Een metafoor voor het verleden

Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)

Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.

Groei, bloei en neergang

De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.

Lees verder “Een metafoor voor het verleden”

Heldenstrijd om de polen

Een vriendin woonde lange tijd in de Franklinstraat in Amsterdam-West. Steeds als ik het straatnaambordje zag, moest ik denken aan John Franklins zoektocht naar de Noordwestelijke Doorvaart. Ooit hadden West-Europeanen gedacht dat Oost-Azië eenvoudig te bereiken was door noordelijk om Canada of Rusland te varen, maar het was al snel duidelijk geworden dat daar te veel ijs lag. De poolkap zou moeten smelten om de route economisch rendabel te krijgen. Desondanks vertrok Franklin in 1845. Er werd nooit meer van hem vernomen.

Op zoek naar Franklin

Nieuwe expedities volgden, niet om alsnog te leren hoe je snel naar Japan of China kon varen, maar om te ontdekken wat Franklins lot was geweest. Op een zeker moment waren elf Britse en twee Amerikaanse schepen actief, plus twee expedities die zochten vanaf het land. Ondanks deze inzet ontstond pas in 1854 duidelijkheid toen Inuit vertelden dat een groep zeelieden het Canadese vasteland had bereikt en zuidwaarts was getrokken, hongerend en uiteindelijk terugvallend op kannibalisme. Dat het werkelijk ging om leden van de Franklinexpeditie, werd bewezen toen de speurders een stuk hout aantroffen waarop “Erebus” stond, de naam van een van Franklins schepen.

Lees verder “Heldenstrijd om de polen”

Dauwtrappen

Op blote voeten door het bedauwde gras lopen: het “dauwtrappen” dateert uit pakweg de achttiende eeuw. De oorsprong ligt echter vroeger. Net als andere feesten die afhankelijk zijn van de jaarlijks verschuivende paasdatum, valt Hemelvaart (veertig dagen na Pasen) in de lente. En dat roept associaties op met oude lente- en vruchtbaarheidsfeesten.

Het begin

Maar toch. Het mag dan logisch zijn een lijn te veronderstellen tussen het achttiende-eeuwse dauwtrappen en de Germaanse lente- en vruchtbaarheidsfeesten, daarvan kan niets aangetoond worden. Los daarvan is er de retorische vraag of in het geheugen van de achttiende-eeuwers nog iets van een dergelijk Germaans feest was blijven hangen. De aanname dat het dauwtrappen heidense wortels had, lijkt een verzinsel uit de Romantiek. Zo schreef onderwijzer en amateur-historicus Jan ter Grouw in hoofdstuk 7 van zijn vuistdikke De volksvermaken (1871):

Zonderling gebruik! ’t herinnert ons aan het heenstromen onzer voorvaderen naar de heilige wouden om vreugde te bedrijven, nu eens op de algemeene godsdienstfeesten, dan weer op de bijzondere feestdagen van den beschermgod van gouw, heem, marke of dorp. Toen die wouden er niet meer waren, en ’t volk wel gekerstend maar niet veranderd was, bleven toch de oude gewoonten voortduren.

Ter Grouw vermeldt voor deze claim geen bron. Je kunt weliswaar veronderstellen dat de dauwtrapgewoonten niet uit de lucht zijn komen vallen, maar je kunt tevens stellen dat het begin van de lente überhaupt uitnodigt tot feestelijkheid. Marianne van Zuijlen (Meertens Instituut) maakt in een artikel korte metten met een veronderstelde oeroude oorsprong van het dauwtrappen:

Over de achtergrond van het massaal naar buiten trekken van de mensen is geen betrouwbare informatie beschikbaar.

Frustrerend, maar het is niet anders.

Bijgeloof, huwelijk en vermaak

Bij het dauwtrappen zijn drie niet duidelijk te scheiden begrippen van belang: bijgeloof, het vinden van een huwelijkspartner en vermaak.

Wat bijgeloof betreft: ooit geloofde men dat de ochtenddauw een magische, helende en beschermende werking had. Vandaar dat het met blote voeten moest worden betreden. Dauw zou helpen tegen huidaandoeningen, met name dauwworm, voetschimmel, zomersproeten, ouderdom en andere onreinheden. Bovendien zou dauw de schoonheid bevorderen. Ze zou het meest effectief zijn met Walpurgis (1 mei) en Sint-Jan (24 juni), beide data die in verband staan met lente en vruchtbaarheid. Het dauwtrappen werd oorspronkelijk op 1 mei gehouden, daarna op de eerste zondag in mei.

