De Libanese burgeroorlogen (11)

Het Holiday Inn-hotel toont nog altijd de sporen van de gevechten uit de jaren tachtig.
Het Holiday Inn-hotel toont nog altijd de sporen van de gevechten uit de jaren tachtig.

[Dit is het elfde deel van een serie van dertien artikelen. In het vorige artikel beschreef ik hoe een internationale vredesmacht partij werd in het conflict en werd weggebombardeerd. Het eerste deel is hier.]

De strijd was nu heel complex. Een deel was business as usual. Om te beginnen ging in midden-Libanon de oorlog tussen de maronitische milities en de druzen verder. In het zuiden schoot Hezbollah, dat met Iraans geld een civiele infrastructuur opbouwde in de sji’itische gebieden, op het Zuid-Libanese leger en Israël, die weer terugschoten. Tegelijk probeerde de PLO de vluchtelingenkampen weer in handen te krijgen, maar daar werd ze aangevallen door de sji’itische Amal-militie, die weliswaar op zich niet tegen een Palestijnse staat was, maar vreesde dat de terugkeer van de PLO een Israëlische invasie zou uitlokken.

In deze tijd was Amal steeds meer de partij die de Syrische belangen diende. In het westen van Beiroet vochten verschillende islamitische groeperingen om de beheersing van dit deel van de stad, en toen Amal dat conflict leek te hebben gewonnen, werd het aangevallen door de druzen, die vrij succesvol leken. Het Libanese leger, dat nogal wat voorraden had overgenomen van de internationale vredesmacht en sterker was dan voordien, probeerde in Beiroet wat rust te scheppen en kreeg daarbij hulp van Syrië, dat dus terugkeerde naar de posities waaruit het in 1982 was verdreven door Israël.

Dit was ook de tijd waarin steeds meer westerlingen werden gegijzeld. Al eerder hadden de milities over een weer mensen gevangen genomen, maar sinds de internationale vredesmacht de maronieten had gesteund (of leek te hebben gesteund), moesten ook buitenlanders vrezen voor hun vrijheid.

Hoewel de situatie dus complex was, moet worden aangetekend dat het ging om regionaal beperkte conflicten: het centrale hoogland, West-Beiroet, de vluchtelingenkampen, het diepe zuiden. De strijd kon overslaan, maar er waren ook rustigere gebieden. Echt problematisch werd het pas toen, na afloop van de ambtstermijn van president Gemayel, geen opvolger kon worden gekozen.

Vanaf 1988 was er een soennitische regering in West-Beiroet onder leiding van premier Selim al-Hoss en – aan de andere kant van de groene lijn – een christelijke regering in Oost-Beiroet onder leiding van generaal Michel Aoun. Al snel kreeg de soennitische regering de steun van de Syriërs en de christelijke regering hulp uit Irak, terwijl Iran nog steeds steun verleende aan Hezbollah en Libië aan de druzen. Dat de partijen elkaar beschoten, spreekt vanzelf. Er vielen honderden doden, meest burgers.

[wordt vervolgd]