De vijfde eeuw (slot)

Frankische mantelgesp (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

[Een tijdje geleden blogde ik enkele keren over de Late Oudheid. Een van degenen die reageerden, John Messemaker, zegde toe zijn gedachten over het onderwerp op een rijtje te zetten. Van dat stuk verscheen het eerste deel hier.]

In 468 besloot de Oost-Romeinse keizer Leo om van het Westen te redden wat er te redden viel. Hij verbond zich met Ricimer en beloofde Geiseric en diens Vandalen te vernietigen. Zoals we al zagen, vernietigde in plaats daarvan Geiseric het leger van Leo. Ricimer werd verlost van zijn problemen toen hij in 472 overleed – een maand nadat hij zijn laatste stromankeizer had vermoord. De uiteindelijke “val van Rome” kwam daarna niet meer door complexe omstandigheden en voltrok zich ook niet in slow motion. Geiseric is de man die in enkele dagen het noodlot voltrok. Op het slagveld. Hij was de man met de hamer.

Het West-Romeinse Rijk heeft niet het excuus dat het deze mogelijkheid niet zag aankomen. Sterker nog: men heeft er sinds de slag bij Adrianopel actief aan meegewerkt. De eeuw-lange accommodatiepolitiek van Theodosius, Stilicho en Aetius heeft rampzalig uitgepakt.
Lees verder “De vijfde eeuw (slot)”

De vijfde eeuw (5)

Glazen schaal met het offer van Abraham: Gallië was niet bepaald arm in de late vierde eeuw (Musée archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)
Glazen schaal met het offer van Abraham (Musée archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

[Een tijdje geleden blogde ik enkele keren over de Late Oudheid. Een van degenen die reageerden, John Messemaker, zegde toe zijn gedachten over het onderwerp op een rijtje te zetten. Van dat stuk verscheen het eerste deel hier.]

We zagen gisteren dat voor de Romeinse legerleider Stilicho de – wellicht mede door hem mede veroorzaakte – betrekkelijke welvaart van de noordelijke gebieden iets was om zich op te beroemen. Maar heeft hij de historische context begrepen?

De Romeinse historicus Ammianus Marcellinus schrijft nog dat een groepje Franken in de vierde eeuw in staat was om de graantoevoer naar de Rijnlegers vanuit Brittannië stil te leggen. Rond 400 was Noord-Gallië echter volledig zelfvoorzienend. Het exporteerde zelfs graan en had geen Brits graan meer nodig. Zo viel een belangrijk wapen weg dat de centrale overheid kon hanteren tegenover opstandige troepen: de aanvoer van eten kon niet meer geblokkeerd worden.

Lees verder “De vijfde eeuw (5)”

Geweld in Judea (slot)

Romeinse inscriptie die de onderdrukking van de Joodse Opstand in Kyrene herdenkt.
Romeinse inscriptie die de onderdrukking van de Joodse Opstand in Kyrene herdenkt.

In het laatste stukje van deze reeks – al heb ik morgen een “nabrander” – nog een woord over de wijze waarop de in de voorgaande stukjes (1, 2, 3, 4) beschreven geweld-gerelateerde ideeën binnen het jodendom bleven bestaan. Dat wil zeggen: in de tweede eeuw, nadat de christenen waren begonnen een eigen weg te gaan. Een probleem is hierbij dat de bronnen schaars zijn. Er is geen Josephus voor de oorlogen ten tijde van de keizers Trajanus en Hadrianus. Mijn achtste stelling is:

8. De verzetsideologie bleef bestaan in de tweede eeuw

Binnen het jodendom, voor zover we dat kunnen reconstrueren, lijken allerlei messiaanse ideeën te zijn blijven bestaan. Die hadden inmiddels vaak een anti-Romeinse inslag. Over Eindtijdideeën horen we weinig, maar dat kan komen door de bronnenschaarste.

Lees verder “Geweld in Judea (slot)”

Factcheck: Valentijnsdag

Ten onrechte meenden de Romeinen dat hun stad was gesticht door herders; daarom meenden ze dat het eeuwenoude Lupercalia-festival een herdersfeest moest zijn. Op dit reliëf, te zien op een altaar dat is gevonden in Ostia, ziet u hoe herders Romulus en Remus vinden. Het heeft verder niets met de Lupercalia te maken maar het is wel een leuk plaatje. (Palazzo Massimo, Rome)
Ten onrechte meenden de Romeinen dat hun stad was gesticht door herders; daarom meenden ze dat het eeuwenoude Lupercalia-festival een herdersfeest moest zijn. Op dit reliëf, te zien op een altaar dat is gevonden in Ostia, ziet u hoe herders Romulus en Remus vinden. Het heeft verder niets met de Lupercalia te maken maar het is wel een leuk plaatje. (Palazzo Massimo, Rome)

[Eigenlijk had ik vandaag willen beginnen aan de rubriek waarin ik uitleg waarom de historische wetenschappen werkelijk wetenschappen zijn. De actualiteit komt er echter tussendoor: morgen is het Valentijnsdag en je zult zien dat weer iemand zal beweren dat dat eigenlijk een oud-Romeins vruchtbaarheidsfeest is. De klassieken moeten per se relevant worden gemaakt, desnoods met alternatieve feiten. Er is echter geen verband tussen het Romeinse en het christelijke feest, zoals mijn Amerikaanse vriend William P. Thayer, de webmaster van LacusCurtius, uitlegt.]

