
De Dode Zee-rollen zijn een van de allerbelangrijkste oudheidkundige ontdekkingen uit de afgelopen eeuw, en binnen deze verzameling van bijna duizend boekrollen springt één tekst er echt uit: Enige Werken der Wet, ook wel bekend als 4QMMT. Niet alleen wordt hier duidelijk wat “werken der Wet” zijn – niet de “goede werken”, zoals Luther dacht, maar een ethnic marker voor wie joods is – maar ook toont deze tekst dat een schisma in de joodse wereld zich voltrok over de wijze waarop iemand zich aan de Wet van Mozes moest houden, de halacha. Anders gezegd: hoe ga je om met de diverse reinheidsvoorschriften, sabbatsregels en spijswetten?
Integratie van de joden in de grotere wereld
Rond het begin van onze jaartelling was de algemene tendens in het jodendom er een naar grotere openheid. Dat is al te vinden in de jongere delen van Jesaja, waar de tempel in Jeruzalem een “huis voor alle volken” heet.noot De vroege hellenistische tijd zag verdere integratie van de Joden in de grotere wereld. Dat veranderde enigszins rond 100 v.Chr., toen de Makkabeeënopstand, die ruim een halve eeuw eerder had plaatsgevonden, werd uitgelegd als verzet tegen de hellenisering – een perspectief dat eerder eigenlijk wat marginaal was geweest en ook na 100 v.Chr. bepaald niet het enige was. Toen koning Herodes de Grote de tempel herbouwde, was er ook ruimte voor niet-joden, al was het op enige afstand.
De wereld van het Nieuwe Testament kent echter wel spanning tussen joods en niet-joods. Ik vind het zelf heel significant dat in het Evangelie van Marcus een legioen kwade geesten zich van een geesteszieke verplaatst naar een toom varkens, die zichzelf vervolgens in een meer verdrinkt.noot Het is moeilijk dit niet als anti-Romeins te lezen, maar het is tegelijk wel de stille spot van mensen die de zaken niet op het spits willen of kunnen drijven. Daarnaast is er in ditzelfde evangelie de vriendelijke conversatie tussen Jezus en een vrouw uit de Fenicische havenstad Tyrus.noot
De in 66 na Chr. uitgebroken oorlog tussen Joden en Romeinen heeft het perspectief geplaatst op de tegenstelling tussen de twee vijanden, wat natuurlijk logisch is. Er waren echter volop andere stemmen. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus zag geen onoverbrugbare tegenstelling, zijn politieke leider Herodes Agrippa II vond samenwerking ook ideaal. Maar assimilatie was voortaan moeilijker, al zie je het in de Mishna terugkeren: de collectie rabbijnse wijsheid is te lezen als een handboek over de wijze waarop joods leven mogelijk was in een wereld zonder Joods politiek gezag.
Paulus
Het is in deze context dat we Paulus moeten plaatsen. En hij heeft de Wet van Mozes óf compleet afgeschaft (als we de Brief aan de Galaten het belangrijkste vinden) óf het belang ervan sterk genuanceerd (volgens de Handelingen van de Apostelennoot). De Eerste Brief aan de Korintiërs bevat een heel duidelijke passage over het eten van vlees dat niet is geslacht volgens de joodse spijswetten, die hij dus minder belangrijk vond:
U mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan waar het vandaan komt. Immers: “Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.” Wanneer een ongelovige u uitnodigt om bij hem te komen eten en u neemt zijn uitnodiging aan, kunt u rustig alles eten wat u aangeboden wordt. Het is niet nodig dat u omwille van uw geweten vraagt waar het vandaan komt.noot
Met deze relativering, of opschorting, of abrogatie, of beëindiging van de joodse spijswetten neemt Paulus bepaald geen ongebruikelijk standpunt in. De Babylonische Talmoed bevat bijvoorbeeld een discussie over het eten van niet-ritueel-geslacht vlees, waarin de vroeg vierde-eeuwse rabbi Abba ben Joseph bar Hama (kortweg Raba) verdedigt dat een jood alle vlees mag eten. De rabbijnen bespreken vervolgens hoe de Joodse koning Josafat had gedineerd bij de afvallige koning van Israël, Achab, en bediscussiëren vervolgens de mogelijkheden dat Josafat wel aanzat maar niet at, of dat hij wel at maar het vlees liet staan. Ze stellen echter vast dat Josafat zich het onreine vlees niet ontzegde, en daarmee is de zaak beklonken.noot
Kortom, Paulus zegt weinig opzienbarends: het relativeren van de Wet past in zijn tijd en past ook in het latere jodendom. Maar, zegt hij, wees tactvol.
