MoM | Oudheidkundige vakgebieden

methode_op_maandag

Toen ik een tijdje geleden aankondigde dat ik een reeks “Methode op Maandag” (MoM) wilde beginnen over de vraag wat de bestudering van de Oudheid maakt tot een wetenschap, was ik van plan te starten met de diverse disciplines. Waarom zijn er verschillende vakgebieden terwijl het onderwerp, de oude wereld en de reflectie daarop, zo duidelijk een eenheid is? Om over die pluriformiteit iets te zeggen, moeten we terug naar de achttiende eeuw.

Destijds waren er verschillende groepen die zich bezighielden met de oude wereld. Aan de universiteiten werkten theologen en juristen, die beide Grieks en Latijn moesten beheersen. Ze werkten samen met classici, die probeerden de oude talen te doorgronden. Daarnaast waren er verzamelaars, de zogeheten antiquariërs. Zij waren minder geïnteresseerd in teksten dan in de materiële cultuur, al waren die twee velden natuurlijk niet helemaal te scheiden, omdat je van sommige voorwerpen alleen via teksten kunt vaststellen wat ze betekenen.

Echte historici waren er destijds niet: wat toen voor geschiedenis doorging, was het navertellen van oude bronnen. Wel waren er filosofen, die het verleden reconstrueerden aan de hand van grootse theorieën die meer berustten op fantasie dan feiten. “De menselijke geschiedenis is er een geweest van voortdurende vooruitgang”, bijvoorbeeld. Empirisch bewijs daarvoor ontbrak. Of: “het Romeinse Rijk is ten onder gegaan door een verandering van de zeden, waardoor de expansie ten einde kwam”. Dat die expansie stokte aan het begin van de jaartelling en de instorting enkele eeuwen later plaatsvond, waren details waarom filosofen zich niet bekreunden.

In de late achttiende eeuw begonnen de zaken te verschuiven. Voor het eerst waren er historici die méér deden dan alleen bronnen achter elkaar plaatsen. Geleerden als Edward Gibbon benutten bijvoorbeeld inscripties en munten – traditioneel de hobby van antiquariërs – om hun verhaal beter te onderbouwen. Tevens probeerden ze betere, filosofischer vragen te stellen. Om bij Gibbon te blijven: hij meende dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan doordat er geen volksvertegenwoordiging was geweest, zoals het British Empire wel bezat. Een herhaling van de “awful revolution” viel niet te verwachten zolang de landbezittende elite werd gehoord door de uitvoerende macht.

Deze verklaring was vanzelfsprekend politiek-gekleurd, maar onzinnig was ze niet. Geschiedenis begon een wetenschap te worden. Tegelijkertijd groeiden de klassieken van de studie van oude teksten uit tot een pedagogisch programma: door de kennismaking met de Griekse en Romeinse denkwijze, zoals we die leerden kennen via de taal, gingen we ook beter denken. Althans, dat was de theorie. Dit zal niemand nog zó verdedigen, maar een soortgelijke rechtvaardiging voor de bestudering van een verleden cultuur is nog steeds gangbaar: de ontmoeting met een andere cultuur – of dat nu Grieken of Romeinen zijn of Joden of Babyloniërs of Egyptenaren – is waardevol doordat je zo je eigen waarheden leert relativeren.

Iets later in de negentiende eeuw ontstond de wetenschappelijke archeologie, die eveneens probeerde de filosofische vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld of er werkelijk vooruitgang was in de menselijke geschiedenis. Ik heb hierover al eerder geblogd en zal deze materie nu laten rusten.

Zo waren er drie wetenschappelijk te noemen onderzoekstradities ontstaan die met elkaar werden verbonden in een programma van “Altertumswissenschaft” ofwel oudheidkunde. Dat ze bij elkaar hoorden, is sindsdien wat op de achtergrond geraakt en dat is ergens ook wel begrijpelijk: het databestand is namelijk zo sterk gegroeid dat het moeilijk nog valt te overzien. Er zijn tienduizenden papyri en inscripties bij gekomen, de archeologie graaft elk jaar meer op dan kan worden verwerkt, en daarnaast zijn er door de ontcijfering van het spijkerschrift en de hiëroglyfen complete culturen bij gekomen.

