MoM | De positivistische misvatting

De binnenkant van de sarcofaag van Simpelveld (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Wat weten we over de hierboven afgebeelde “dame van Simpelveld”? Je kunt het opsommen. Ze woonde in de buurt van het Zuid-Limburgse Simpelveld, want daar is de sarcofaag gevonden. Ze droeg sieraden, want die zijn in de grafkist aangetroffen. Ze werd gecremeerd, want haar stoffelijke resten lagen daar eveneens in. Dit zijn de harde feiten.

Harde feiten: dat was wat de Franse filosoof Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw centraal wilde stellen in de menswetenschappen. Die harde feiten moesten dan worden verbonden in de wetmatige verbanden. Hij noemde deze aanpak “positivisme” en zo is het gekomen dat het wetmatige verklaringsmodel waarover ik vorige week blogde wordt aangeduid als “positivistisch”. Ook de nadruk op waarneembare feiten wordt aangeduid met deze uitdrukking. Wat ik opsomde in de eerste alinea zijn dan de positieve feiten over de dame van Simpelveld.

Het lijkt op het eerste gezicht verstandig vooral te kijken naar de concrete feiten, maar er zitten diverse addertjes onder het gras. Eén daarvan is dat niemand van ons ooit een oudhistorisch feit heeft gezien. Het moet worden gededuceerd uit de “neerslag”: de bronnen die erover zijn geschreven, de vondsten, eventueel de wél waarneembare gevolgen. Een feit is dus een reconstructie, wat niet wil zeggen dat je er niet op mag vertrouwen dat, pakweg, Cheops een piramide heeft laten bouwen en dat de Atheners de Perzen hebben verslagen bij Marathon.

Een tweede probleem is dat er meer feiten zijn geweest dan we kunnen reconstrueren. Als ik Romes Germaanse Oorlogen reconstrueer, beschik ik over enkele bronnen: Cassius Dio beschrijft de campagnes van 12, 11, 10 en 9 v.Chr., Velleius Paterculus die van 5, 6 en 10 n.Chr., en Tacitus vermeldt die van 3 v.Chr. en 14, 15 en 16 n.Chr. Pak een willekeurige historische atlas en u ziet die campagnes ook keurig afgebeeld. Lees een boek als Bosman & Lenderings De rand van het Rijk en u leest wat er in de bronnen staat, met een commentaartje erbij. Het probleem is dat er méér moet zijn gebeurd en dat we het niet weten. De fout die Bosman en ik maakten is dat we ons beperkten tot dat wat we (vrij) zeker wisten. Dat staat, met een woord van de Britse archeoloog Anthony Snodgrass, bekend als de positivistische misvatting.

Je zou minimaal ook moeten speculeren over wat niet is overgeleverd: de known unknowns. Een deel daarvan is verantwoord. Ik durf wel voor mijn rekening te nemen dat de nabestaanden van de dame van Simpelveld rijk zijn geweest, want anders kon je zo’n unieke sarcofaag niet laten maken. Ze zal ook wel in een groot landhuis hebben gewoond, waar knechten en slaven het werk deden. Haar kleren zullen niet goedkoop zijn geweest. Afgaande op de normale demografische gegevens zal ze rond haar vijftiende zijn getrouwd met een man van vijfentwintig en had ze zes kinderen, waarvan er drie moeten zijn overleden voor hun moeder.

Deze speculaties zijn verantwoord omdat we de dame van Simpelveld kunnen vergelijken met mensen uit haar eigen tijd en haar eigen omgeving. We hebben echter meer vragen. Een simpel voorbeeld: kon deze vrouw beschikken over haar eigen bezittingen? Nu wordt het lastiger. Wat we denken te weten van het Romeinse Recht is gebaseerd op het Corpus Juris, een verzameling die in de zesde eeuw is aangelegd in het vroege Byzantijnse Rijk. De juristen baseerden zich op een oudere collectie, die was samengesteld in Beiroet, nutrix legum. Die was weer gebaseerd op het recht zoals het in de vroege derde eeuw had gegolden in Italië.

Je kunt zeggen dat het Corpus Juris relevant is voor de Lage Landen omdat het beter is dan niets. Je kunt ook een vergelijking maken: deze tekst benutten voor de dame van Simpelveld is zoiets als uitspraken doen over de juridische status van pakweg Judith Leyster aan de hand van een in 1870 gemaakte samenvatting van het Italiaanse privaatrecht uit de vroege achttiende eeuw. Of om een ander voorbeeld te geven: het is zoiets als een film maken over de Friese vorst Radboud en de lacunes in je kennis te vullen met Vikingsaga’s en Griekse mythen over Amazones. Ik zou geneigd zijn dit niet te beschouwen als speculatie maar als flauwekul.

[Dit was een toelichting op iets wat ik eerder schreef.

Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

24 gedachtes over “MoM | De positivistische misvatting

  1. roepers

    Ik vind het eigenlijk onverantwoord om met normale demografische gegevens uitspraken te doen over het leven van bepaalde persoon. Gemiddelden zeggen nooit iets over een bepaald individu. Als we niets wisten over jou en mij en dat zouden ingevuld met wat gangbaar is dan kun je redelijkerwijs veronderstellen dat we wel een kantoorbaan hebben gehad en voor het dagelijks vervoer veelvuldig onze auto hebben gepakt. Dus niet! Die dame in dat graf was absoluut geen gemiddelde en zal ook wel een uitzonderlijk leven hebben gehad dat sterk zal hebben afgeweken van wat maar verondersteld wordt op wat doorgaans meent aan te treffen. Demografische statistieken gaan nooit nooit over het leven, maar deze veronderstellingen betreffen wel het leven van een individu.

  2. FrankB

    “Een deel daarvan (speculaties – FrankB) is verantwoord.”
    Ik heb enig bezwaar tegen deze formulering. Ze suggereert een scherpe scheidslijn tussen verantwoorde en onverantwoorde speculaties. Die is er niet. Zelfs de beste speculatie is nog voor een klein deel onverantwoord en de wildste speculatie heeft nog een kleine kans correct te zijn.

    “Ik zou geneigd zijn dit niet te beschouwen als speculatie maar als flauwwkul.”
    Ik ben nogal tegenstrijdig in dit opzicht. Aan de ene kant houd ik van duidelijkheid, dus van stelligheid. Dan weet iedereen waar je staat en waar je het over hebt. Aan de andere kant besef ik dat we altijd in ons achterhoofd moeten houden dat we er naast kunnen zitten. Hoe wilder de speculatie hoe groter de kans.

      1. FrankB

        Ik vermoedde al dat je dat dacht.
        Maar dat is niet zo met alle menselijke kennis. Ik ben er bijvoorbeeld heel erg zeker van dat ik me op dit moment niet in Amsterdam, Nld. bevindt.

  3. Het moment dat speculaties flauwekul worden is op het miment dat er nieuwe feiten ook nieuwe speculaties geven.

    Al geloof ik dat zelfs een tijdmachine geen oplossing zal geven voor een juiste blik op onze geschiedenis.
    We zullen altijd een vertekening vanuit de huidige tijd overhouden.

    Vriendelijke groet,

  4. Is het niet zo dat ook feiten worden geïnterpreteerd? Het is maar net wie er naar die feiten kijkt, en wanneer. Ik sluit me aan bij Rob Alberts: we zullen altijd een vertekening vanuit de huidige tijd -welke huidige tijd dan ook- blijven houden. De tijd waarin je leeft kleurt de interpretatie.

    1. FrankB

      Ja, dat is wat JL eigenlijk zegt met “Een feit is dus een reconstructie”. Maar daarom is het nog wel zinnig om onderscheid te maken tussen feit, conclusie, hypothese enz.

  5. jan kroeze

    Jona, gewoon goede blog. De feiten kloppen. Maar positivisme is niet het hele verhaal, ik heb bv. nog nooit een atoom gezien. Theoretiseren is ook belangrijk, onder voorwaarde dat je verder blijft zoeken naar onderbouwing

  6. Rob van Dam

    Wat ik me bij de eerste alinea afvraag: hoe weten we dat de aangetroffen resten afkomstig zijn van de afgebeelde vrouw? Hard feit of aanname?

  7. Jeroen

    Fout die we maakten bij Rand van het Rijk?
    Verander dat eens snel in ” waar achteraf nog ruimte was voor verbetering bij het schrijven van De Rand van het Rijk” ;)!

    Het is een waardevol overzichtswerk dat ik met plezier las. En jullie combineerden historische met archeologische bronnen…nog stééds niet bij iedereen standaard praktijk danwel gesneden (peper-)koek helaas!

  8. Roger van Bever

    “Een tweede probleem is dat er meer feiten zijn geweest dan we kunnen reconstrueren.”

    De bekende Britse historicus E. H. Carr schrijft in zijn onvolprezen boek ‘What is History’ (1961) dat in de 19e eeuw vooral westerse historici aan een empirisch, positivistisch wereldbeeld vasthielden dat gebaseerd was op een ‘cultuur van feiten’ en historische feiten aan elkaar verbonden en daarmee een ‘objectief’ beeld construeerden dat ‘objectief’ was, accuraat en onafhankelijk van welke mening dan ook. Hij onderscheidt twee soorten historische feiten: ‘facts of the past’ (dat zijn alle feiten die in het verleden hebben plaats gevonden, maar niet belangrijk zijn) en ‘historical facts’ (dat zijn feiten waarvan de historici beslist hebben dat ze historisch wel belangrijk zijn). Hij is van mening dat dit leidt tot slechte geschiedschrijving omdat het de historici zelf zijn die selectief bepalen welke ‘facts’ of the past’ er gepromoveerd worden tot ‘historical facts’. Dit gebeurt (bewust of onbewust op basis van vooroordelen en/ of een bepaalde ‘agenda’ waardoor soms geschiedvervalsing plaatsvindt.
    Hij is van mening dat geschiedenis een ‘continu proces dient te zijn van tussen de historicus en de feiten en het verleden en het heden’. Daarom moet er ook samenwerking zijn tussen de historicus en andere wetenschappen, iets waarop JL ook voortdurend hamert!
    Tevens sluit dat aan bij wat Rob Alberts en Saskia Sluiter zeggen.

