Faits divers (33): archeologie

Cucuteni-Tripolje-aardewerk (Neues Museum, Berlijn)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer allerlei leuke archeologische berichten.

***

De eerste steden

Het traditionele, en op zich niet onjuiste, verhaal over de eerste steden is dat hun ontstaan hand-in-hand ging met de groei van sociale stratificatie. Bijvoorbeeld doordat er meer boeren waren, meer opbrengsten, meer noodzaak tot organisatie, en dus een centrale leider, die zijn macht onderstreepte met monumentale bouw. Dit is vanzelfsprekend altijd een grove generalisatie geweest. Een schema, zeg maar, om de gedachten te ordenen. De vondsten in Göbekli Tepe bewijzen dat al in een samenleving van jagers en verzamelaars monumentale architectuur mogelijk is, dus er is geen enkele reden monumentaliteit onlosmakelijk te verbinden met steden of zelfs maar landbouw.

De laatste kwart eeuw is er veel meer aandacht gekomen voor “mega-sites” die wel stedelijk ogen maar geen opvallend grote sociale stratificatie kennen. Sovjet-archeologen attendeerden er lang geleden al op dat in het gebied van de Skythen – zeg maar Oekraïne – enkele knotsen van nederzettingen bekend waren, zonder aanwijzingen voor maatschappelijke ongelijkheid. Dat paste mooi bij theorieën over een oercommunisme, dus het oogde wat verdacht. Maar inmiddels is er meer belangstelling voor, en het helpt dat onderzoekers met Lidar meer van zulke nederzettingen vinden.

Lees verder “Faits divers (33): archeologie”

De Zeevolken: de problemen

Het door Zeevolken verwoeste paleis van Ugarit

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van der Spek in Een kennismaking met de oude wereld uitleggen wat er aan de hand was. Ze doen dat met alle voorzichtigheid die het onderwerp vereist, want veel is onduidelijk. Wat echter inmiddels wél zeker is, is dat er een klimaatverandering is geweest die het maatschappelijke aanpassingsvermogen te boven ging. Ik keek naar het bewijsmateriaal en wees erop dat dit viel te presenteren als een consistent verhaal: zo rond 1200 v.Chr. was er een klimaatomslag; volken uit het Griekse gebied raakten op drift; er was een noordwest-zuidoost-beweging van Zeevolken; steden werden geplunderd; het Hittitische Rijk ging ten onder; de vraag naar tin nam af; de interregionale handelsnetwerken stortten in; men schakelde over op ijzer. We zouden de migratie van de Frygiërs vanaf het zuidelijke Balkanschiereiland naar Anatolië nog kunnen toevoegen.

Complicaties

Het is mogelijk het bewijsmateriaal zo te presenteren, maar er zijn complicaties. De voorgaande alinea past mooi in een negentiende-eeuws frame dat beschavingen à la het West-Romeinse Rijk ten onder gingen door migraties. Dat was destijds een populaire analyse – om niet te zeggen: een koloniaal angstbeeld – maar het is voor de transitie van Oudheid naar Middeleeuwen achterhaald. Op drift geraakte stammen assimileerden en de veranderingen in het Mediterrane wereldrijk hadden vooral te maken met het feit dat het al van binnenuit verzwakt was. Iets dergelijks kan natuurlijk ook spelen bij de Zeevolken: die werden gevaarlijk doordat de oosterse grootmachten al verzwakt waren, waarbij de klimaatomslag die de Zeevolken het ruime sop deed kiezen, slechts één factor was. Moeten we niet zoeken naar andere factoren?

Lees verder “De Zeevolken: de problemen”

De Zeevolken: het klimaat

Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde. Het type helm is ook bekend van Egyptische afbeeldingen van Zeevolken (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

In het vorige stuk over de Zeevolken vatte ik samen wat De Blois en Van der Spek erover schreven in hun handboek Een kennismaking met de oude wereld. Ook benoemde ik twee onderliggende problemen: enerzijds de oorzaak was van de instorting van het Bronstijdsysteem en anderzijds of de Zeevolkencrisis geen negentiende-eeuws construct was. Over die eerste kwestie heb ik het vandaag. Over de tweede volgend week: het in de oudheidkunde altijd aanwezige gebrek aan informatie maakt dat je de gegevens kunt passen in vrijwel elk narratief. Wat in het handboek staat is dan ook niet zozeer verkeerd als wel de ideale handboekenstof, die zich leent voor verdieping en uitwerking. Kortom: wat weten we, waarom weten we het, en wat weten we niet over de Zeevolken?

Klimaatomslag

Om te beginnen: er is destijds, zoals het handboek vermeldt, iets aan de hand geweest met het klimaat. Het staat bekend als “3.2 ka BP Megadrought”, ofwel een droogte die zich 3,2 gekalibeerde kilojaren geleden voltrok. Uiteraard niet van de ene dag op de andere, maar daarom niet minder ingrijpend. Eén voorbeeld van het bewijs komt uit Ashdod, waar dateerbare monsters organisch materiaal zijn gevonden. Daaruit viel af te leiden dat de zee iets zouter werd: een aanwijzing voor verdamping en hogere temperatuur.

