
Wie tegenwoordig de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis bezoekt in het Brusselse Jubelpark, kan er niet omheen: afbeeldingen van het bovenstaande precolumbiaanse beeldje duiken overal op, op de website, op affiches, op de voorgevel. Het is dan ook een van de beroemdste stukken uit de collectie.
Kuifje en het gebroken oor
Niet omdat het zo superbelangrijk is, want het is bepaald geen uniek object. Het speelt echter, met een in het echt niet beschadigd oor, een rol in Hergés Kuifje en het gebroken oor. In december 1935 konden de lezers van Le Petit Vingième lezen dat dit beeldje uit het museum was gestolen, maar gelukkig brengt Kuifje het uiteindelijk terug, na een reeks omzwervingen door de Latijns-Amerikaanse republiek San Theodoros en een bezoek aan de Arumbaya’s. Het is dus dankzij Hergé dar dit vermoedelijk het bekendste stuk is uit de Brusselse collectie.

Het was, toen Hergé erdoor gefascineerd raakte, nog niet zo lang in de Belgische hoofdstad. In 1930 had classicus Henri Lavachery, die was verbonden aan het museum, deelgenomen aan een expeditie naar de Stille Zuidzee; dit was een voorloper van de expeditie waarmee Lavachery enkele jaren later een compleet Paaseiland-standbeeld naar België zou halen. Bij de eerdere reis bezocht hij ook Peru, waar hij diverse precolumbiaanse sites bekeek en oudheden aankocht. Zoals dit beeldje, dat door Hergé dus werd toegeschreven aan de Arumbaya’s – een fictieve stam uit de twintigste eeuw.
Chimú
Het echte beeldje is echter veel ouder. Het behoort tot de zogeheten Chimú-cultuur in het noordwesten van Peru; deze precolumbiaanse beschaving correspondeert met een koninkrijk genaamd Chimor, dat u moet plaatsen na pakweg 1200 na Chr. en vóór de Inka’s het rond 1460 onderwierpen. Beeldjes als dit stonden opgesteld in de hoofdstad, Chan Chan, “zon zon”, niet ver van de moderne stad Trujillo.
Het Brusselse beeldje is vrij simpel, maar we kennen verschillende andere, die zijn voorzien van oorbellen en hoofdtooien, terwijl analisten uit de verfsporen kunnen afleiden dat op de gezichten tatoeages waren weergegeven en. Vermoedelijk stellen ze hoogwaardigheidsbekleders voor. Misschien droegen ze, in een religieuze omgeving, offergeschenken aan voor de goden, al is de Eerste Hoofdwet van de Archeologie van toepassing. Hoe dat ook zij: het blijft een leuk beeldje.
Zelfde tijdvak
Een overbodig boekdecember 20, 2017
De mummie van Rascar Capacfebruari 20, 2025
Ivoor uit Megiddooktober 24, 2016

Hoe Hergé aan de naam van de stam kwam weet ik niet. Hun taal is voor een Brusselaar en bij uitbreiding heel wat sprekers van Brabantse dialecten goed te verstaan als je het luidop leest.
Heel de wereld spreekt Brussels.
Volgens de Wikipedia bijna het lemma Het Gebroken Oor:
De naam van de indianenstam Arumbaya is afgeleid van rhumba en baba au rhum, ofwel van krentencakejes op rum.
Opstal, H. van (1994) Essay RG. Het fenomeen Hergé, p. 73
Net als de Baba’orum in Kuifje in Afrika dus. En het Romeinse kamp in Asterix.
Geldt dit niet als het 480e voorwerp in je rubriek museumstukken?
Dank zij Hergé heeft dat beeldje toch een enorme bekendheid gekregen.
En zal de belangstelling voor oude culturen en voorwerpen best zijn toegenomen.
En op de koop toe een prachtig stripalbum.
Met ook een verwijzing naar de Chaco oorlog tussen Paraguay en Bolivia van 1930-32 om oliebronnen in de dorre Gran Chaco op het grensgebied tussen de twee landen. Waar uiteindelijk helemaal geen olie bleek te zijn.
Ik zie een gebroken arm. Ik zie een gebroken voet. Ik zie geen gebroken oor.