Romeinenfestival, Nijmegen

Gladiatoren

Nerds, vanzelfsprekend. Supernerds zelfs. Dat zijn de mensen die zich in het weekend als Romein verkleden om aan het publiek uitleg te geven over het verre verleden. Dat heet re-enactment, en ik beken dat ik er altijd wat gemengde gevoelens bij heb. Het zwaartepunt ligt namelijk steeds bij het leger en het ambacht, en dat zijn onderwerpen waarin ik mij niet zo interesseer, hoewel ik er wel degelijk belang in stel. Daar staat dan weer tegenover dat het enthousiasme van de re-enactors zo aanstekelijk is dat ik het Romeinenfestival voor geen goud zou willen missen.

Wat viel er dit jaar in Nijmegen te zien? Om te beginnen marcheerden er Romeinse soldaten. Je kon de verschillende uitrustingen zien, er werd een schildpadformatie getoond en aan het einde van de demonstratie werd (traditiegetrouw) met een charge het publiek de stuipen op het lijf gejaagd. Het kabaal dat die metalen harnassen maakten, verbaast me altijd opnieuw. Ik heb zelf gefascineerd gekeken naar de Romeinse ruiterij: ik zag haar voor het eerst en vond het spectaculair.

Cavalerie

Op een ander veld was een demonstratie van Romeinse gladiatoren. Ik houd er niet van, en was blij dat het publiek, steeds als het voor de keuze werd gesteld of de verslagen vechter moest sterven of blijven leven, meestal luidruchtig koos voor het laatste. Ik heb in Archeon ooit geschokt gekeken hoe makkelijk de kinderen daar om de dood van deze of gene schreeuwden.

Zowel de leger- als de gladiatorendemonstratie werd aan elkaar gepraat door Wim van Broekhoven, een van de bekendste re-enactoren in Nederland. Hij doet het altijd leuk, heeft een paar goede grappen in huis en weet vooral de kinderen erbij te betrekken. Mijn jonge neef, die zich voor de gelegenheid had verkleed (als ridder), bleef geboeid kijken, en dat wil wat zeggen, want hij is meestal nogal snel afgeleid.

Pottenbakker

Elders op het terrein waren een pottenbakker, een mergelsnijder, een zilversmid en enkele andere ambachtslieden te zien. Ik vind het altijd leuk, omdat ik hier vrijwel niets vanaf weet. Niet dat ik verwacht snel voordeel te hebben van het inzicht dat maar weinig tin in een legering voldoende is om ervoor te zorgen dat zilver zijn glans verliest, maar het is kennis die je anders niet snel opdoet. De Iraanse vrouw in ons gezelschap vond het weer leuk te ontdekken dat de helmen die Romeinse soldaten in de Late Oudheid droegen, waren overgenomen van de Sassanidische Perzen.

Iraanse vrouw ontdekt Iraans erfgoed

Een onlangs naar een Romeinse blauwdruk herbouwd Romeins oorlogsschip pronkte midden op het terrein; ik was blij het te zien en hoop het nog eens in het water te mogen bewonderen. Even verderop werd uitgelegd wat er op een opgraving gebeurt, en dat was extra leuk omdat het Romeinenfestival plaatsvindt op een van de belangrijkste archeologische monumenten in ons land, het Kops Plateau.

Een van de Nijmeegse stadsarcheologen, Harry van Enckevoort, hield spreekuur. Ik weet niet of er iets interessants werd aangeboden, maar dit is voor de wetenschap ontzettend nuttig. Ik weet toevallig dat een oplettende voorbijganger in Leiden onlangs een beschilderd stuk steen heeft gevonden die vermoedelijk afkomstig is van een Romeinse opgraving. Als dit blijkt te kloppen, hebben we weer een mooie illustratie van de luxe van de Romeinse forten, en dat is dan ontdekt doordat de burger bij de wetenschap wordt betrokken.

Cavalerie

Om dezelfde reden was ik blij Olivier Hekster tegen te komen, een oudhistoricus van de Radbouduniversiteit: het is heel goed dat wetenschappers benaderbaar zijn. Dit is des te belangrijker omdat we momenteel in de wetenschapscommunicatie een omslag meemaken van het “zender-ontvanger-model” naar het “dialoogmodel”, een ontwikkeling die door de Nederlandse oudheidkundigen in de regel wordt genegeerd. Des te beter dus dat de Radbouduniversiteit er wel was.