Lees verder “De Zeevolken: het klimaat”

Chronologie en vooruitgang

De bestudering van de Oudheid is een gevarieerd veld. Sommige onderwerpen trekken meer de aandacht dan andere (ik zie het aan de bezoekersaantallen als ik blog over het joden- en christendom), we vinden sommige thema’s belangrijker dan andere (de Griekse filosofie heeft een goede naam) en bepaalde inzichten zijn fundamenteler dan andere. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor de antieke geografie en chronologie. Hoe abstruus de materie soms ook oogt, de oudheidkundige kan niet zonder kennis van deze kwesties. Ideeëngeschiedenis is bijvoorbeeld onmogelijk als je de verspreiding van ideeën niet kunt plaatsen in tijd en ruimte.

Teksten

Het gaat me vandaag om de chronologie. Simpel samengevat worden de onzekerheden groter naarmate we dieper in het verleden zijn. Hebben we in de Late Oudheid nog de zekerheid van onze eigen jaartelling, in de Romeinse tijd hebben we de Juliaanse kalender en daarvoor hebben we de Seleukidische era, de Ptolemaïsche koningsjaren en de Canon van Ptolemaios. Tot het midden van de achtste eeuw v.Chr. beschikken we dus nog over de systemen waarmee men destijds het verstrijken van de tijd registreerde. Als we echter nog dieper willen, wordt het lastiger.

Lees verder “Chronologie en vooruitgang”

Koolstofdatering: Kritiek

De mummie van een krokodil (Egyptisch Museum, Barcelona)

De koolstofmethode wordt vaak gepresenteerd als keiharde, betrouwbare en succesvolle methode. En terecht. Zo raakt echter wat uit het zicht dat ook zo’n keiharde en betrouwbare methode onoordeelkundig en dus onsuccesvol valt toe te passen. Hoe keihard en hoe betrouwbaar ook: dateren blijft een kunst.

Kritiek op koolstofdatering

Je moet heel goed weten wat je dateert en welke vraag je eigenlijk wilt beantwoorden. De meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk: hoe oud is het? Maar daar is de koolstofmethode niet in alle gevallen geschikt voor. De vraag “stamt dit voorwerp uit het begin van de zevende eeuw?” vergt een nauwkeurigheid van een jaar of vijftig. Maar rond het begin van de zevende eeuw loopt de kalibratiecurve behoorlijk vlak. Een koolstofdatering kan dan heel goed uitvallen als 585 – 710 cal AD en daar heb je niks aan. Maar aan diezelfde datering heb je wél wat als je wilt weten of je voorwerp een moderne vervalsing is.

Lees verder “Koolstofdatering: Kritiek”

Koolstofdatering: het reservoireffect

Tipasa: opgraving met kans op reservoireffect

Zoals gezegd zorgt het iets grotere gewicht van het koolstof-14-atoom voor licht afwijkend gedrag van dat atoom, waardoor een koolstofdatering te oud of te jong kan uitvallen. We hebben gezien dat hiervoor valt te corrigeren. Daarmee zijn echter nog niet alle processen ondervangen die ervoor zorgen dat een organisch voorwerp aangerijkt of verarmd raakt met koolstof-14.

Koolstofdatering: het reservoireffect

Eén van die processen is het reservoireffect: de omgeving kan functioneren als een plaatselijk reservoir van extra koolstof-14, of juist een tekort daaraan, wat leidt tot verkeerde dateringen.

Neem hard water met veel kalk. Kalksteen is eigenlijk een organisch materiaal(skeletresten van micro-organismen) en kan miljoenen jaren oud zijn, waardoor het vrij is van koolstof-14. Dat is allemaal allang radioactief vervallen. Wanneer de kalk oplost in water of wordt meegenomen door een rivier, kan een gebied ontstaan waarin alle levende wezens minder koolstof-14 bevatten dan normaal. Er is dus sprake van verarming. Dateringen vallen te oud uit.

Lees verder “Koolstofdatering: het reservoireffect”

Koolstofdatering: Kalibratie

Het principe van de koolstofdatering mag dan simpel zijn en correctie voor de halfwaardetijd eveneens, er is een fundamenteler probleem: het gehalte koolstof-14 in de atmosfeer is niet constant. De Nederlandse geleerde Hessel de Vries constateerde dat het door de eeuwen heen heeft gevarieerd. En die variatie, veroorzaakt door de stormen van deeltjes die supernova’s op ons zonnestelsel afvuren, is niet regelmatig geweest. Dit valt niet simpel om te rekenen. Het jaarringenonderzoek maakte het echter mogelijk dit op te lossen.