Om een indruk te geven: de omvang van het Akkadische spijkerschriftcorpus is momenteel ruwweg even groot als het corpus voorchristelijk Latijn. De oude geschiedenis, die rond 1800 nog duurde van pakweg 1000 v.Chr. tot 500 n.Chr., begon aan het einde van de negentiende eeuw rond 3000 v.Chr. en was dus meer dan dubbel zo lang geworden.

Al met al heeft de oudheidkunde zo dus een redelijk duidelijk doel: de kennismaking met andere beschavingen. Dit doel dient een groter doel: het eigen gelijk wat relativeren. Daarom kijken oudheidkundigen ook graag naar de impact van de Oudheid op latere beschavingen. Plato vormde het voorbeeld van sommige Renaissance-denkers en de architectuur van het oude Athene werd gekopieerd in Berlijn en München.

Dat de bestudering van de taal en literatuur, de bestudering van de geschiedenis en de bestudering van de materiële cultuur gescheiden zijn, is hierbij jammer, want ze kunnen niet zonder elkaar. Een classicus begrijpt Tacitus beter als hij iets weet van de Germaanse levenswijze: pas dan ziet hij hoe de Romeinse auteur de feiten naar zijn hand zet en begrijpt hij wat Tacitus eigenlijk aan het doen is. Omgekeerd gaat een archeoloog de mist in als hij niet herkent wanneer hij antieke teksten letterlijk mag nemen en wanneer niet. Zoals ik al eens heb genoemd veronderstelde de kritiek op de identificatie van Kessel als slagveld van Julius Caesar dat diens geschriften dienden te worden gelezen als feitelijk accurate rapporten, wat toch wat simplistisch is als er in dat rapport ook eenhoorns staan vermeld.

De classicus die niets weet van archeologie en de archeoloog die niets weet van tekstuitleg zijn als twee pianisten, waarvan er één alleen de witte en de andere alleen de zwarte toetsen bespeelt. Het moet me van het hart dat ik het jammer vind hoe weinig oudheidkundigen doen om elkaars vak beter te leren kennen. Ik ken een classica die er trots op is uitsluitend archeologische musea te bezoeken om papyri te bekijken, ik ken een oudhistoricus die een opmerking uit een archeologieboek uit 1957 gebruikt om te rechtvaardigen dat hij zich niet hoeft te verdiepen in archeologie en ik heb eens gezeten bij twee lezingen waarin twee archeologen een beeldspraak letterlijk namen.

Toegegeven, al veertig jaar streeft men naar interdisciplinariteit, maar we zijn geen meter opgeschoten, wat grotendeels komt door de verkorting van de studieduur tot vier jaar in de jaren tachtig. De studenten krijgen te weinig kans voldoende te leren en degenen die worden toegelaten tot een promotietraject hebben onvoldoende gelegenheid de lacunes te compenseren.

Zo blijven er dus verschillende vakken bestaan: archeologen richten zich op de materiële cultuur in de breedste zin van het woord, classici houden zich bezig met taal en literatuur en alles wat daarbij komt kijken, historici onderzoeken wat er werkelijk is gebeurd en zoeken daarvoor verklaringen. Daarnaast heb je assyriologen, egyptologen, etruskologen, germanisten, hittitologen, indo-europeanisten, iranologen, nieuwtestamentici, oudtestamentici, prehistorici, qumranologen, sumerologen en andere disciplines die zich beperken tot één cultuur. Omdat die culturen niet in isolement hebben bestaan, is die beperking contraproductief – en los daarvan: omdat al die samenlevingen ruwweg hetzelfde technologische peil stonden, kan het heel nuttig te zijn het datagebrek dat de bestudering van al die culturen met elkaar gemeenschappelijk hebben te omzeilen door naar elkaar te kijken.

