MoM | Een inconsistente chronologie (1)

Wandschildering van twee antelopen, gevonden op Santorini (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

Santorini ofwel Sint-Irene is een klein eiland in de Egeïsche Zee. In de Oudheid heette het Thera. De bovenstaande muurschildering komt er vandaan; het is het broertje van deze. Ze zijn gevonden onder een enorme laag vulkanisch gesteente, uitgestoten toen de plaatselijke vulkaan uitbarstte, ergens in het tweede kwart van het tweede millennium v.Chr. Deze “Minoïsche uitbarsting” moet een enorme explosie zijn geweest, alleen vergelijkbaar met de Tambora-uitbarsting in 1815. Het uitgestoten puinsteen lijkt te zijn gevonden tot in de delta van de Nijl, er lijkt een donker laagje in de jaarringen uit deze tijd en er lijkt zó veel stof in de atmosfeer te zijn geweest dat de Venus-waarnemingen in Babylonië erdoor werden beïnvloed.

Dat maakt het een van de ijkpunten van de Bronstijd-chronologie, maar ik gebruikte in de vorige zin niet zonder reden driemaal het woord “lijkt”. We weten het allemaal nét niet zeker genoeg. Dus is er alle reden om te onderzoeken wanneer die vulkaan nu precies explodeerde, maar dat is zo gemakkelijk nog niet. De aardewerkdatering rond 1500 v.Chr. klopt zeker niet.

Ik herinner me hoe tijdens mijn studietijd een onverwacht resultaat kwam toen de ijslaagjes werden onderzocht die op Groenland zijn gevonden: de sneeuw die in 1614 was gevallen, zat vol stof en had een donkere laag achter gelaten. Later is die datering iets verschoven en men neemt nu aan dat het rond 1642 is gebeurd en dat dit stof afkomstig is van een vulkaan in Alaska.

De jaarringen van de bomen zijn op het noordelijk halfrond echter opvallend duister rond 1629 en 1628. Dat correspondeert, zo heeft de Nederlandse onderzoeker Teije de Jong aangetoond, met bepaalde Venuswaarnemingen. Het kleitablet dat ze vermeldt bevat voor die tijd onmogelijke observaties, die echter ineens verklaarbaar worden als we aannemen dat er veel stof in de atmosfeer zat. Dat dat stof van de Thera komt, is helaas onzeker.

In 2000 werd op Thera een olijftak gevonden. Het aardige was dat die afkomstig leek van een nog levende boom en dus niet enkele jaren eerder was afgebroken. Je zou de jaarringen van zo’n tak willen gebruiken om een stap verder te komen, maar er zijn twee problemen: de olijf zet niet elk jaar een jaarring af en we hebben sowieso geen doorlopende jaarringencurve van 2018 en de Nieuwe Tijd via de Middeleeuwen en de Late Oudheid door de Klassieke Oudheid en de IJzertijd naar de Bronstijd. We hebben wel deelcurven, maar die sluiten niet op elkaar aan.

Geen nood! We kunnen namelijk stukken hout uit de jaarringencurve nemen en daarop een C14-datering los laten. Dat levert dan een reeks waarschijnlijke dateringen op waarvan we de onderlinge afstanden weten. Die moeten ergens op de ietwat kronkelige kalibratiecurve passen – u leest hier wat dat is – en die kronkels zouden eigenlijk op maar één manier moeten kunnen worden ingepast. De vakterm is wiggle matching. Op deze wijze hebben onderzoekers toch een jaarringencurve voor de Bronstijd kunnen vaststellen en dan blijkt onze olijftak met 95% zekerheid te kunnen worden gedateerd tussen 1627 en 1600 v.Chr.

Dat sluit perfect aan op de astronomische gegevens uit Babylonië en het donkere laagje in de jaarringencurve, aannemend dat het atmosferische stof van de Thera komt. Het sluit bovendien aan bij “gewone” koolstofdateringen, zoals die van de zaden die in een graansilo zijn gevonden. Helaas is het denkbaar dat die, liggend op de bodem van de opslag, al decennia oud waren toen de vulkaan uitbarstte (het “old-wood effect”). Dat kan niet het geval zijn bij de kevers die bekendstaan als bladhaantjes, maar als we die koolstofdateren is het probleem de onzekerheidsmarge: de waarschijnlijkheidscurve heeft weliswaar een piek rond 1630, maar valt erg breed en in feite is elke datum in het tweede kwart van het tweede millennium denkbaar.

Ik voor mij denk echter dat de gebeurtenis wel degelijk rond 1630 moet worden geplaatst. Er is op dat moment zeker iets gebeurd waardoor veel stof in de atmosfeer kwam. De hamvraag: was dat de Thera? Daarover volgende week meer.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

15 gedachtes over “MoM | Een inconsistente chronologie (1)

  1. Frans

    Spelfoutje gezien in de titel: antilopen. Ze zien eruit als oryx-antilopen met die rechte horens. Hoe zijn die in Santorini verzeild geraakt? Handel met de Egyptenaren/Feniciërs?

    1. jacob krekel

      Die antilopen kan men ook kennen van horen zeggen of een plaatje. Rembrandt heeft ook leeuwen geschilderd die niet in Nederland voorkwamen en die hij nooit gezien heeft.
      Ijskernen moet men voor dit doel inderdaad behoedzaam hanteren. De Tambora is inderdaad goed te zien in een Groenlandse ijskern, maar eind achttiende eeuw is er net zo’n grote afdruk te zien. Die is van een onbekende uitbarsting. Wel is bekend dat tussen Tambora en Thera Taupo de enige uitbarsting is geweest met een VEI (vulkanische explosiviteitsindex) van 7. [wat is dat toch met die T, we hebben ook nog Toba, met VEI 8]. Dus: zo’n afdruk kun je niet met zekerheid aan een bepaalde vulkaanuitbarsting toeschrijven, maar een VEI 7 is zeker te zien, en als er geen andere afdruk in de buurt zit, dan moet 1614 (of 1642) Thera geweest zijn. Zou ik zeggen. Ik weet niet waarom men nu denkt aan Alaska. Maar eind 18e eeuw kan heel goed Alaska geweest zijn.