Dauwtrappen in de achttiende eeuw

Het dauwtrappen was tevens een gelegenheid waarbij jongens en meisjes elkaar ontspannen konden ontmoeten en eventueel een huwelijkspartner konden vinden. Deze functie is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Dicht bij die functie ligt ook het volksvermaak. Joost Hiddes Halbertsma schreef in de Overijsselsche Almanak van 1836:

Op den morgen van Hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever- en brandewijn-flesschen in den zak, en na zich onder de boomen en prieëlen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan.

Dat men wel vóór de vroegmis terug moest zijn, heeft niets te maken met het feit dat de kerkelijke viering in het verlengde zou liggen van het dauwtrappen, maar het was wel zo gepast. Bij het moderne dauwtrappen is het vaak nog gewoonte om na het gebeuren het café te bezoeken. Halbertsma vervolgt:

Ook de meisjes zijn bij dit dauwtreên! Nu, dit laat zich begrijpen; de meisjes blijven niet graag t’huis, en de knapen willen haar wel bij zich hebben.

Tenslotte citeert Ter Gouw de Gelderschen Volksalmanak van 1858 met de niets aan de fantasie overlatende zin: “Rumoer en spektakel – tegen den avond het halve dorp dronken.”

Processies

De eerdergenoemde Marianne van Zuijlen verklaart het ontstaan van het dauwtrappen, naast het bijgelovige aspect, uit de gewoonte om met Hemelvaart processies te houden. Deze processie zouden dan weer hun oorsprong vinden in smeekprocessies die in de vijftiende eeuw gehouden werden voor het bezweren van zware epidemieën.

Op bepaalde plaatsen vonden dan rondritten en brooduitdelingen voor de armen plaats. Wat later ontstonden er echter carnavalachtige toestanden. Nog steeds zijn er in het oosten en zuiden van ons land dauwtrapevenementen, bijvoorbeeld in Mariahout en Liempde, die een processieachtig karakter hebben en waarbij de plaatselijke fanfare een grote rol speelt.

Dauwtrappen en antroposofie

Het hedendaagse dauwtrappen is dus al met al een “invented tradition”, waarbij commercie een grote rol speelt. Slogans als “mindful dauwtrappen” zijn geen uitzondering. Gezelligheid staat voorop en in plaats van de benenwagen nemen velen de fiets. Een levensbeschouwelijke stroming die wat dauwtrappen betreft terug wil gaan naar het begin is de antroposofie en specifiek haar christelijke tak, de Christengemeenschap, met haar nadruk op de jaarfeesten en de vier elementen. De lente zou de maand van het water zijn en de gedachtegang is poëtisch:

De kringloop van het leven wordt in stand gehouden door de kringloop van het water, dat in mei zijn eigen hemelvaart begint [verdampt, opstijgt en als regen weer neerslaat – HO]. In de voorchristelijke natuurreligies beleefden de mensen dit geheel van beweeglijke en veranderlijke levenskrachten als vrouwelijk. Ze personifieerden dit levensgeheel als de levenschenkende “godin”, die vooral in mei werd vereerd.

Aldus Tineke Croese in het Antroposofie Magazine, maart 2016. Natuurlijk is ook dit een “invented tradition”, maar wel een die serieus de oorsprong en zin van het gebruik zoekt.

[Een postume bijdrage van de vorig jaar overleden Hans Overduin.]

Een treurig monumentaal bestaan

Het monument van Joan Derk van der Capellen tot de Pol (Rome; foto T. ter Bogt)

Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) wordt wel gezien als de grondlegger van de patriottenbeweging. Van deze Gelders-Overijsselse baron is onlangs een biografie verschenen, geschreven door Luc Panhuysen. Of hij daadwerkelijk een echte democraat was dan wel een typische vertegenwoordiger van de Verlichting laat ik hier maar in het midden: Panhuysen heeft daar zo zijn ideeën over (zo meldt de recensent van de NRC op 6 december j.l.) en ik heb nog geen tijd gehad om de biografie te lezen.

