Tien teksten (deel 1)

Fragment uit de Ilias (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

Eigenlijk heb ik een hekel aan lijstjes met “de tien beste…”, maar nu ik heb geschreven dat “Enige Werken der Wet” behoort tot de tien voor ons belangrijkste teksten uit de Oudheid, moet ik de andere negen ook noemen. Uiteraard is de selectie persoonlijk, maar ik heb wel degelijk een criterium: de tien genoemde teksten moeten representatief zijn voor een aspect van de oude wereld dat invloed heeft op onze eigen wereld.

Invloed: dat is een woord met een vrij specifieke betekenis, namelijk het tegengestelde van inspiratie. Simpel gezegd is een invloedrijke tekst een tekst die ons denken en eventueel ons handelen duwt in een bepaalde richting, waarbij we vanzelfsprekend geen marionetten zijn. Als er sprake is van invloed, gaat het om iets dat we doen tenzij we ons ertegen verzetten. Inspiratie is daarentegen datgene wat we niet als vanzelf doen en waarbij we bewust aansluiting zoeken. Het is inspiratie als de architect van het Concertgebouw voor de stalen constructie een Romeinse façade plaatst; het is invloed als een postindustriële samenleving tegen haar eigenbelang in vasthoudt aan een agrarisch dagritme waarin de mensen collectief naar hun werk gaan op het moment dat de koeien net zijn gemolken.

Lees verder “Tien teksten (deel 1)”

Oudheid als ambitie

De Nijmeegse uitgeverij Vantilt was zo vriendelijk me een exemplaar toe te sturen van Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700 van Karl Enenkel en Koen Ottenheym. Ik voel me bij presentexemplaren altijd wat opgelaten omdat zo’n cadeautje doorgaans een onuitgesproken (en soms wél uitgesproken) verzoek is erover te schrijven, terwijl ik vaak betwijfel of het wel verstandig is er aandacht op te vestigen. Classici, historici en archeologen leggen, wanneer ze überhaupt schrijven voor het grote publiek, de lat nogal laag en wekken daardoor vooral de indruk dat het vak intellectueel weinig voorstelt. Voor Oudheid als ambitie was ik echter meteen gewonnen.

Nou ja, bijna meteen. De inleiding is niet opwindend, maar toen ik die las had ik al gezien dat het vervolg interessant zou zijn, heel interessant. Oudheid als ambitie is zo’n boek waarvan je al jaren hoopt dat iemand het schrijft: een overzicht van de door de eeuwen veranderende omgang met de oude wereld. Idealiter is dat een trilogie, met een eerste deel over de continuïteit van de laatantieke cultuur in de Middeleeuwen, daarna een deel over de periode die begint met de Renaissance en tot slot een deel dat begint met Montesquieu en Winckelmann. Enenkel en Ottenheym bieden het middendeel.

Lees verder “Oudheid als ambitie”

Priester Hendrik

Priester Hendrik (beeld: Carsten Eggers)

Toen ik onlangs door Rijnsaterwoude – dat ligt op de grens van Zuid- en Noord-Holland – kwam fietsen, zag ik daar bij de kerk het bovenstaande standbeeld. Ik remde meteen, want dit beeld had ik vaker gezien. Alleen: dat was in de buurt van Hamburg. Wat deed priester Hendrik, want over hem hebben we het, in Rijnsaterwoude bij de kerk?

Het zit zo. De twaalfde-eeuwse priester Hendrik had geleerd hoe je een cope aanlegde, een veenontginning. Het eerste wat jij als locator (“projectmanager”) deed was een team samenstellen van laten we zeggen twintig mensen die als boer aan het werk wilden maar geen land bezaten. Je trok dan langs een kreek het veen in en zocht een plek om een dorpje te stichten. Op de oever bouwde je dan een lang lint van twintig huizen, zo om de honderd meter één, en halverwege die huizen begon je sloten te graven, haaks op het veenstroompje, het veen in.

Lees verder “Priester Hendrik”

Hoe vind of verzin ik een Romeinse boerderij?

Een stuk bewerkte natuursteen in de crypte van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht.

Een stuk steen als hierboven, daar loop ik doorgaans aan voorbij zonder er veel acht op te slaan. Zeker als die steen ligt in de crypte van een kerk, in dit geval de Sint-Servaas in Maastricht, waar sculptuur ligt uit vroege bouwfasen van de kerk. Meestal zit middeleeuws beeldhouwwerk hoog in een portaal, in het timpaan boven de eigenlijke toegang, en kun je vooral genieten van de compositie als geheel, maar hier lag het op ooghoogte en kun je kijken naar het eigenlijke beeldhouwwerk.

Genoeg te zien dus om niet te letten op het blok grauwe, harde kalksteen, maar gelukkig was ik er met archeoloog Eric Wetzels, die afgelopen vrijdag enkele wetenschapsjournalisten rondleidde door zijn stad. Hij wees me op een interessant detail: de slijtsporen aan de rand hieronder. Dit is niet zomaar slijtage, die ontstaat als een steen door middel van wat stukken touw wordt versleept. Hier zijn lange tijd touwen doorheen gegaan, misschien wel eeuwenlang. Alleen zo slijt je er zulke diepe groeven in.