      1. Waarom zou Rembrandt nooit leeuwen hebben gezien? Ik meen me te herinneren dat er in Amsterdam een herberg was met een menagerie erbij, waarin ook exotische dieren werden getoond. Het was een gewild uitje.
        De leeuwen die Rembrandt tekende zijn herkenbaar als ´Berber Leeuwen uit Noord Afrrika´ (P. Schatborn: Beesten nae ´t leven. Kroniek van het Rembrandthuis 29, 1977) Zo secuur zouden ze niet te determineren zijn als R. ze nooit gezien had.

        1. Volgens de “Zoo and Aquarium History: Ancient Animal Collections To Zoological Gardens” (London, CRC Press, 2011) was er aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam inderdaad een herberg met een “wereldberoemde” (nou ja, over heel Europa bekende) menagerie: Blauw Jan. Deze werd opgericht in 1675 dus Rembrandt (1606–1669) zal niet in de gelegenheid geweest zijn om de leeuwen daar te bewonderen.

          Volgens hetzelfde boek waren menagerieën met exotische dieren in Nederland sinds de 14e eeuw een geliefde hobby van aristocraten en welgestelde patriciërs. De graaf van Henegouwen had in Den Haag een afdeling met leeuwen. In 1351 deed deze graaf een aantal leeuwen cadeau aan de hertog van Gelre, die een drietal menagerieën had. De leeuwen werden in de menagerie in Rozendaal ondergebracht, waar ze tussen oktober 1389 en juli 1399 zo’n 260 schapen verslonden schijnen te hebben. De Oranjes hadden menagerieën in o.a. in Den Haag (Het Kleine Loo) en Apeldoorn (Het Loo).

          Ook een aantal patriciërs zonder blauw bloed hield er menagerieën op na. Het boek noemt Ameshoff en Temminck in Amsterdam en George Clifford in Heemstede als voorbeeld.

          Echter volgens het boek was Blauw Jan lange tijd de enige voor het publiek toegankelijke menagerie.

          Misschien heeft Rembrandt de leeuwen in een circus gezien of op de kermis?

          zie ook: Wonderen der Natuur in de Menagerie van Blauw te Amsterdam

  2. Mooi te lezen hoe allerlei metingen en observaties, met ieder voor zich hun eigen waarschijnlijkheidsmarges, bij elkaar een aanvaardbare conclusie op kunnen leveren.
    En nog een spelfoutje: puinsteen moet zijn puimsteen.

  3. In de vierde alinea zijn de jaren 1629 en 1628 voor de niet 100% wakkeren onder ons beter te vatten in het totaal van dit (weer belangwekkende) bericht als duidelijk wordt gemaakt dat het hier jaren vóór onze jaartelling betreft.

  4. Roger van Bever

    Interessant MoM over dit fantastische eiland. Je gedachte, Jona, dat de de ‘Minoïsche’ explosie in ca.1630 BCE moet plaatsgevonden hebben, lijkt bevestigd te worden door het artikel ‘Minoïsch Thera: een vulkanische geschiedenis’ door Gijsbert R. Boekschoten.
    http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document;docid=406008

    Wat voor mij niet geheel duidelijk was, is, dat als de regel is dat hoe langer de rustduur is van de vulkaan, hoe heviger de erop volgende uitbarsting is. De veel vroegere Lower Pumice uitbarsting heeft een factor 1,4 heeft wat betreft het verspreidingsgebied t.o.v. de ‘Minoïsche uitbarsting’ die als referentie op 1 gesteld wordt.
    Puimsteen drijft op water. Als leek op geologisch gebied (hoewel ik in Leuven destijds een keuzevak gevolgd heb, waar ik vrijwel alles van vergeten heb) vraag ik mij dan af wat er na verloop van tijd met het puimsteen gebeurt en hoe ze die verspreidingsgebieden op de zeebodem zo goed kunnen inschatten. Aangezien er in de buurt meer vulkaanactiviteit was, hebben ze dan door op monsters van vulkanisch gesteente (het tephra) dat van allerlei grootte, samenstelling, en afkomst kan zijn en in lagen op de zeebodem blijft liggen, met de C14 toch deze tijdstippen vast kunnen stellen? Want wat komt van welke vulkaan?
    Wat ik trouwens aan het artikel van Boekschoten interessant vind is dat hij probeert een reconstructie van het oorspronkelijke eiland te maken.

  5. FrankB

    Meer over dit onderwerp: zie natuurkunde, onderdelen meetonzekerheid, meetfout en benaderingsfout. Op Wikipedia zijn de Engelse pagina’s zoals zo vaak te prefereren.

    https://en.wikipedia.org/wiki/Measurement_uncertainty

    https://en.wikipedia.org/wiki/Approximation_error

    https://en.wikipedia.org/wiki/Observational_error

    We moeten de uitdrukkingen “We weten het allemaal nét niet zeker genoeg” en “sluit perfect aan” dan ook met enige korreltjes zout nemen.
    Dit betreft de datering. De vraag of het stof in de atmosfeer van de Thera afkomstig was is nog een geheel andere.

Reacties zijn gesloten.