Nerds zijn het, die re-enactors. Maar ze kunnen informatie op maat aanleveren: voor mijn neefje iets anders dan voor een Iraanse, en voor een laagopgeleide iets anders dan voor een hoogopgeleide. Het is goed dat officiële archeologen en historici de voordelen zien, want dit is een van de antwoorden op de zojuist genoemde omslag in de wetenschapscommunicatie. Festivals als deze mogen dan de inzet van een stafmedewerker vergen, er is een enorme winst te behalen. Winst die – ik zeg het er maar even bij – niet slechts wetenschappelijk is, maar ook kan worden omgezet in geld. Ik weet er alles van: ik kan ervan leven, en het doet me pijn dat ik steeds weer zie hoe universiteiten de derde geldstroom missen, ja actief bijbuigen in de richting van kwakhistorici (meer).

Rekruten

Om die reden was het ook vreemd dat enkele musea, het Nederlands Klassiek Verbond en het sympathieke tijdschrift Hermeneus ontbraken, en dat maar enkele van de Nederlandse uitgeverijen acte de présence gaven. Een gemiste kans. Als er op een plaats tienduizenden mensen zijn, kun je honderden een boek verkopen en kennis laten maken met een fonds. Toevallig ga ik vanmiddag langs bij mijn uitgever, want dit wil ik toch eens besproken hebben. Iedereen heeft er immers voordeel bij dat informatie over de Oudheid zo adequaat mogelijk wordt overgedragen, en in al hun nerderigheid zijn re-enactors daarin grootmeesters.

6 gedachtes over “Romeinenfestival, Nijmegen

  1. Als ex-re-enacter en ex-levende geschiedenis speler (er is verschil) kan ik het hier alleen maar mee eens zijn. Het heeft me altijd verbaasd dat onder historici zo’n grote weerstand heerst t.o.v. deze hobbies. Nu schuilt er ook wel veel kaf onder het koren, maar juist historici zouden geen moeite moeten hebben die te scheiden. Ik weet in ieder geval wel dat mijn docenten middeleeuwse geschiedenis in Leiden er in ieder geval wel open voor stonden en dat zij met jonge kinderen ook regelmatig in Archeon op bezoek gingen.

  2. Als een re-enactornerd (ja ik geef het toe) werd ik ooit, 8 jaar geleden alweer, per toeval door een zekere heer Lendering gefotografeerd tijdens mijn eerste ‘bezoek in uitrusting’ aan het Archeon. Hoe kun je het treffen. Toen wij elkaar jaren later beter leerden kennen bleek de connectie nóg interessanter, want ik had zélf nog véél vroeger diezelfde heer Lendering voor de lens gekregen, en wel tijdens het bezoek van Marcus Junkelmann (te paard) aan Nederland in 1990! Alwaar voornoemde heer volgens eigen zeggen als student figureerde als ‘infanterie’ tegen de Duitse Ala II Flavia. Dus Jona, mocht dit je geheugen opfrissen, je hebt dus wel degelijk eerder Romeinse ruiterij gezien, en dichterbij dan menigeen. 🙂
    Jammer dat we elkaar net misten zondag.

    Overigens zie ik het ‘gladiatorenvermaak’ lang niet zo ernstig – de kinderen hebben geen last van onze ‘visioenen van wreedheid’, en zien alleen de kleur en het spel. Ze weten donders goed dat het allemaal nep is. Wij volwassenen zijn die onschuld kwijt.

      1. Ha, je weet het weer! Natuurlijk was het minder – hij was de pionier. Wij borduren op veel gebieden voort op wat zij ons voordeden. Er is veel nagedacht over spektakel etc. sinds die tijd.

  3. Charles K.

    Ik vrees dat de afwezigheid van de uitgeverijen en van het NKV de traditionele scheidslijn tussen klassieke talen en archeologie weerspiegelt. Heb je ooit een classicus gehoord die iets aardigs over de lippen kon brengen over Archeon?

Reacties zijn gesloten.