Pogingen zoals deze, deze en deze om de oud-Romeinse Lupercalia (15 februari) in verband te brengen met de christelijke Valentijnsdag (14 februari) zijn verdacht. De gelijkstelling van de twee illustreert vooral een twintigste-eeuwse neiging om een liefdesfeest af leiden van antieke vruchtbaarheidsculten. Er is ondertussen geen draad bewijs voor een dergelijk verband.

Vaak wordt beweerd dat paus Gelasius (r.494-496) Valentijnsdag in de vijfde eeuw instelde, maar dat is niet waar: wat hij wél deed was een lange, strenge brief schrijven (Brief 100, Aan Andromachus) waarin hij de gelovigen het vieren van de Lupercalia verbood. Die brief noemt geen Valentinus.

Lees verder “Factcheck: Valentijnsdag”

Het belang van Rome

brague

Hoewel mensen verschillende biologische klokken hebben, doen we alsof iedereen ochtendmens is. Kinderen moeten vroeg naar school, ook al is bekend dat ze op dat moment weinig opnemen. Als avondmensen latere kantoortijden konden krijgen, was de ochtendspits veiliger. We houden zo vast aan een dagritme dat stamt uit een oude, agrarische samenleving, zelfs eeuwen later, nu het contraproductief is. De koe leverde geen half werk toen ze de mens africhtte.

Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop samenlevingen uit het verleden invloed hebben op de onze. Eeuwenlange culturele continuïteiten kúnnen bestaan. Zo bezien is het niet vreemd dat er mensen zijn die aannemen dat onze cultuur niet is geboren op het moment waarop in de vroege negentiende eeuw de industrialisatie alles veranderde, maar haar wortels eerder heeft, in de Grieks-Romeinse Oudheid.

Lees verder “Het belang van Rome”

NWA: Receptiegeschiedenis

Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.
Keizer Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1468, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.

In mijn reeks rond de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) behandel ik vandaag twee vragen tegelijk. De tweede is namelijk een deel van het antwoord op de eerste. De eerste vraag is deze:

Waarom is middeleeuws Europa cultureel zo homogeen?

Ik vind dit een ontzettend leuke vraag omdat, zoals de vragensteller ook aangeeft, de Middeleeuwen op het eerste gezicht helemaal zo homogeen niet zijn. Er is nogal wat verschil tussen Castilië en Brandenburg, tussen Schotland en Beieren, tussen Sicilië en de Lage Landen. Desondanks was er – althans dat denk ik – tegelijk wél een culturele eenheid: in een abdij, aan een universiteit of aan het hof van een koning konden mensen uit Engeland, Zweden, Aragon en Italië met elkaar converseren.

Hoe kwam dat? Is dat de erfenis van de Romeinen, is dat de rol van de Kerk, komt dat door handelscontacten, of door migratie? In hoeverre werkten dat soort zaken samen en welke dynamiek stond hieraan ten grondslag?

Lees verder “NWA: Receptiegeschiedenis”

NWA | Westerse cultuur

Sommige open deuren moet je gewoon intrappen. Ik zou u teleurstellen als ik schreef over westerse cultuur zonder u te trakteren op dit belegen grapje.
Ik zou u teleurstellen als ik schreef over westerse cultuur zonder u te trakteren op dit belegen grapje.

In mijn reeks rond de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag een kwestie die mij zelf buitengewoon boeit:

Wat is de oorsprong van de Westerse cultuur?

Antwoorden zijn er momenteel niet. Een van de deelvragen stond al op de vorige Wetenschapsagenda, die van 2011, en dat wil zeggen dat dit een erkend wetenschappelijk vraagstuk is. Onoplosbaar als de kwestie is, kan ik wel de contouren schetsen van het probleem. In de eerste plaats is er de vraag wat een cultuur is. De beroemde definitie van E.B. Taylor, de vader van de culturele antropologie, luidt als volgt:

Culture, taken in its wide ethnographic sense, is that complex whole which includes knowledge, belief, art, morals, law, custom, and any other capabilities and habits acquired by man as a member of society.

Deze mooie definitie, waarvan ik me nog herinner dat die indruk op me maakte tijdens mijn antropologiecolleges, brengt het probleem met zich mee dat je een cultuur beschrijft als een kolossale verzameling elementen – laten we zeggen 100.000 – terwijl die voortdurend veranderen. Hoe lang kun je dan nog spreken van dezelfde cultuur? Niemand zal zeggen “bij 99.999”, maar wat denk je van “bij 98.000”? (Een Vlaming, die nauwelijks verschilt van een Nederlander, zal zich niet snel rekenen tot de Nederlandse cultuur.) Het zou helpen als we onderscheid konden maken tussen cultuurelementen die zó belangrijk zijn dat we ze absoluut niet kunnen missen en cultuurelementen die wat minder cruciaal zijn.

Lees verder “NWA | Westerse cultuur”