In elk geval dit moge duidelijk zijn: de grenzen tussen de diverse oudheidkundige wetenschappen zijn onwetenschappelijk. En eigenlijk vind ik dat wie het verwijderen van die oogkleppen niet als prioriteit heeft, wat weinig ambitie toont.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Anders gezegd: waarom een vakopleiding nodig is en waarom we universiteiten hebben. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

32 gedachtes over “MoM | Oudheidkundige vakgebieden

  1. Dat “de menselijke geschiedenis is er een geweest van voortdurende vooruitgang”, is een gedachte die volgens mij nog steeds veel voorkomt. Misschien dat het woord “voortdurende” er inmiddels is uitgevallen, maar dat de geschiedenis vooruitgang betekent, daarover schijnt men het wel eens te zijn. En niet alleen de geschiedenis, ook de evolutie van het leven op aarde. Ik denk dat het vooruitgangsdenken een psychologisch verschijnsel is, geworteld in de industriële revolutie, die ook wel de tweede golf genoemd wordt. Sinds ongeveer 1700 denkt men in termen van vooruitgang. Nu we inmiddels in de derde golf zitten (zie Alvin Toffler, 1980), zal het vooruitgangsdenken minder pregnant worden, net als alle typisch tweede-golfverschijnselen.

    1. Evolutie is geen proces van vooruitgang, maar van voortdurende aanpassing aan veranderende omstandigheden. Moderne soorten zijn niet “beter” dan vroege soorten. Uitgestorven dieren zijn niet “minder geslaagd” dan dieren die nog steeds voorkomen. Evolutie is een blinde, onpartijdige natuurkracht, zonder vóóropgesteld plan of doel.

      Afgezien daarvan kun je in ’t geval van de menselijke evolutie wel spreken van vooruitgang, maar alleen in die zin, dat nieuwe generaties mensachtigen telkens een grotere herseninhoud hadden dan hun voorgangers en derhalve intelligenter waren.

      1. De herseninhoud is niet toegenomen?! Zou je sterk aanraden eens via Google Scholar na te gaan wat de verklaring daarvoor is: nl de afgenomen behoefte aan intelligentie van het individu tov de groepskunde

  2. mnb0

    En ik vind je laatste zin onnodig vriendelijk. Zoals ik hier al vaker heb opgeschreven: het is ondenkbaar dat theoretisch natuurkundigen en experimenteel natuurkundigen géén kennis nemen van elkaars werk.

  3. henktjong

    Dank voor het beantwoorden van mijn vraag van een tijdje geleden, Jona. Nuttig. Maar eenhoorns in een rapport van ouwe Juul? Of is dat ironie? De zin is een beetje ingewikkeld…

    1. Caesar BG 6.26: “Est bos cervi figura, cuius a media fronte inter aures unum cornu exsistit excelsius magisque directum his, quae nobis nota sunt, cornibus”

      Er bestaat een rund dat lijkt op een hert, waarbij in het midden van het voorhoofd tussen de oren één hoorn oprijst, hoger en rechter dan de hoorns die ons bekend zijn.

      1. rjvbever73

        Jona, iets heel anders, sinds wanneer bestaat dit gebrek aan interdisciplinariteit? Op de middelbare school las ik in de Prismaboeken het werk van Rostovtzev, Glover, de Burgh, Berve etc.
        Mijn indruk was dat deze mensen in de breedte en soms ook in de diepte gingen. Dat kon ik uiteraard als scholier van de Humaniora moeilijk beoordelen, maar ik al ik heb deze boeken gehouden en ik ben van plan Roztovtzev te herlezen. Op enig moment moeten de grenzen tussen de disciplines ontstaan zijn en de interdisciplinariteit verd,wenen zijn. Hadden deze heren (rekening houdend met ‘the state of the art’ toen zij hun vulgariserende werken schreven) ook al oog voor alle andere disciplines in de oudheidkunde of was alles toen nog beter te overzien?

