Besnijdenis des Heren

Maria met kind (Catacomben van Priscilla, Rome)

Dat Jezus een Jood was, zal geen weldenkend mens ter discussie stellen. Lukas, wiens evangelie ik de laatste tijd aan het becommentariëren ben, vermeldt dat de baby op de achtste dag door de besnijdenis werd opgenomen in het Verbondsvolk en de naam Jezus kreeg (Lukas 2.21). Het is onmogelijk het belang van deze passage te overschatten. “Wie niet op de achtste dag wordt besneden, is geen kind van het Verbond dat de Heer sloot met Abraham,” lezen we in Jubileeën, “maar behoort tot de kinderen der vernietiging.” De auteur is er overigens ook zeker van dat de engelen besneden waren geschapen.

Het belang van de besnijdenis stond niet ter discussie, maar de rabbijnse literatuur kent wel wat discussie over detailkwesties, waarvan sommige voorspelbaar zijn: mag je bijvoorbeeld een baby besnijden op de sabbat? Ondanks deze kwesties stond niet ter discussie dat, althans voor mannelijke Joden, de besnijdenis de duidelijkste scheidslijn was tussen enerzijds het Verbondsvolk en anderzijds de Grieken en Romeinen. Uit de Griekse en Latijnse bronnen weten we dat de andere bewoners van het Middellandse-Zee-gebied de besnijdenis ook herkenden als een Joodse gewoonte. Lukas presenteert Jezus dus, voor iedereen begrijpelijk, als Jood.

Lees verder “Besnijdenis des Heren”

Herders in de velden

Een herder en zijn schapen (Bode-Museum, Berlijn)

Een traditionele kerststal toont zowel de door Lukas vermelde herders als de door Mattheüs vermelde wijzen. Die laatsten hebben niets te maken met de geboorte van Jezus: Mattheüs spreekt van een paidion, een kind, en niet van een baby, brefos. Ik kom er nog op terug. Vandaag de herders, geciteerd in de Nieuwe Bijbelvertaling.

Uitschot

Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:

‘Eer aan God in de hoogste hemel
en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’

Lees verder “Herders in de velden”

Quirinius’ volkstelling

Grafsteen van Q. Aemilius Secundus.

Ik onderbreek de reeks over de Joodse context van het Nieuwe Testament even met een Romeins uitstapje. Van het Lukasevangelie heb ik het eerste hoofdstuk al behandeld, waarin de engel Gabriël de geboorte aankondigt van Johannes de Doper en vervolgens Maria vertelt dat ze moeder zal worden. Gisteren kwamen de geboorte en besnijdenis van Johannes aan de orde. Een en ander onderbroken door een lied van Maria en een lied van Johannes’ vader Zacharia. Het tweede hoofdstuk plaatst ons echter in een volkomen Romeinse context. Het is een van de allerberoemdste teksten uit de Oudheid.

Quirinius

In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk. Deze volkstelling had voor het eerst plaats toen Quirinius landvoogd van Syrië was.

Lees verder “Quirinius’ volkstelling”

Een hoorn der redding

Joodse geleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellinus)

In deze reeks over de Joodse context van de evangeliën was ik begonnen met het evangelie van Lukas, dat begint met de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper aan zijn vader Zacharia en de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria. In beide gevallen waren parallellen aan te wijzen met de Joodse helden van weleer: de typering van Johannes de Doper lijkt op die van Samson, terwijl de aankondiging van Jezus’ geboorte verwijzingen bevat naar zowel Gideon als Samuël. Drie keer verwijst Lukas dus naar een oud jodendom, van vóór de monarchie. Het kan passen bij het gegeven dat ik al eerder noemde: Jezus kwam uit een familie met namen die terugverwezen naar deze heel vroege periode.

Besnijdenis en Verbond

We lezen in Lukas 1 dat Johannes de Doper wordt besneden. Dat hij de uiterlijke kentekens kreeg van het Verbond, dat is nogal iets. Lukas schreef namelijk voor een publiek van niet-joodse lezers, in een tijd waarin christenen discussieerden over de vraag of niet-joodse leden van het Verbondsvolk besneden moesten worden. Bij de besnijdenis krijgt de baby zijn naam: Johannes, “de Heer is genadig”. Ik ben niet op de hoogte van een passage uit de antieke literatuur waarin besnijdenis en naamgeving in één adem worden genoemd, maar Lukas beschrijft de situatie dan ook als vreemd: de naam “Johannes”, zo vertelt de evangelist, kwam niet voor in de families van Zacharia en Elisabet. De namen van dit gezin duiden overigens niet op een speciale band met het jodendom van de aartsvaders.

