Kapitalisme

Een zestiende-eeuwse munt als gevelsteen (Zandhoek 14, Amsterdam)

In de Middeleeuwen gold het maken van winst als zondig. De scholastieke filosofen wezen erop dat het niet te rechtvaardigen is dat iemand die bijvoorbeeld een brood over heeft, aan een hongerende voor dat brood geld vraagt. (Vandaar dat de kerk leerde dat het armen was toegestaan brood te stelen.) Hoe de koopman, die toch weinig kwaads in de zin had, in de hemel kon komen, was een berucht filosofisch probleem.

De grote reformator Johannes Calvijn (1509-1564) negeerde het in zijn moraaltheologische geschriften: hij ging er niet van uit dat handel gerechtvaardigd moest worden, maar zocht naar wegen om de schadelijke effecten te beperken. Dit maakte de weg vrij voor het kapitalisme. Toen het Calvinisme tegen het einde van de zestiende eeuw voet aan de grond kreeg in de Lage Landen, ontstond daar de eerste zuiver kapitalistische economie.

Het voornaamste theoretische werk over het kapitalisme moest toen nog geschreven worden. In An enquiry into the nature and causes of the wealth of nations (1776) beweerde de Schotse moraalfilosoof Adam Smith (1723-1792) dat het streven naar winst een positieve eigenschap is (iets wat Calvijn niet had beweerd). Immers, winstbejag leidde tot concurrentie, concurrentie leidde tot investeringen in effectievere technieken, en deze investeringen leidden tot grotere welvaart.

Het denken van Smith doet op veel punten denken aan dat van de grootste criticus van het kapitalisme, de Duitse journalist, socioloog, econoom en politicus Karl Marx (1818-1883), die erop wees dat winsten terugvloeiden naar een steeds kleinere klasse van investeerders, terwijl degene die het eigenlijke werk deden, verarmden. Vroeg of laat, zo voorspelde hij, zouden de sociale gevolgen onbeheersbaar worden en zouden de proletariërs de kapitalistische samenleving gewelddadig omverwerpen. Heel prudent hebben de industriemagnaten nadien concessies gedaan.

Niet minder interessant is de kritiek van de Amerikaanse econoom Thorstein Veblen (1859-1929), die erop wees dat concurrentie juist niet leidde tot efficiëntere productie. Immers, een ondernemer kan alleen winst maken als er sprake is van frictie in het distributieproces en heeft dus belang bij het voortbestaan van onregelmatigheden. In deze visie is de ondernemer niet de motor achter de economische groei, maar de saboteur daarvan.

Na de Russische revolutie (1917) gold het kapitalisme als een van de ‘westerse waarden’ die verdedigd dienden te worden, en kon degene die het bekritiseerde, erop rekenen te worden uitgemaakt voor communist. De ineenstorting van de Sovjet-Unie (1989) maakte het kapitalisme onbetwist tot het dominante economische stelsel op deze planeet, waardoor de kritiek herleefde. Het hoeft immers niet langer als vanzelfsprekend verdedigd te worden.

Weliswaar is het kapitalisme het enige economische stelsel dat bewezen heeft redelijk efficiënt te zijn, maar tegelijk is duidelijk dat materieel succes een wel heel schrille rechtvaardigingsgrond is. Van het bedrijfsleven wordt daarom in toenemende mate verwacht dat het niet uitsluitend winst maakt, maar ook zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt. Ondernemingen die dit nalaten, zijn zeer kwetsbaar voor consumentenacties. Na vijf eeuwen heeft de scholastieke kritiek nog niets aan geldigheid verloren. Als het kapitalisme geen welvaartsgroei meer kan genereren, kan het systeem volkomen in elkaar klappen.

[Een artikel uit het boekje Interim-ABC, dat ik in 2002 schreef met Klaas de Roo en Paul Mentzel.]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s