ik ben zwak van lichaam en zonder geleerdheid.
Daarom vraag ik niet om rijkdom, maar dat men mij in eenvoud zal verstaan.
Ik wil u zeggen wat ik bedoel: ik verlangde lang naar dit werk.
Ik dacht dat het een droef werk zou zijn, maar het bleek anders.
Ik zeg u dit overal: ik heb niet gelogen.
Ik was nooit listig, noch bij nacht noch bij dag.
Ik was vlug van handwerk en verlangde te leren in de kerk.
Ik maakte gedichten en versieringen.”
Rechterkolom (gedeelte van de tekst):
“Ik trad in het klooster en wilde toebehoren aan God, en vond er vreugde in Zijn lof.
Ik wilde de liefde dienen met hart en mond, en haar trouw verspreiden ove r het land.
Ik wilde mijn smart verduren, ik wilde vreugde en genade.
Ik wilde macht over mijn vlees en mijn zonden.
Ik wilde dat mijn liefde eeuwig zou leven.
Ik dwong mezelf tot eerbaar leven en sprak openlijk van waarheid.
Ik loof God, want Zijn genade schenkt mij overvloed.
Ik vreesde Hem en droeg mijn kruis,
en zo wilde ik trouw blijven in Zijn dienst.
Ik wilde mijn naasten geen schade doen,
ik wilde liever hun geluk bewaren.
Ik wilde niet vals zijn in woorden of daden,
noch iemand misleiden of bedriegen.
Ik wilde mijn ziel zuiver houden en de duivel weerstaan.
Ik wilde mijzelf beheersen in alles,
dag en nacht dacht ik eraan.
Ik wilde dat mijn liefde zuiver bleef en niet vervloekte.
Zo wilde ik mijn vlees in toom houden en mijn lichaam kuis bewaren.
Ik wilde niet dat het verging door zonde,
maar dat het eindigde in vrede.”
Mystiek: een intrigerende en voor mij geheel onbegrijpelijke menselijke bezigheid.
Eén aspect ervan : de (extreme) zelfkastijding, staat mij tegen.
Maar: lang niet alle mystici doen daaraan.
Kees Alders: “lang niet alle mystici doen daaraan” (zelfkastijding).
Vast niet en gelukkig maar, zou ik zeggen.
Ik kwam erop omdat Beatrijs (mij eerder niet bekend) zo’n extreem voorbeeld is (als de verhalen kloppen).
Maar religieuze zelfkastijding, niet alleen binnen het christendom, kwam veel voor en wordt nog steeds beoefend.
Zouden de gnostische stromingen niet aangeduid kunnen worden als mystiek avant la lettre? Of wordt dat bedoeld met ‘de laatantieke woestijnvaders’?
Die grijpen dan vermoedelijk weer terug op niet-christelijke mystiek, zoals in de Griekse mysteriën maar vooral in Indiase filosofie, waarin de mystieke ervaring al veel eerder beschreven wordt, en terugkomt in allerlei stromingen. (Hiermee zeg ik niet dat de Indiase cultuur de mystiek voor de rest van de wereld heeft uitgevonden: het kan natuurlijk ook op verschillende plekken los van elkaar ontstaan zijn, en later pas met elkaar in contact zijn gekomen. Maar de vroegste rationaliserende beschrijvingen van dit verschijnsel lijken me vandaar te komen, dus dan is het logisch dat latere mystici zich daaraan direct of indirect spiegelen.)
De islamitische variant zou je dan vinden in het soefisme.
Persoonlijk vind ik het idee van de mystiek eerlijk gezegd … nogal voor de hand liggen. Dit klinkt natuurlijk paradoxaal met wat er altijd over gezegd wordt, maar het idee van het zoeken van een ‘belonging’, een opgaan in het al, een diepgevoelde fundamentele connectie, dat is natuurlijk een heel fundamentele behoefte die ieder mens wel voelt. Je kan dat zoeken in kleinere kring, maar mystici beperken dat niet tot een beperkte menselijke cirkel, maar tot een ‘Al’ wat dan in sommige vormen God genoemd wordt. De manieren om die ervaring te bereiken die los staan van de rationele zoektocht lijkt me dan wat het mystiek maakt.
Misschien toont dit echter voornamelijk mijn onbegrip aan 😉
‘(…) maar mystici beperken dat niet tot een beperkte menselijke cirkel, maar tot een ‘Al’ wat dan in sommige vormen God genoemd wordt.’
Maar hoe ‘weten’ die ‘mystici’ dat het ‘dat (whatever)’ is? Om iets te herkennen, moet je het immers al gekend hebben…
Ik zet ‘mystici’ hier bewust tussen aanhalingstekens, omdat we in ons verlangen gemakkelijk kunnen verdwalen in de illusie van onze eigen hersenspinsels die we voor werkelijk houden.
Hoe kunnen we ook maar iets zinnigs zeggen over iets dat kennelijk aan onze beperkte kennis voorbij gaat, behalve dat het er aan voorbijgaat?