Wanneer iemand u er dan op wijst dat u vlees eet dat aan zijn goden is gewijd, laat het dan staan omwille van hem.noot
Dit gaat dus om iemand die meer waarde hecht aan de spijswetten. Je kunt je afvragen, vanuit ons eigen tijdgewricht, of je wel concessies moet doen aan mensen die van anderen verlangen dat ze rekening houden met religieuze voorschriften die de hunne niet zijn. Feit is in elk geval
- dat Paulus rekening wilde houden met mensen die de spijswetten wilden blijven volgen,
- dat zowel de Handelingen van de Apostelen als de Romeinse auteur Plinius de Jongere documenteren dat er nog ruim een halve eeuw christenen waren die de spijswetten serieus namen,noot
- dat uiteindelijk de spijswetten uit het christendom zijn verdwenen,
- dat in de vierde eeuw rabbijnen discussieerden over de vraag bij welke slager een jood z’n vlees mocht halen.
Een schisma voltrok zich in de joodse wereld over de wijze waarop mensen zich aan de Wet van Mozes moesten houden, maar de discussies konden lang duren.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

Handelingen 21.25 lijkt wel meer van uit het heidendom afkomstige gelovigen te eisen.
Met onze studiegroep kwamen wij uit op 300 Bijbelse Geboden die vandaag de dag nog actueel zijn.
https://www.facebook.com/groups/249528648072834/permalink/955147940844231/
“En hij heeft de Wet van Mozes óf compleet afgeschaft (als we de Brief aan de Galaten het belangrijkste vinden) óf het belang ervan sterk genuanceerd (volgens de Handelingen van de Apostelen, 15:20).”
Paulus spoort de volgelingen van Christus op directe en indringende wijze aan om de geboden van de tweede tafel van de Wet na te leven: geen overspel, geen moord, geen diefstal, niet begeren; de naaste liefhebben vervult de Wet (Rom 13.8-10; vgl. Gal 5.14; 1 Kor 7.19). (Paula Fredriksen, Paul. The Pagans’ Apostle, p. 118)
Dikaiosynè heeft voor Paulus een gemeenschapsband: het resoneert met de tweede tafel van de Wet en dus met ideeën over het gedrag van het individu binnen een goddelijk opgelegde en gevestigde gemeenschapscontext van sociale rechtvaardigheid. We kunnen de betekenis van Paulus’ gebruik van “rechtvaardiging”/”gerechtvaardigd worden” en van “geloof’ het beste vatten door te vertalen en te interpreteren met de Tien Geboden in gedachten, met name de tweede tafel van de Wet. (Ibid., p. 121)
N.B.: Paula Fredriksen maakt een onderscheid tussen de eerste vijf geboden van de eerste tafel (‘eusebeia’: eerbied t.o.v. God) en de volgende vijf geboden van de tweede tafel (‘dikaiosynè’: gerechtigheid t.o.v. anderen). Door de verbinding te maken met de decaloog, stelt Paulus zich op één lijn met ideeën van Johannes de Doper en van Jezus. (p. 118)
Toen Paulus’ heidenen standvastig vasthielden aan het goede nieuws dat zijn boodschap bracht (…), hielden ze op hun eigen goden te aanbidden en wijdden ze zich aan de god van Israël via zijn zoon (de reeks ideeën rond πιστεύω, “standvastig zijn”). Door God rechtvaardig gemaakt jegens God, werden ze eveneens pneumatisch in staat gesteld om elkaar recht te doen door rechtvaardig te handelen jegens elkaar – “niet zoals de εθνη die God niet kennen” (1 Tess. 4.5; vgl. Rom. 1.18-32 en 13.13-14, voor “typisch heidens” wangedrag). Hun πίστις in het evangelie (het vertrouwen dat Christus gestorven was, was opgestaan en spoedig zou terugkeren) rechtvaardigde deze voormalige heidenen “als een gave” (χάριτι, “uit genade”), dat wil zeggen, door een eschatologisch fiat van God door Christus. Dienovereenkomstig konden ze nu “de Wet vervullen”, met name de tweede tafel van de Wet, δικαιοσύνη, “rechtvaardigheid/recht jegens anderen”. (p. 121).