Lees verder “Een hoorn der redding”

Gabriël en Maria

De Annunciatie (Ikoon uit het klooster van het H. Kruis, nu in Omodos)

Het mooiste gevelsteentje van Amsterdam is ook een van de oudste: het dateert uit 1571, bevindt zich aan de buitenzijde van de Oude Kerk, ziet uit over de Bierkaai en stelt de Annunciatie voor, het moment waarop de engel Gabriël in Nazaret aan Maria komt melden dat ze in verwachting is. Ik had graag hierboven de foto geplaatst die ik ooit bij de Oude Kerk heb gemaakt, maar ik kan die niet vinden, dus u moet genoegen nemen met bovenstaande Cypriotische icoon.

De lezers van het Lukasevangelie zullen er niet van hebben opgekeken dat Gabriël Maria groet met Χαῖρε, chaire, “wees blij”. Een standaardgroet die je ook in inscripties tegenkomt en werd gebruikt om bijvoorbeeld de keizer te groeten (Ave Caesar). Ook het vervolg, ὁ Κύριος μετὰ σοῦ, “de Heer is met je”, was een standaardformulering, die bijvoorbeeld ook de engel gebruikt die zich richt tot Gideon. En net zoals Gideon, die zo zijn bedenkingen heeft, weet ook Maria niet goed wat ze ermee aan moet. Hoe zal zij, een maagd toch, een kind kunnen krijgen? De engel legt uit dat “de Heilige Geest over haar zal komen” en dat “de kracht van de Allerhoogste” haar zal overschaduwen. Zie nogmaals de icoon hierboven.

Lees verder “Gabriël en Maria”

Zacharias, Elisabet en Gabriël

Gabriël op een laatantiek reliëf uit Antalya (Archeologisch Museum)

In mijn reeks over de wijze waarop een Jood in de eerste eeuw de evangeliën zou hebben gelezen, heb ik al het een en ander verteld over de proloog van het Johannesevangelie en de het begin van Matteüs (één, twee). Tijd om eens te gaan kijken bij Lukas, die, net als Matteüs, een kerstverhaal heeft.

Hellenistische geschiedschrijving

Het evangelie begint met een maar al te menselijke proloog. De evangelist, die we maar even zullen aanduiden met de traditionele naam Lukas, richt zich tot een ideale lezer, Theofilos (“godsvriend”), en vertelt dat, hoewel er al verslagen zijn, hij heeft besloten “een ordelijk verslag” te schrijven. Ik weet niet wat de auteur van Lukas’ bron, Marcus, daarvan heeft gedacht.

Hoe dat ook zij: dit is precies zoals je in een Griekse historiografische tekst verwacht. Zo’n tekst hoorde namelijk te beginnen met de claim dat de auteur het beter weet. Hekataios deed al zijn voorgangers af als praatjesmakers, Herodotos plaatste zichzelf op de plek van de Muzen en Arrianus beschouwde zichzelf als de Alexander de Grote onder de historici. Daarmee is Lukas’ toon gezet: hij wil over Jezus en de vroege kerk schrijven als historicus. Vandaar dat we een precieze datering krijgen van het begin van Jezus’ optreden. (Om een misverstand voor te zijn: er is geen tegenstelling tussen “joods” en “Grieks”. Grieks was voor veel joden de eerste taal en een aanzienlijk deel van de joodse religieuze literatuur was geschreven in het Grieks.)

Lees verder “Zacharias, Elisabet en Gabriël”

Lukas, arts en evangelist?

Zesde-eeuwse muurschildering van Lukas, gevonden in zijn zogenaamde graf in Efese (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Maar de apostel Lukas, die van het evangelie, die was toch arts? Ik hoorde het deze week weer iemand zeggen. Het is twee, misschien drie keer niet waar. In de eerste plaats was Lukas geen apostel. In de tweede plaats is hij niet de auteur van het evangelie dat zijn naam draagt. En of hij arts was, dat weten we eigenlijk ook al niet.

Drie vermeldingen

Lukas staat drie keer genoemd in de Bijbel. Paulus vermeldt een medewerker met die naam aan het slot van de korte Brief aan Filemon: een zekere Epafras doet de geadresseerde de groeten, en Paulus’ medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lukas sluiten zich daarbij aan.

Lukas duikt ook op in twee aan Paulus toegeschreven brieven. (Het maken van teksten in andermans naam was in de Oudheid niet ongebruikelijk. De auteur vertelt dan wat hij denkt dat de echte auteur zou hebben kunnen schrijven. ) In de Brief aan de Kolossenzen staat het enige biografische detail: Lukas “de arts” en Demas doen de groeten. In de Tweede Brief aan Timotheüs vertelt Paulus dat hij door Demas in de steek is gelaten, dat andere metgezellen verder zijn gereisd en dat alleen Lukas nog bij hem is.