Ons subjectieve ‘kenapparaat’ (het menselijk denken) is niet het juiste instrument, want het is beperkt, begrensd. Je kunt geen spijker in de muur slaan met een schoevendraaier. Dat betekent nog niet dat ons geen tipje van de sluier kan worden opgelicht over wat er achter die begrenzing schuilgaat, maar we zullen nooit weten dat het ‘dat’ is, want dan is het ‘dat’ dus niet.
Dat suggereert dat er nog een ‘weten’ met een diepere betekenis zou kunnen zijn, dat van een andere orde is dan ‘kennen’, maar hoe objectiveer je dat?
Wellicht zoals een van de paradoxen die aan de Chinese filosoof Lao Tsi (ca. zesde eeuw BCE) worden toegeschreven, het zegt:
‘Hij die weet, weet niet;
Hij niet weet, weet’.
Rob Duijf: waaronder “….gemakkelijk kunnen verdwalen in de illusie van onze eigen hersenspinsels die we voor werkelijk houden”.
Zeker! en ik kan de reactie goed volgen tot en met de schroevendraaier.
Maar daarna… “toch een tipje” en een “dieper weten”: paradox!
Het staat voor mij niet vast dat paradoxen wijsheid bevatten….
Denken heeft een praktische functie, want zonder zouden we als moderne mensen immers niet kunnen bestaan. Maar denken is ook beperkt; we kunnen de piketpaaltjes van onze kennis verleggen door met de kennis die we hebben meer en betere kennis te vergaren, maar het denken kan niet over zijn eigen beperktheid heen springen.
Als we een emmertje in de oceaan gooien, zit de oceaan niet in dat emmertje. We proberen om met de kennis die we hebben onszelf een beeld van de werkelijkheid te vormen. Maar het subjectieve beeld dat we van die objectieve werkelijkheid hebben en de manier waarop we deze beschrijven, verwoorden, is niet de werkelijkheid. De dimensie van de werkelijkheid is wezenlijk anders dan de dimensie van het denken. Voorbeeld: het woord boom en het beeld dat daarmee wordt geassocieerd, en het hele concept aan kennis dat daaronder hangt, is simpelweg niet dat feitelijke groene ding dat daar ergens in de objectieve werkelijkheid bestaat. En dan hebben we het nog over een concreet object. Maar waar staan woorden als ‘werkelijkheid’, ‘waarheid’, ‘God ‘etc en de beelden die ze oproepen eigenlijk voor? Wat gaat daarachter schuil? Zijn het pure abstracties, dan zijn ze een verzinsel en hebben ze geen betekenis.
Dus als we de diepere betekenis van de werkelijkheid – van ‘al dat is’, de ’totaliteit van het waarneembare en het niet waarneembare’, of ‘holos’ zo je wilt, wat het geheel der dingen betekent – in psychologische zin zouden willen doorgronden, dan is het denken niet het juiste instrument. We komen immers niet verder dan onze verbeelding/verwoording.
Is er dan een ander instrument? Ik denk het wel: dat is het waarnemende brein dat net als het organisme dat het bestuurt deel uit maakt van de veranderende werkelijkheid, daarin meebeweegt en zorg draagt voor voedsel, veiligheid en voortplanting. Dat geldt voor elk brein, of dat nu het brein van een mens is, van een koe, van een muis of van een fruitvliegje. Het menselijk denken is daarin niets meer dan een van de vele neurobiologische processen, een instrument van het brein dat noodzakelijk is om als moderne mens te kunnen functioneren.
M.a.w. als het denken praktisch nodig is dan is het er en als het niet nodig is dan is het er niet. Je zou je kunnen afvragen waarom het denken zo ongelooflijk dominant is geworden dat mensen zoeken naar stilte, waarom ze ‘mystieke ervaringen’ willen hebben, waarom ze zich afvragen of er in de dagelijkse chaos van het bestaan, dat geen enkele zekerheid biedt, iets bestaat dat werkelijk duurzaam is. We hebben echter de grootst mogelijke flauwe kul in geloof, godsdienst, pseudo-mystiek en pseudo-spiritualiteit bedacht. Je kunt er de kachel mee aanmaken, dan heb je er nog warmte van. We bewegen ons voort als blinden in een wereld vol licht.
Wat gebeurt nou er feitelijk, wanneer er sprake is van een brein dat zijn volledige capaciteit benut om waar te nemen, zonder dat er sprake is van enige cognitieve disruptie? Is dat mogelijk? In die zin zou je het puur waarnemende brein een ‘wetend’ brein kunnen noemen, maar dat is van een totaal andere orde dan het cognitieve ‘kennende’ brein. Ik denk dat als we even de moeite nemen om die vraag tot ons door te laten dringen, zonder het denken dat gewoonlijk als een bok op haverkist duikt om een beperkt antwoord te verzinnen, er een openheid ontstaat waarin de werkelijkheid en de essentie ervan zich aan het brein ontvouwt. Het mysterie zal voor het denken echter altijd een mysterie blijven.
Je zou die paradox van Lao-Tsi ook anders kunnen verwoorden:
‘Hij die denkt, weet niet;
Hij die weet, denkt niet’
Of dat wijsheid is, weet ik niet, maar het is de moeite waard om het te onderzoeken door feitelijk waarnemende te zijn zonder waarnemer. Spoiler alert: er bestaat geen handleiding voor; het is een kwestie van inzicht.