        1. Ik denk dat Rostovtzev enigzins atypisch is. Hij was destijds ook uitzonderlijk, Het is echter wel welke kant het vak op had kunnen groeien.

          De klap die dat belette kwam in de vroege jaren tachtig: te korte opleidingen, te korte promotietrajecten én een excuus om ook niet meer te willen. Het vak zou namelijk “polyparadimatisch” zijn. Dat is een chique woord om te zeggen dat je de moeite niet meer neemt om, als een collega een andere mening heeft, uit te zoeken hoe dat komt en of een van de twee misschien meer of minder gelijk heeft dan de ander.

          En dus krijg je classici die de sociale wetenschappen negeren en negentiende-eeuwse claims herhalen. Archeologen die geen bronnen kunnen lezen, zelfs niet in vertaling. Oudhistorici die geen historici zijn maar verkapte classici. Er is een blinde vlek voor de eigen beperkingen.

      2. henktjong

        Curieus. Volgens de middeleeuwers was een eenhoorn een geitachtig wezen, klein, met gespleten hoeven en een sik en een korte staart. Dus geen paard of pony zoals je ze tegenwoordig ziet afgebeeld. Zouden ze dieren hebben bedoeld die een hoorn verloren waren en waarbij het overgebleven exemplaar extra gegroeid was? Ik zou daar wel eens een bioloog over willen horen.

  4. eduard

    Er zijn nog wel meer afgescheiden disciplines bijgekomen, ik denk bijvoorbeeld aan de literatuurwetenschap. Ik heb geprobeerd boeken van literatuurwetenschappers te lezen, maar zonder succes (zoals Karel vh Reve me al voorspeld had). Ook hier geldt: als je geen idee hebt van de betekenis van een tekst buiten je eigen vakgebied zal je ook binnen je eigen vakgebied alleen maar gebrekkig kunnen functioneren. Ik heb een boek gelezen van een Harvard professor in de literatuurwetenschap (en genderstudies) die niet de literaire conventie kent dat hooggeboren personen zoals bijvoorbeeld koningen en keizers, dmv sterrenwichelarij, het lezen van de tekenen of dromen, de toekomst kunnen voorspellen, vooral wanneer die hun eigen ondergang betreft. Ook was hij niet in staat de meest simpele religieuze propaganda op te merken. Dat is eerst grappig, maar na een paar pagina’s van die hooggeleerde domheid wordt je toch wel erg verdrietig.

  5. rjvbever73

    Dit gevaar dreigt in toenemende mate ook in de geneeskunde! Er is een voortschrijdende specialisate en subspecialisatie, die soms bijna absurd is. Ik ben longarts geweest en tijdens mijn opleiding tot arts in Leuven in de jaren zestig kwam de reeds eerder ingezette subspecialisatie aan de gang en kwamen er specialismen, die zich afsplitsten vooral van de interne geneeskunde en de chirurgie. Toen ging het nog om grote orgaansystemem (hart, nieren, longen, maagdarmstelsel, etc. Tegenwoordig heb je zelfs sub-subspecialismen. Er zijn bijvoorbeeld (weliswaar vooral in academische ziekenhuizen maar ook in grote zgn. perifere ziekenhuizen orthopeden die alleen ellebogen en schouders ‘doen’ en andere die zich alleen met de rug of met de heupen bezig houden. Aangezien de mens niet bestaat uit de som van zijn organen, dreigt de ‘holistische’ benadering van de patiënt te verdwijnen. Ik zie daar een bepaalde analogie in met wat je zegt over de oudheidkunde en de beoefenaars van deoude geschiedenis. Daar komt nog bij dat iedere subspecialist en sub-subspecialist zijn eigen literatuur leest en daardoor steeds verder verwijderd raakt van het gehele beeld.

