Kobarid

Theo Toebosch, de auteur van het vorige maand verschenen boek Kobarid. Het dorp met te veel geschiedenis, woont bij me om de hoek. Af en toe halen we op de markt koffie en bespreken we het reilen en zeilen van oudheidkundig Nederland. Een paar jaar geleden, in de tijd waarin Toebosch werkte aan zijn boek over de eerste soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren gesneuveld, De eerstgevallenen, vertelde hij me dat hij in Slovenië was geweest in een dorp met een voetbalteam dat in twee jaar in drie verschillende nationale competities had gespeeld. Zijn liefde voor Kobarid was geboren. De afgelopen negen jaar moeten Toebosch en zijn vrouw zeker 45.000 kilometer hebben afgelegd, op en neer reizend naar het Sloveense dorp. (Eén van de vruchten heeft u al eens kunnen plukken.)

Ik was, om eerlijk te zijn, altijd wat verbaasd over Toebosch’ fascinatie. Nu ik Kobarid. Het dorp met te veel geschiedenis heb gelezen, begrijp ik die echter helemaal. Over dat voetbalelftal vernemen we weinig, maar de rest van het verhaal is heel erg boeiend. Dat ik de materie zo onderschatte, verraadt ongetwijfeld mijn West-Europese, stedelijke vooringenomenheid tegenover het voormalige Oostblok en het leven in een dorp. Toebosch stelde me dus in het ongelijk.

Lees verder “Kobarid”

Partizanen, communisten en bunkers

Standbeeld voor Mujo Ulqinaku, Durrës

Ik houd niet van de monumenten waarmee de gevallen helden doorgaans worden geëerd. Strijdbare opschriften roepen van alles, terwijl je weet dat geen enkele sneuvelende soldaat ooit heeft gedacht aan koning of vaderland. Zo’n arme drommel verging van de pijn, zal zijn commandanten hebben vervloekt en aan zijn gezin hebben gedacht. Wat het “veld van eer” heet is een stinkende poel van zand, schroot en bloed. Dáárvoor een monument oprichten – ik begrijp waarom het gebeurt maar ken slechts een paar geslaagde kunstwerken.

Dit is er een. Het staat in Durrës en stelt Mujo Ulqinaku voor, de Albanese majoor Landzaat. Hij is gesneuveld toen de Italianen op 7 april 1939 Albanië binnenvielen.

De Italianen hadden al eens eerder geprobeerd het land te veroveren. In de zomer van 1920 waren ze echter verjaagd en Mussolini had het getypeerd als een regelrechte nederlaag. Negentien jaar later, kort nadat de Duitsers Tsjechoslowakije hadden bezet, meende de Duce dat de tijd was gekomen om de smaad uit te wissen en hij zorgde ervoor dat hij kon beschikken over 400 vliegtuigen, 22.000 soldaten en een reserve van nog eens 78.000 man. Dat is nogal veel om een land te bezetten waar op dat moment een miljoen mensen woonden en dat een leger had van 8.000 man.

Lees verder “Partizanen, communisten en bunkers”