Van der Capellen is niet echt oud geworden: tweeënveertig jaar slechts. Na zijn dood (nog geen drie jaar na het verschijnen van het beroemde pamflet Aan het Volk van Nederland) werd hij begraven in een familiegraf in Gorssel, maar de Oranjeklanten namen alsnog wraak op deze patriot door eerst het familiewapen op het monument te vernielen, en daarna in de nacht van 6 op 7 augustus 1788 het hele grafmonument met buskruit op te blazen. De stoffelijke resten van Joan Derk en zijn echtgenote waren toen al in veiligheid gebracht: kennelijk rook de familie onraad nadat het familiewapen was gemaltraiteerd.

Lees verder “Een treurig monumentaal bestaan”

De Patriotten in Drenthe

Oproer te Meppel (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)

Op een vergadering van het college van Drost en Gedeputeerden, het dagelijks bestuur van de Landschap Drenthe, werd in de namiddag van 7 november 1785 een brief voorgelezen van Lucas Nysingh, schultes te Diever.

Drenthe had geen zitting in de Staten-Generaal, was niet één van de zeven provinciën, maar betaalde wel 1% van de generaliteitslasten, in verhouding tot het aantal inwoners en hun vermogen een bovenproportioneel aandeel. Anders dan de generaliteitslanden Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Westerwolde, had het in 1594, na de hereniging van Groningen met de Unie, wél zijn autonomie behouden. Stad en Lande van Groningen waren toen wel weer als volledig lid van de Unie geaccepteerd.

Lees verder “De Patriotten in Drenthe”

Het Victorielied (3): Pieter ’t Hoen, Burger van Frankryk

Pieter ’t Hoen

[Het laatste van Saskia Sluiters drie blogjes over de Patriottentijd. Het eerste was hier.]

Toets de naam ’t Hoen in op de website Wiewaswie en je vindt er honderden. Purmerend, Alblasserwaard, Rotterdam, Haarlem, Delft, Amsterdam: ’t Hoen, ’t Hoen en nog eens ‘t Hoen. Toch is er eigenlijk maar een die voor de “Burger van Frankrijk” in aanmerking komt, en dat is de Utrechtse patriot Pieter ’t Hoen. Ook hier ben ik weer schatplichtig aan iemand die diep in een aspect van ’t Hoens veelkleurige leven is gedoken: P.J.H.M. Theeuwen Pieter ’t Hoen en de post van den Neder-Rhijn (1781-1787). Een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw (Uitgeverij Verloren).

Pieter ’t Hoen

Pieter ’t Hoen werd op 18 oktober 1744 in de in Catharinakerk in Utrecht Nederduits Gereformeerd gedoopt. Zijn vader Reinier handelde in kruidenierswaren en kaas. Pieters moeder heette Johanna Hendrika Masman. Het gezin was niet onbemiddeld en Pieter kreeg een prima opleiding aan de Latijnse Hiëronymusschool. Het was de bedoeling geweest dat hij dominee zou worden.

Lees verder “Het Victorielied (3): Pieter ’t Hoen, Burger van Frankryk”

Het Victorielied (2): Willem V

Willem V

[Tweede van Saskia Sluiters drie blogjes over de Patriottentijd. Het eerste was hier.]

“eenen gedugten en vooral actieven vijand”

De achttiende eeuw werd geplaagd door een groot aantal oorlogen. De ene was nog niet uitgewoed of de volgende stond alweer op uitbreken, en uiteraard kreeg de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden daar ook een deel van mee. De schatkist had er dermate onder te lijden dat er in geen tijden meer was geïnvesteerd in het leger en de oorlogsvloot. Integendeel: er was alleen maar op bezuinigd. Vandaar dat de Republiek nauwelijks een vuist kon maken toen ze in 1780 voor de vierde keer in oorlog met Engeland geraakte.