    1. robbert

      Als arts vind ik specialisatie in de geneeskunde een groot goed, dat in het algemeen tot betere resultaten leidt. Van de oudheidkunde weet ik veel en veel minder, maar ik kan mij voorstellen, dat die sumerologen en andere (super-)specialisten nodig zijn om voortgang te boeken op die gebieden.
      Jona Lendering hamert erop dat de diverse oudheidkundigen teveel in hun eigen bubbel blijven en wijt de problemen ook aan verkorting van studieduur zodat studenten te weinig leren. Daar kan ik inkomen.
      Want in de geneeskunde krijgt elke toekomstige arts dezelfde langdurige en intensieve opleiding in medische feiten en begrippen en pas daarna volgt specialisatie. Orthopeed, uroloog, huisarts, bedrijfsarts, psychiater: ze hebben allemaal alle botjes van een mensenlichaam moeten leren.

          1. rjvbever73

            Sorry, Jona , hier moet ik je even corrigeren, de studie voor basisarts is zes jaar en kent tegenwoordig de twee fasen van bachelor en master. Dan je ingeschreven worden in het BIG register en mag je jezelf arts noemen. Dat is tegenwoordig Europees geharmoniseerd. Je hebt gelijk dat de studie niet ingekort is, maar ze duurt echt zes jaar. In mijn tijd duurde de studie in Leuven nog zeven jaar, omdat vooral in de drie eerste jaren zwaar het accent lag op de basis-exacte wetenschappen. Daar heb ik later veel profijt van gehad.

      1. rjvbever73

        Ik heb helemaal niet beweerd dat specialisatie geen groot goed is, alleen dat hyperspecialisatie soms de blik verengt. Ik ben zelf longarts en u hoeft mij niet uit te leggen dat je eerst arts moet zijn voordat je aan een specialisatie aanvangt. Dat alle (basis)artsen alle botjes van het mensenlichaam hebben moeten leren, dat weet ik, maar bij voorbeeld een oogarts hoeft dit later niet in de praktijk te brengen en zal zijn kennis van alle botjes gauw vergeten zijn en terecht, want daar hebben we bijvoorbeeld orthopeden voor. Mijn stelling gaat over totaal iets anders. Hoe groter de specialisatie, hoe groter de kans dat er iets fout gaat, als de hyperspecialist onvoldoende communiceert. De enige poortwachter die er nog is, is de huisarts, die behoort een overzicht te hebben van de patiënt. Op zichzelf heb ik niets tegen een subspecialist of sub-subspecialist. Ik ben zelf specialist geweest en ben nu gepensioneerd.

        1. robbert

          Beste rjvbever73, u lijkt enigszins ontevreden over mijn reactie op uw bericht, die natuurlijk niet alleen voor u bedoeld was.
          U schreef dat voortschrijdende specialisatie en subspecialisatie soms bijna absurd is. Dat klinkt niet erg positief. Ik denk dat (super-)specialisatie vooral tot beter werk leidt op beperkte vakgebieden. U schreef dat de “holistische” benadering van de patient dreigt te verdwijnen. Nmm. is het niet de taak van een (super-)specialisten (wel van de huisarts) om “holistisch” te werken. Dat heeft weinig te maken met onvoldoende communiceren, dat is voor elke arts een kunstfout.
          Los van dit akkefietje-onder-artsen: ik suggereerde dat (super-)specialisatie in de oudheidkunde ook nuttig is maar de oudheidkundigen onder de lezers reageerden hier nog niet op.
          Mijn opmerking over de opleiding geneeskunde was vanzelfsprekend niet bedoeld om u als arts daarover iets uit te leggen. Maar was bedoeld om aan te geven dat in de geneeskunde alle artsen een grote hoeveelheid basiskennis delen, hetgeen in de oudheidkundige opleiding(en), als ik het goed begrijp, niet of onvoldoende het geval is.
          Maar wellicht zou dat wel wenselijk zijn, dat was de suggestie voor de oudheidkundigen onder ons.
          Overigens ben ik blij dat Jona Lendering de oudheidkunde, voor mij als belangstellende lezer van deze blog, “holistisch” benadert.