Op dezelfde plaats waar Paulus de zonden van het vlees bespreekt waarvan heidense Christus-volgelingen zich hebben ontdaan (Rom 13.13-14), en waar hij dringend spreekt over het naderende einde (13.11-12), somt hij ook de geboden van de tweede tafel op (13.9-10). “Gerechtvaardigde” heidenen, vervuld van de Geest, “hebben vrede met God” (5.1), doordat zij met Hem “verzoend” zijn; aldus verlost van zijn komende “toorn” (5.9-11, vgl. 1 Tess 1.4-5, 9-10; 2 Kor 5.18-21). Gesterkt door hun standvastige toewijding aan en vertrouwen in Christus en, door Hem, aan en in het goede nieuws van Gods komende Koninkrijk, kunnen deze bezielde ex-heidense heidenen nu “juist” handelen jegens hun medemensen in de gemeenschap. Dit is wat Paulus bedoelde met δÌκαιωθέντες ἐκ πίστεως (Rom 5.1), [in NBV 21-vertaling: “rechtvaardig verklaard op grond van geloof”]. (p. 121-122)
Het is dus door over te stappen van de verering van de plaatselijke goden naar de éne God van Israël dat zij in staat zijn om de Wet te vervullen en een leven te leiden in overeenstemming met de Wet. (Gal 5.13-25) Hoewel niet onder de Wet (Gal 5.18), kunnen de geïnspireerde heidenen nu de Wet vervullen. (p. 120)
Ik heb vandaag een reactie weggehaald die in strijd was met onze fascinerende huisregels: het is ongewenst hier eindeloze citaten of gestandaardiseerde opsommingen neer te plempen.
https://mainzerbeobachter.com/2018/09/19/huisregels/
Wie lang van stof wil zijn, kan altijd gastauteur worden en zelf een blogje schrijven.
Onder het pseudoniem Vladimir Langvanstovski. Opvallend dat stukken over de bijbel vaak tot van die eindeloze verhandelingen leiden.
Mensen die weten hoe de wereld in elkaar steekt, hoeven zich niet te houden aan normale omgangsvormen en negeren daarom simpele huisregels.
In verband met de genezing van de bezetene in het gebied van de Gerasenen (Marcus 5) schrijf je: “Het is moeilijk dit niet als anti-Romeins te lezen,”
Is het zo dat het legioen X Fretensis het embleem had van een zwijn? Was dit legioen gelegerd nabij Palestina ten tijde van Jezus?
Als het zo is, is het inderdaad een sterk verhaal waarbij de spot met de soldaten van dit 10de legioen onwillekeurig boven drijft, welke meer diepgaande symbolische betekenissen er ook in werden verwerkt door de auteur.
N.B.: In het nieuwe (bekritiseerde) boek van Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws, bespreekt hij het verhaal In Gerasa waarbij Jezus wordt aangesproken als ‘zoon van de Allerhoogste (5:7). In de taal van de heiden (met onreine geest) is Zeus de allerhoogste, de hoogste god in het Griekse pantheon. De heidense Geraseense man benadert hier Jezus dus als ‘een zoon van Zeus’. “dit impliceert ondubbelzinnig dat Marcus de goddelijke aard van Jezus in gedachten heeft.” (p. 54)
Ook vernemen we in het boek dan men ten tijde van Jezus een tempel aan het bouwen was in Gerasa gewijd aan Zeus Olympios. Die tempel was bijna af. (p. 52)