Dood in Triëst (2)

Cenotaaf van Winckelmann (Triëst)

[Dit is het tweede en laatste van mijn stukjes over de dood van Winckelmann, de grondlegger van de kunstgeschiedenis. Het eerste is hier.]

De relatie tussen Winckelmann, die in Italië verbleef, en zijn Duitse vaderland was niet optimaal. De keurvorst van Saksen, die hem ooit een jaargeld ter beschikking had gesteld om in Italië te studeren en kunst aan te kopen voor het museum in Dresden, had dat ook weer ingetrokken en hoewel de geleerde snel genoeg nieuw emplooi had gevonden, voelde hij zich niet op waarde geschat. Een sollicitatie in Pruisen was afgesprongen op de spaarzaamheid van Frederik de Grote (of de hoge looneisen van de oudheidkundige). Maar in 1768 besloot Winckelmann. eenenvijftig jaar oud, de reis over de Alpen te maken.

Lees verder “Dood in Triëst (2)” →

Dood in Triëst (1)

Mengs’ portret van Winckelmann

Dertien jaar geleden: ik was op weg naar Rome, of eigenlijk Ostia, waar ik gedurende een paar weken wilde werken aan een boek. Het werd een gouden tijd, onvergetelijk doordat AS Roma landskampioen werd. De pret begon echter al op de heenweg: we reden om over Udine omdat we naar het eiland Krk wilden. Niet dat er iets is te zien, maar mijn reisgenoot en ik waren als kind, bladerend door de atlas, al gefascineerd geraakt door een plaatsnaam zonder klinker.

Tenzij u kikt op zwaarlijvige Duitsers die in een te kleine zwembroek op een scooter over de boulevard crossen, kan ik u Krk niet aanraden. Triëst des te meer. Het is de laatste Italiaanse stad voor je Slovenië binnenrijdt. De Porto Vecchio, het Romeinse amfitheater en de witte wijn bij de lunch schieten me als eerste te binnen, maar we kwamen voor het graf van Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), de grondlegger van de kunstgeschiedenis.

Lees verder “Dood in Triëst (1)” →

Kapitalisme

Een zestiende-eeuwse munt als gevelsteen (Zandhoek 14, Amsterdam)

In de Middeleeuwen gold het maken van winst als zondig. De scholastieke filosofen wezen erop dat het niet te rechtvaardigen is dat iemand die bijvoorbeeld een brood over heeft, aan een hongerende voor dat brood geld vraagt. (Vandaar dat de kerk leerde dat het armen was toegestaan brood te stelen.) Hoe de koopman, die toch weinig kwaads in de zin had, in de hemel kon komen, was een berucht filosofisch probleem.

De grote reformator Johannes Calvijn (1509-1564) negeerde het in zijn moraaltheologische geschriften: hij ging er niet van uit dat handel gerechtvaardigd moest worden, maar zocht naar wegen om de schadelijke effecten te beperken. Dit maakte de weg vrij voor het kapitalisme. Toen het Calvinisme tegen het einde van de zestiende eeuw voet aan de grond kreeg in de Lage Landen, ontstond daar de eerste zuiver kapitalistische economie.

Lees verder “Kapitalisme” →

Job in Drenthe

Achtendertig nachten moet het niet hebben van zijn originele plot. Een man wordt vermoord, zijn echtgenote wordt gearresteerd en overdenkt in de cel wat haar heeft aangezet tot haar gruwelijke daad. Het grootste deel van Janne IJmkers eerste roman bestaat zo uit een afwisseling van beschrijvingen van het leven in de gevangenis en lange flash-backs naar jeugd, pubertijd en mislukt huwelijk van de moordenares. Wanneer het vonnis wordt voltrokken, heeft ze voldoende inzicht verworven om er vrede mee te hebben.

Zo zijn meer levensbiechten geschreven. Wat Achtendertig nachten tot een bijzonder boek maakt, zijn de plaats, tijd en authenticiteit van het misdrijf. De beschreven gifmoord heeft in 1767 werkelijk plaatsgevonden in het Drentse Doldersum, en IJmker heeft haar boek gebaseerd op de processtukken die ze raadpleegde in het Drents Archief te Assen. Het resultaat is niet alleen een overtuigend portret van de moordenares, Elsjen Roelofs, maar ook een panorama van het harde boerenleven van die tijd. Als zodanig doet het denken aan (bien étonnées de se trouver ensemble) Casanova’s Histoire de ma vie: een caleidoscopisch beeld van het leven in de achttiende eeuw, vervaardigd door iemand met wie je sympathiseert zonder dat je zijn moraliteit zou willen delen.

Lees verder “Job in Drenthe” →