          1. rjvbever73

            Dank voor uw aanvulling, nu begrijp ik het beter. Mijn bedoeling met de uitspraak was echter dat, hoewel superspecialisten uiteraard de geneeskunde meestal vooruit helpen, dit een enkele keer kan leiden tot (bijna)-calamiteiten, doordat patiënten met multicausale symptomen zoals pijn, dyspnee, etc… naar de verkeerde superspecialist verwezen worden en dat deze, als hij niets kan vinden op zijn gebied soms de patiënt met de boodschap naar huis stuurt met de mededeling dat er niets aan de hand is. Ik heb daar een aantal voorbeelden van meegemaakt, gelukkig buitengewoon weinig. Ik geef een enkel voorbeeld. Een man die bij ons bekend was, kwam op een routinecontrole. Een week tevoor was hij bij de cardioloog geweest. Deze had een RX-Thorax en een ECG laten maken. De radioloog zag een vrij grote hoeveelheid pleuravocht en vermeldde dat nader onderzoek noodzakelijk was. De cardioloog was tevreden want het ECG was goed, maar hij had het verslag van de thoraxfoto niet bekeken en waarschijnlijk te oppervakkig de thorax geausculteerd. in de communicatieketen was hier toch sprake van nalatigheid. Alles is later goed afgelopen. Is het u trouwens al opgevallen dat de geneeskunde erg vertechniseerd geworden is en dat veel artsen i.p.v. een goede anamnese en een lichamelijk onderzoek vaak niet meer van achter hun bureau komen, maar direct met de computer aan de slag gaan.
            Accoord met uw stelling dat de benadering van patiënten door de superspecialisten ‘holistisch’ zou ‘behoren’ te zijn, maar is ze dat wel altijd? Verder blijf ik toch van mening dat wij de patiënt beter niet ad absurdum opsplitsen in steeds kleinere systemen. De deskundigheid op deze kleine gebieden neemt dan wel toe, maar er dan wellicht nog meer behoefte aan communicatie.
            Overigens zijn artsen mensen zoals iedereen en ondanks het feit dat we ons uiterste best doen, zijn we niet onfeilbaar. Ik neem aan dat u het daar mee eens zult zijn.
            Wat mij betreft is het misverstand opgelost.
            Met vriendelijke (en collegiale) groet!

      1. Daarvan zijn voldoende voorbeelden te geven helaas. Ik noemde de archeologen al die in de discussie die classici en historici hebben over de literaire strategie van Caesar maar de meest simplistische oplossing kiezen. Of wat denk je van de classici – alleen al in Nederland drie – die niet in de gaten hebben welke stommiteiten een Tom Holland begaat?

        Ik heb me voorgenomen het in deze reeks een beetje positief te houden. Tonen wat wél goed gaat. Maar de waarheid is dat het vaak niet goed gaat.

    1. Yup. Het hele vak is in Duitsland beter. Bedenk dat veel inzichten uit de Duitse Altertumswissenschaft verloren zijn gegaan toen na de Eerste Wereldoorlog het Duits als taal van de wetenschap werd ingeruild voor het Engels. Het heeft tot in de jaren zeventig, tachtig geduurd voor de inzichten waren herwonnen.

      1. mnb0

        Volgens mij zijn er nog wel meer dingen beter in Duitsland, met name als het om cultuur en wetenschap gaat. Mijn zoon meent dat ook. Die is van plan om er nog een jaar in Berlijn aan vast te plakken, al overweegt hij ook Barcelona.

  6. Luit van der Tuuk

    Mooi dat je een lans breekt voor een interdisciplinaire benadering, Jona. Het is eigenlijk te gek dat je het belang daarvan nog moet aanstippen, maar helaas, het is niet anders. Historici vinden archeologisch onderzoek vooral nuttig om met de vondsten hun artikelen te kunnen illustreren. Archeologen kijken zelden over de rand van de kuil die ze hebben gespit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s