Lees verder “Lukas, arts en evangelist?”

Barmhartige en andere samaritanen (1)

Altaar uit Sichem (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

U kent de samaritanen – met een kleine letter graag – van de gelijkenis over de barmhartige samaritaan. U weet wel: de evangelist Lukas vertelt over een reiziger die op weg van Jericho naar Jeruzalem in de handen van rovers valt. Uitgeschud ligt hij langs de weg. Een leviet en een priester laten hem voor dood liggen maar een passerende samaritaan neemt zijn verantwoordelijkheid wel. Het is een wondermooi verhaal over beschaving: dat je iemand die niet tot je eigen groep behoort, erkent als medemens. Misschien komt het door deze elegantie dat je niet herkent hoe absurd het eigenlijk is. Geen rover kan de weg van Jericho naar Jeruzalem onveilig hebben gemaakt. Het was een van de drukste en best bewaakte straten in Judea.

Joden en samaritanen

Maar daarover wilde ik het niet hebben. Het gaat om de vraag wat de samaritaanse geloofsgemeenschap nu eigenlijk is. Samaritanen lijken op joden, maar er zijn enkele verschillen, waarvan sommige heel oud.

  • Eén: samaritanen denken dat de tempel niet in Jeruzalem zou moeten staan, maar op de berg Gerizim nabij Sichem (het huidig Nablus);
  • Twee: samaritanen geloven dat hun lijn van priesters de legitieme is, in tegenstelling tot de lijn van priesters in Jeruzalem;
  • Drie: samaritanen aanvaarden alleen de wet van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium) als gezaghebbend. Van deze boeken hebben ze ook een iets andere tekst.
  • Vier: samaritanen erkennen dus de profeten en de geschriften niet als gezaghebbend.

Lees verder “Barmhartige en andere samaritanen (1)”

Synopsis

Iedereen die het Nieuwe Testament heeft gelezen, zal zijn opgevallen dat er nogal wat herhaling in zit. Als je het Matteüs-evangelie uit hebt, lijkt Marcus een uittreksel en Lukas herhaalt dat in wat elegantere zinnen. Pas met evangelie nummer vier, Johannes, merk je dat het allemaal ook anders verteld had kunnen worden. Het is niet zo gek dat een Augustinus aanvankelijk een lage dunk had van de evangeliën. De typering van Marcus als uittreksel van Matteüs schijnt overigens van hem afkomstig te zijn.

De drie eerste evangeliën worden weleens “synoptisch” genoemd omdat ze op het eerste gezicht hetzelfde vertellen. Bij nader inzien is dat niet waar, want Matteüs, Marcus en Lukas hebben drie totaal verschillende perspectieven. Dit nadere inzicht verwerf je door de drie teksten in detail te vergelijken en daarvoor bestaan boeken waarin de evangeliën niet na maar naast elkaar zijn geplaatst. Zo’n boek heet een synopsis. Zie boven voor een willekeurige pagina: drie teksten naast elkaar en onderaan de tekstvarianten.

Lees verder “Synopsis”

Het proactieve Driekoningen-stukje

De drie wijzen uit het oosten (Sant’ Apollinare Nuovo, Ravenna)

6 januari ofwel Driekoningen ofwel Epifanie is een van die momenten waarop kwakhistorici hun kans grijpen om even wat onzin in de krant te krijgen. Het jaar is nog jong, de zaterdagkrant heeft ruimte, de nieuwsredacties zijn nog niet helemaal scherp en oudheidkundigen bijten, anders dan klimaatwetenschappers en artsen, zelden terug als er onzin wordt gedebiteerd. Tijd dus voor weer een proactief stukje in de ongetwijfeld ijdele hoop nog wat stommiteiten uit de krant te houden.

Er waren drie koningen

Tweemaal niet waar. Het verhaal over het bezoek van de wijzen uit het oosten is alleen te lezen in het evangelie van Matteüs – en wel hier – en vermeldt (a) geen koningen en (b) geen aantallen. Een onbepaald aantal magoi verschijnt ten tonele, dat is alles. Het aantal van drie is afgeleid van het drietal geschenken (goud, wierook en mirre) maar in de oosterse kerken kunnen het er twaalf zijn. De namen Caspar, Balthasar en Melchior zijn later verzonnen, al zijn ze al te lezen in de laatantieke Sant’ Apollinare in Ravenna. Zie boven. Merk op dat ze geen koninklijke attributen hebben. De koninklijke status zou een toevoeging zijn uit de Middeleeuwen, gebaseerd op Psalm 72.11:

Alle koningen zullen zich voor hem neerbuigen,
alle heidenen zullen hem dienen.

Lees verder “Het proactieve Driekoningen-stukje”