  9. eduard

    Kleine correctie, er zijn drie Romes als ik het goed heb, Rome, Constantinopel en Moskou, maar we hebben het over Rome’s oorlogen als ik het goed heb.

  10. A. Harmens

    Ik zou toch niet willen beweren dat rechtsgeleerden als Ulpianus en Papinianus helemaal niets over de derde eeuw kunnen zeggen, omdat ze in een zesde-eeuwse compilatie opgenomen zijn. Natuurlijk kennen normatieve teksten een overlevering die interpretatie dikwijls bemoeilijkt, maar het moet geen excuus om er met een grote boog omheen te lopen zoals veel historici doen.

    1. Het gaat over de extrapolatie naar de provincie. En ik neem aanstoot van het misbruik van het Romeinsrechtelijke teksten, juist omdat ik er wél iets van denk te weten. De gemakzucht stoort me.

      1. A. Harmens

        Met u denk ik ook dat het verschil in toepassing en interpretatie van wetten in de provincie ten opzichte van het centrum inderdaad groot was (Ik ben beter thuis in latere periodes, maar ik denk in dit verband aan Levy’s klassieke studie West Roman Vulgar Law). In zoverre heeft u ook groot gelijk. Wat echter de overlevering van schriftelijke bronnen betreft, de meeste teksten kennen we nu eenmaal uit veel latere tekstdragers. Dat brengt natuurlijk moeilijkheden met zich mee wat betreft de interpretatie van deze teksten, maar het is niet iets specifieks voor het Romeins Recht.

      2. FrankB

        Misbruik is wat sterk uitgedrukt, maar het is volkomen terecht dat je de verborgen aanname “Romeinsrechtelijke teksten zijn onverkort van toepassing in de provincie” blootlegt. Wetenschappelijk skepticisme noopt ons te vragen elke empirische data die aanname nou eigenlijk rechtvaardigen.

  11. eduard

    Soms staan positieve feiten misschien zelfs wel ons inzicht in het verleden in de weg. Bijvoorbeeld, we weten dat er in de oudheid in West Azië en ook in Keltisch Europa naar hartelust met de afgehakte hoofden van verslagen tegenstanders werd gepronkt, als trofeeën, bewijs dat men zijn bijdrage aan het gevecht had geleverd en als bericht aan de volgelingen van de gesneuvelde dat ze hun leider kwijt waren. De Grieken en de Romeinen echter, vonden dit maar een rare gewoonte, dus Herodotus verklaart het afgehakte hoofd van koning Leonidas als een gruwelijk uitzonderlijke maatregel omdat Xerxes er zo de pest in had dat die ferme Spartanen hem in zijn hemd zouden hebben gezet. (als we nu even negeren dat dit een typische Helleense stereotypering is van barbaren als mensen die zich door hun dierlijke wraakgevoelens lieten meesleuren tot het plegen van barbaarse daden, daar wil ik het niet over hebben) Voor velen is de tekst van Herodotus een positief feit, terwijl de aanname dat hier sprake is van de oude Aziatische gewoonte om de hoofden van verslagen tegenstanders te tonen als speculatief wordt afgewezen.

  12. Johan Leestemaker

    Ondanks het pleidooi voor feitelijkheid en de hardheids-test van aangedragen bewijsmateriaal voor het classificeren van verbanden, is het ook goed en denken-stimulerend om te lezen omtrent of oefenen met ‘wat’ had kunnen gebeuren ‘indien’.

    Misschien is het onderwerp hier eerder aan de orde geweest, vergeef me dan mijn onoplettendheid. Zo niet, dan is wellicht de volgende beschouwing van Mark Koyama stimulerend: ¨Could Rome have had an industrial revolution?¨, naar aanleiding van het boek van Helen Dale, Kingdom of the Wicked.

    https://reaction.life/rome-industrial-revolution/

    1. FrankB

      Jawel, zowel men maar expliciet erkent dat dit type speculatie nooit met empirische data ondersteund zal kunnen worden en het kennisgehalte ervan derhalve nogal laag is.

Reacties zijn gesloten.