Voorheen was Frankrijk de gevaarlijkste vijand geweest. Langzamerhand was de dreiging echter naar Engeland verschoven. Dit bracht stadhouder Willem V (1748-1806) in een lastig parket, want de dynastieke banden van het Oranjehuis met Engeland waren innig. Willem II, III en IV hadden ieder een telg uit het Engelse koningshuis als bruid gehad. De moeder van stadhouder Willem V was de Engelse prinses Anna van Hannover. Hijzelf was getrouwd met prinses Frederica Sophia Wilhelmina, ofwel Wilhelmina van Pruisen (1751-1822). Ze was de dochter van August Willem van Pruisen, uit het huis Hohenzollern, en Louise Amalia van Brunswijk-Wolffenbüttel. De Frederik Willem van Pruissen op de titelblad van het Victorie-lied was haar broer. Ferdinand van Brunswijk was een volle neef van Wilhelmina. Net als Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolffenbüttel, de voogd en opvoeder van Willem V, die nog tot in 1784 als een soort schaduw-stadhouder fungeerde. Willem V volgde de adviezen van ‘Dikke Ernst’ meestal blind op.

Lees verder “Het Victorielied (2): Willem V”

Het Victorielied van 1792

Het Victorielied

“Neem maar mee”, zei de vriend, terwijl hij me een mapje overhandigde. Er zat van alles in: deel twee van een vaderlandse geschiedenis voor het lager onderwijs van D. Prop, een lijst met koosjere producten uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, een socialistische studie over de arbeidsverhoudingen tijdens het graven van het Noordzeekanaal uit 1976, een EHBO-boekje… Van alles en nog wat. Er zat ook een pamfletachtig geschriftje uit MDCCXCII bij. 1792. Dat had natuurlijk onmiddellijk een belletje moeten doen rinkelen. Maar zoals dat gaat: er waren ander zaken aan de orde en in de drukte van alledag kwam het mapje op een stapel te liggen. Daar kwam ik het onlangs weer tegen.

Het Victorie-lied voor Frederik Willem Koning van Pruissen en Ferdinand Hertog van Brunswijk door ’t Hoen, Burger van Frankrijk, is een doorlopend, sarcastisch hekeldicht van vierentwintig pagina’s – twaalf bladen dus – gevat in een pamflet van 13 x 20 x 0,2 cm en gedrukt op stevig lompenpapier. ’t Hoen gaat er met gestrekt been in:

Lees verder “Het Victorielied van 1792”

Eise Eisinga (4)

Het Planetarium van Eise Eisinga

[Laatste deel van Truus Pinksters beschouwing over Sandra Langereis’ boek Machineman. De tijden van Eise Eisinga (2024). Het eerste deel was hier.]

Maar in de herfst van 1802 kwam aan al deze democratische ontwikkelingen plompverloren een einde: op bevel van consul Napoleon werd in Nederland de klok geheel teruggedraaid: de in 1795 naar huis gestuurde jonkers konden de oude oligarchie overal ongehinderd in ere herstellen.

Eise probeert zich dan, natuurlijk gedesillusioneerd, maar ondanks alles toch energiek nuttig te maken in de moeilijke wereld van de politiek. Hij keert terug naar het bestuur van zijn woonplaats Franeker. Nu niet gekozen, maar van hogerhand benoemd.

Lees verder “Eise Eisinga (4)”

Eise Eisinga (3)

Eise Eisinga (collectie Rijksmuseum)

[Derde deel van Truus Pinksters beschouwing over Sandra Langereis’ boek Machineman. De tijden van Eise Eisinga (2024). Het eerste deel was hier.]

En zo komen we bij die roerige jaren tachtig. Sandra Langereis begint dit deel van de biografie zo mooi:

De jaren tachtig van Eises eeuw waren mooi van lelijkheid. Alles begon te kieren en te scheuren in Nederland toen Engelse oorlogsschepen ervoor zorgden dat de overzeese handel vanuit de Hollandse havens onderuitging en Willem V als opperbevelhebber te land en ter zee weigerde daar iets aan te doen. (…) Zijn gedrag gaf vleugels aan de patriottenbeweging, die zich sterk ging maken voor inspraak van burgers in de politiek. De bodem viel weg onder de oude politiek in Nederland vanaf het moment dat in 1775 de grote indruk makende Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uitbrak… (p.169)

Burgers roeren zich, men wil meer democratie in stads- provincie- en landsbestuur. En Eise was een van hen. En Franeker was een echte patriottenplaats. (Anders dan nu was patriot dus een aanduiding voor progressieve lieden, anti-orangisten, mensen die invloed wilden in hun stadsbestuur en de prins van Oranje, Willem V, weg wilden hebben.)

Lees verder “Eise Eisinga (3)”