Koolstofdatering: de kalibratie

Door simpel terug te tellen kun je van een jaarring bepalen uit welk jaar hij stamt. Iedereen heeft het als kind weleens gedaan. Je kunt nu van het hout van die jaarring meten hoeveel koolstof-14 erin zit. Dit onderzoek is aangevuld met andere studies naar fenomenen met een jaarcyclus, zoals de jaarringen in koraal (kalk), ijskernen uit de poolgebieden en zogeheten “varven” uit meersedimenten. Dankzij dit onderzoek, dat nog volop plaatsvindt en leidt tot steeds verfijndere resultaten, hebben we nu een grafiek die voor de afgelopen 46.000 jaar laat zien hoe de werkelijke (kalender)datering afwijkt van de (gemeten) koolstofdatering. Dit is de roemruchte kalibratiecurve.

Lees verder “Koolstofdatering: Kalibratie”

Koolstofdatering: de halfwaardetijd

De ouderdom van de Artemidorospapyrus

Koolstofdatering: de meting

Wie bij een koolstofdatering uitvoert, kan de hoeveelheid overgebleven koolstof-14 op verschillende manieren meten. Na een voorbewerking ofwel AAA-reiniging zijn er ruwweg twee methoden:

  • je hangt er een geigerteller bij
  • je gooit het hele monster door wat bekendstaat als een accellerator mass spectrometer (AMS).

De geigerteller telt gedurende een bepaalde periode het aantal vervallende radioactieve atomen. Aan de hand daarvan kan statistisch worden bepaald hoeveel er nog aan koolstof-14 in zit. Hoe ouder het monster, hoe langer de meetperiode om tot een betrouwbare uitkomst te komen. Je moet dus van te voren al een idee hebben hoe oud je monster ongeveer is, anders kun je de meetduur niet bepalen. Die kan bij heel oude monsters weken duren.

Lees verder “Koolstofdatering: de halfwaardetijd”

Koolstofdatering: Het principe

Koolstofdatering uitgelegd (Universiteitsmuseum, Groningen)

In mijn reeks Methode op Maandag bleef, zolang die reeks bestaat, één thema onaangeroerd: koolstofdatering. De ontwikkeling van deze techniek is een van de belangrijkste doorbraken geweest in de oudheidkunde. Tot de jaren veertig waren vrijwel alle archeologische dateringen namelijk gebaseerd op aardewerk, waarvan de ouderdom op zijn beurt weer was gebaseerd op teksten, zoals de koningslijsten van Egypte en Mesopotamië of de lijst van Siciliaanse stadsstichtingen van Thoukydides. Dit was de methode van Montelius.

Koolstofdateringen veranderden dat. Voortaan konden archeologen zonder teksten vaststellen hoe oud iets was. En dat, lieve kijkbuiskinderen, veranderde de discipline zélf: van een vak dat afhankelijk was van de filologische vakgebieden emancipeerde het tot een zelfstandig vak. De discipline veranderde – net als de historische taalkunde – van een kunsthistorische geesteswetenschap in een harde science, wat overigens niet wil zeggen dat er geen enkele onzekerheid is. Integendeel. In elk geval: er was sprake van een échte wetenschappelijke innovatie en niet van zo’n flauwe aanpassing van de positieve heuristiek die sinds de jaren tachtig aan de universiteit moet doorgaan voor innovatie.

Belangrijk dus, die koolstofmethode, en ze behoorde allang behandeld te zijn in Methode op Maandag. Het probleem is dat het principe weliswaar simpel is maar de praktijk niet. Daarom heb ik deze blog vandaag uitgeleend aan iemand die er meer van weet: mijn goede vriend Richard, wiens blog u behoort te volgen. Ik heb zijn tekst, die eerder hier is gepubliceerd, voor mijn eigen blog bewerkt. Ga er even voor zitten, want als u het naadje van de kous wil weten, gaat u een kleine 5000 woorden tegemoet.

Lees verder “Koolstofdatering: Het principe”

Hoe dateer ik een papyrus?

Zomaar een mooie papyrus met een fragment van Euripides’ Melanippe (Neues Museum, Berlijn)

Stel, archeologen graven in Egypte een kleine verzameling papyri op waarop Griekse teksten blijken te staan. Een classicus die de papyri krijgt te zien, herkent iets raars: het is onmiskenbaar poëzie, want de teksten zijn metrisch, maar ze rijmen ook, wat in de antieke dichtkunst ongebruikelijk is. De oudheidkundigen van ons voorbeeld hebben vanaf nu meer vragen dan antwoorden, maar nog voor ze de eigenlijke vraag hebben kunnen stellen (“wat bracht de dichter op het idee van deze poëtische innovatie?”), moet ze weten wanneer die innovatie plaatsvond. Kortom: hoe oud is een papyrus?

Dagtekeningen

In dit geval weten we zeker dat de papyri antiek zijn, want ze komen uit een opgraving. Onze onderzoekers willen echter specifieker zijn. Het liefst hebben ze natuurlijk dat de datum er gewoon op staat. Dit is ook een redelijk gebruikelijke methode om antieke teksten te dateren, aangezien de kalender die in Egypte werd gehanteerd, weinig geheimen kent. Helaas zijn literaire teksten, zoals die in ons voorbeeld, niet vaak voorzien van een dagtekening. Dat is meer iets voor ambtelijke stukken.

Lees verder “Hoe dateer ik een papyrus?”