Lees verder “Hoe vind of verzin ik een Romeinse boerderij?”

Adalbert

Het altaar waarin de resten van Adalbert liggen

Een tijdje geleden belandde ik, enigszins ongepland, in de Egmondse Abdij. Ik wist dat het historische klooster, waar de graven van Holland ooit hun kanselarij hadden, niet langer bestond en had daarom nooit eerder een reden gezien erheen te gaan. Nu zal ik niet zeggen dat ik daarmee een onherstelbaar cultureel misdrijf heb gepleegd, maar ik had er beter wél eens een kijkje kunnen nemen. Het is een mooie, rustige plaats. De plek waar ooit de kloosterkerk heeft gestaan is aangegeven en in de buurt ligt in een moderne kerk Adalbert, de missionaris die hier ooit het christendom zou zijn komen uitleggen, opnieuw begraven.

Toen hij hier rond 700 aankwam, waren hier wat Friese boerennederzettingen. Missionarissen als Wigbert en Willibrord hadden geprobeerd het gebied te kerstenen, maar hadden weinig bereikt, hoewel de lokale heerser Radboud behulpzaam was geweest. Er kwam pas schot in de zaak toen deze koning in 719 was overleden en de Frankische leider Karel Martel zich van alle gebied ten westen van het Vlie meester had gemaakt. Rond 730 waren er kerken in Velsen, Heiloo en Petten. En ergens daartussen leefde dus Adalbert.

Lees verder “Adalbert”

De jonge islam

De aqedah (Byzantijns reliefje uit het Nationaal Museum in Beiroet)

Onlangs verzorgde ik een lezing waarbij het ontstaan van de islam ter sprake kwam. Over dat onderwerp is – door gelovige moslims, door islamofoben en door historici – voldoende gezegd dat niet herhaald behoeft te worden, maar ik wil wel wijzen op een punt dat ik belangrijk vind: er gingen ideeën aan de islam vooraf. Nu is dat natuurlijk het intrappen van een wagenwijd openstaande deur: nieuwe ideeën ontstaan doorgaans in wisselwerking met andere. Als het niet zou zijn, zouden we immers niet begrijpen wat er nieuw aan was. Maar het blijft interessant te kijken waartegen Mohammed zich afzette, welke ideeën de zijne voortbrachten, waartegen hij polemiseerde en wat de in de vroege islam gemaakte keuzes zeggen over de eerste gelovigen. Daar ligt, zoals ik zie, momenteel een van de fronten van de geschiedwetenschap.

In de eerste plaats: in het laat-Romeinse Rijk won het christendom aan populariteit. Eerst stonden de keizers Licinius en Constantijn het geloof toe, daarna waren er keizers die het als persoonlijke voorkeur hadden, vervolgens kwam een einde aan de overheidssubsidie van de heidense culten en tot slot zag keizer Theodosius erop toe dat de christenen één centrale leer hadden, vastgelegd in de geloofsbelijdenis die op het Concilie van Constantinopel in 381 werd bevestigd.

Lees verder “De jonge islam”

Berbers en Arabieren

Dat had u natuurlijk nóóit verwacht, dat ik een stukje over het het ontstaan van het emiraat van Cordoba zou illustreren met een heel originele foto van de moskee die Abdelrahman bouwde in opgemelde Andalusische stad.

Gisteren blogde ik over het Rijk van Toledo en ik schreef dat deze laat-Romeinse staat, centraal georganiseerd als ze was, door Arabieren in één keer kon worden overgenomen. Koning dood, het hof uitgeschakeld, hoofdstad ingenomen: dan houdt het verder op. Ik werd terecht gecorrigeerd: het leger dat de genadeklap uitdeelde bestond uit Berbers. Het grappige is dat ik daar bij het schrijven aan had gedacht. Omdat het leger marcheerde uit naam van de Umayyadische kalief van Damascus, had ik besloten het stukje niet nog ingewikkelder te maken dan het al was – maar het is geen onbeduidend detail.

De verovering begon in april 711, toen generaal Tariq, een islamitische Berber, met zo’n 12.000 soldaten de Straat van Gibraltar overstak. (“Gibraltar” is overigens een verbastering van Jebel Tariq, “Tariqberg”.) In juli versloeg hij bij Jerez het leger van de Toledaanse koning Roderik, waarna de joden in Cordoba en Écija Tariq en zijn mannen als bevrijders binnenhaalden. Of het enthousiasme oprecht was of een lepe reactie op het simpele feit dat er geen Toledaans leger meer was dat de steden kon beschermen, zullen we nooit meer weten. Wel moet worden aangetekend dat de handelingen van de diverse kerkelijke synodes duidelijk maken dat de christelijke autoriteiten de joden liever zagen gaan dan komen.

Lees verder “Berbers en Arabieren”