Zoon van de Allerhoogste

4Q246

Het is bijna kerstmis, dus het leek me aardig om in mijn reeks over het Nieuwe Testament een tekst te behandelen die daar iets mee te maken heeft: de Annunciatie ofwel de aankondiging van Jezus’ geboorte. Gods boodschapper Gabriël heeft zich in Nazaret aangediend bij Maria, en vóór u verder leest, moet u even bedenken dat Gabriël geen engel was in onze zin van het woord. Het Griekse woord ἄγγελος betekende destijds boodschapper, gezant, heraut. In het boek Daniël wordt Gabriël expliciet beschreven als mens.noot Daniël 8.15. De vleugels die wij erbij voorstellen, zijn pas later gekomen.

Maria schrikt dus nogal schrikt als een vreemde kerel haar huis binnenloopt. Gabriël antwoordt:

“Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en ‘Zoon van de Allerhoogste’ worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”noot Lukas 1.30-33; NBV21.

Je moet maar niet te lang nadenken over deze scène, want erg geloofwaardig is het niet. Ik richt me dus op de uitdrukking “zoon van de allerhoogste”.

Die kennen we namelijk uit de joodse literatuur van die tijd: namelijk uit de nogal beschadigde Aramese tekst die bekendstaat als 4Q246, die meestal wordt gedateerd in de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr. Daarin is sprake van een heerser die na een tijd vol beproevingen over de wereld zal heersen. Er is daarna iemand die “de grote” genoemd zal worden, “de zoon van god” en “zoon van de allerhoogste”. Hun koninkrijk – het meervoud “hun” is onverklaard – zal zijn als de vonken van een vuur. Een volgende sectie van deze tekst behelst dat het “volk van God” iedereen na dit geweld zal laten uitrusten. Daarna lezen we dat zijn (wiens?) koninkrijk eeuwig zal bestaan, dat hij het oordeel zal uitspreken over de aarde, dat vrede zal heersen, dat het geweld zal verdwijnen, dat alle gewesten hem eer zullen bewijzen, dat de grote god zijn kracht zal zijn, dat hij voor God zal strijden, en dat zijn heerschappij eeuwig zal zijn.

Die heerser is te identificeren als het bovennatuurlijke wezen dat volgens Daniël het Laatste Oordeel zal uitspreken: de Mensenzoon. Het “volk van God”, de nadruk op het eeuwige koninkrijk en de eerbewijzen uit alle gewesten zijn allemaal terug te vinden in Daniël 7. Het moge daarom duidelijk zijn dat de tweede sectie verwijst naar de Eindtijd. En dan is degene die “de zoon van god” en “de zoon van de allerhoogste” genoemd zal worden, dus de Mensenzoon.

Kortom: feitelijk schrijft de evangelist Lukas dat de baby die nog geboren moet worden, ooit het Laatste Oordeel zal uitspreken, gezeten op de troon die aan het einde der tijden (volgens Daniël) naast God zal worden opgesteld en die (volgens Lukas) de troon van David heet. Anders gezegd: de taal waarmee Lukas’ Gabriël zich tot Maria richt, is door-en-door joods.

Deel dit:

2 gedachtes over “Zoon van de Allerhoogste

  1. Dirk Zwysen

    Daniel zegt dat Gabriel eruitzag “als een mens” en sprak met “een menselijke stem”. Dat lijkt me nu precies de manier om te zeggen dat het geen mens was. Bovendien spreekt de boodschapper Daniel aan met “mensenkind”, wat suggereert dat er tussen beide heren een verschil is.
    Ik leid daaruit af dat de schrijver Gabriel voorstelt als een niet-menselijk wezen in een menselijke gedaante, met het voorbehoud dat ik de originele taal niet kan lezen.

Reacties zijn gesloten.