[Dit is het laatste van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Prefect
Ik heb in de vorige vijf blogjes verteld dat de evangelisten, Filon van Alexandrië en Flavius Josephus de voornaamste bronnen zijn voor de loopbaan van Pontius Pilatus. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de man ook een keer, en typeert hem als procurator. Hij was feitelijk prefect. Dat weten we uit bovenstaande inscriptie, gevonden in 1961 in Caesarea Maritima, de residentie van de gouverneur van Judea. Ik heb er al eens over geblogd.
De ene helft van de steen is beschadigd, maar we kunnen de andere helft lezen:
Dit betekent dat Pontius Pilatus, de prefect van Judea, iets heeft hersteld dat Tiberieum heette. Wat dat zou moeten zijn geweest, is vooralsnog onbekend, maar het is aannemelijk dat het een tempel was ter ere van keizer Tiberius.
De Latijnse spreuk waarmee ik dit blogje begin, is de kortste samenvatting van een methodisch principe: één bron is geen bron. Juristen zeggen het ook weleens en bedoelen dan – en ze blijven iets dichter bij de betekenis van het Latijn – dat één getuige geen getuige is. Testis unus testus nullus is een ietwat pedante manier om te zeggen dat je niet alles moet geloven wat je leest.
Als voorbeeld neem ik een uitspraak van de joodse profeet Amos, die schrijft dat de Ammonieten (een stam in het huidige Jordanië) een groep zwangere vrouwen de buik hadden opengereten.nootAmos 1.13. De gebeurtenis staat ook vermeld in het Deuteronomistisch Geschiedwerk, maar de auteur stelt niet de Ammonieten maar de Arameeërs uit Damascus verantwoordelijk voor dit misdrijf tegen de menselijkheid.noot2 Koningen 8.12. Er zijn nu vier mogelijkheden.
Als ik u zeg dat het was in het jaar waarin Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde en als ik uitleg dat wij dat jaar 45 v.Chr. noemen, dan weet u dat u bent beland in een aflevering van het feuilleton “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Alleen gaat het vandaag niet over hem maar over een familielid. Of beter, een soort van familielid.
De gens Julia
Hoe zat het ook alweer met Caesars familie? De gens Julia, de familie Julius, stamde uit Troje, dat was algemeen bekend. Troje heette immers ook Ilion of Ilios, en daarvandaan was het maar een kleine stap naar Julius. Duidelijke zaak. Mythologisch dan. We zijn op historisch betrouwbaarder grond als we constateren dat de familie behoorde tot de aloude aristocratie, het patriciaat, en dat rond 115 v.Chr. een dochter Julia trouwde met Gaius Marius, een aanstormend talent, afkomstig uit de provincie. Marius zou niet minder dan zeven keer het consulaat bekleden. De broer van Julia, en de zwager van Marius, was de vader van Julius Caesar.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
Kalkriese, waar sporen zijn gevonden van de slag in het Teutoburgerwoud
Wat er in een antieke tekst staat: het is maar hoe je gewend bent te lezen. Een archeoloog leest anders dan een classicus, die weer anders leest dan een oudhistoricus. Ik bedoel nu niet dat de classicus de tekst leest in de originele taal en nuanceringen herkent die zijn collega’s niet zien. Het gaat me om een wezenlijker punt. Ik zal het illustreren met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.
In zijn Annalen, gepubliceerd rond 120 na Chr., blikt hij terug op de regering van keizer Tiberius, een eeuw daarvoor. Generaal Germanicus was bezig met enkele expedities om de veldtekens te heroveren die de Germanen hadden buitgemaakt tijdens de slag in het Teutoburgerwoud:
Ze waren nu niet ver van het Saltus Teutoburgiensis waar, naar men zei, de overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.noot Tacitus, Annalen 1.60.3.
Je kunt niet altijd afgaan op wat concreet waarneembaar is
In het eerste stukje heb ik beschreven dat christendom, zowel nu als vroeger, lastig valt te definiëren. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Dat wat u en/of ik herkennen, is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je, als je in het verleden zaken waarneemt die jij herkent, je eigen noties projecteert op de rest. Simpel gezegd: bisschoppen, bijbels en kerkgebouwen vormen overeenkomsten tussen toen en nu, maar willen nog niet zeggen dat het antieke christendom ook in andere aspecten lijkt op het huidige.
Wél lijkt het erop dat na Constantijn een kerk is ontstaan die lijkt op wat u of ik herkenbaar vinden, maar nog aan het einde van de vierde eeuw was de daar gepredikte orthodoxie niet de enige mogelijkheid. (Tot in de achtste eeuw waren er christenen en joden die dezelfde feestdagen vierden.) Dit moet in de periode vóór Constantijn nog meer dan in de vierde eeuw het geval zijn geweest, maar de eigen teksten van de andersdenkenden zijn niet overgeleverd. We mogen, ja moeten, de vraag stellen wat we mogen verwachten.
Balas en zijn echtgenote Kleopatra (Metropolitan Museum, New York)
In het vijfde boek van Zosimos’ Nieuwe geschiedenis, die u hier online kunt lezen in een Engelse vertaling, is het wonderlijke verhaal te lezen van een zekere Tribigild. Deze Germaanse leider trok eind vierde eeuw na Chr. een tijdje als plunderaar door het westen van Turkije. De schade die hij aanrichtte leidde tot de val van Eutropios, de rechterhand van keizer Arcadius, die niet in staat bleek een antwoord te formuleren op de militaire dreiging. Hij werd kortstondig opgevolgd door een legercommandant die Gainas heette. Deze slaagde er echter niet in zijn macht werkelijk te vestigen – de Synesios over wie ik ooit schreef wijdde kort na 400 een heuse sleutelroman aan de gebeurtenissen – en verdween al snel van het toneel.
Zosimos is er zeker van dat Tribigild en Gainas een overeenkomst hadden gesloten: de eerste zou plunderend rondtrekken, de tweede zou hem geen strobreed in de weg leggen, er zou een crisis zijn en Gainas kon dan de macht overnemen van Eutropios. De vraag is hoe Zosimos dat kon weten, al was het maar omdat ze deze overeenkomst niet van de daken geschreeuwd zullen hebben.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.