De principes van Hercule Poirot

Hallowe’en Party is niet het beste dat Agatha Christie heeft geschreven, maar ach, het leest vlot weg en de zijdelingse observaties zijn bij Christie altijd het amusantst. Ook dit keer. Het boek is geschreven in de late jaren zestig en hoewel het er allemaal niet met zoveel woorden staat, merk je dat Hercule Poirot en zijn tijdgenoten de nieuwe tijd maar niks vinden. De naoorlogse babyboom bereikte de volwassenheid, met rellen, drugsgebruik, langharig werkschuw tuig, de wrange nasleep van de Summer of Love. Christie benut haar personages om eens onderhoudend te mopperen.

Maar wat ik vooral leuk vind in haar boeken: de redenaties van de detective. Ik bedoel niet de ontknoping, die dit keer ronduit vergezocht is, maar de principes waarop de redenaties zijn gebaseerd. Zeg maar: de vuistregels van het gezonde verstand. Hier zijn er drie, waarvan u de eerste twee terugvindt in het achttiende hoofdstuk.

Lees verder “De principes van Hercule Poirot”

De olifanten van Hannibal

Karthaagse munt uit Spanje (British Museum)

Nee, archeologen hebben in Spanje géén olifant ontdekt uit het leger van Hannibal. Of, iets genuanceerder: het is een stuk waarschijnlijker dat de ontdekte dikhuid niet komt uit de tijd van Hannibal dan wel.

De claim

Eerst de claim, zoals gemeld in de media. De NU.nl meent dat het opgegraven bot “naar alle waarschijnlijkheid bewijst dat de beroemde veldheer Hannibal Barka met olifanten de Alpen is overgetrokken”. Dat is nooit de vraag geweest en dat is ook niet wat de onderzoekers beweren. De NOS kopt dat het bot “mogelijk bewijs voor tocht Hannibal door Europa” vormt. Ik zal deze twee stukjes verder onbesproken laten en meteen doorgaan naar de wetenschappelijke publicatie, die weliswaar achter betaalmuren ligt, maar die iemand met me heeft gedeeld (bedankt!).

Lees verder “De olifanten van Hannibal”

Het graf van Filippos II

De grafheuvel van Vergina

Daar stond ik ineens met mijn waanwijsheid. Ik meende dat ik de puzzel rond het graf van de Macedonische koning Filippos II (de vader van Alexander de Grote) wel kende. Ik blogde er al eens over. Maar ik vergiste me. Terwijl er eigenlijk best wel iets nieuws over te vertellen valt.

Eerst even dit. In de Noord-Griekse stad Vergina, het antieke Aigai of Aigeai, is een grote grafheuvel met daarin drie graven en een heiligdom. Die heuvel is in 1977 onderzocht en op dat moment waarschuwde archeoloog Manolis Andronikos tegen al te snelle identificaties van Graf II als het graf van Filippos II. Enkele jaren later was die aarzeling verdwenen. Daar waren twee redenen voor. Om te beginnen was Graf III gevonden, dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toebehoort aan Alexander IV, het enfant du miracle van Roxane en Alexander de Grote. Dat maakte het plausibel dat de twee andere graven in de heuvel ook aan leden van de dynastie toebehoorden. De andere reden was dat Joegoslavië uiteen was gespat en een van de voormalige deelrepublieken aanspraken deed op de Macedonische erfenis. De Grieken, woedend, deden alles om te tonen dat Macedonië Grieks was.

Lees verder “Het graf van Filippos II”

Paleoproteomics

Karthaagse munt uit Iberië; dankzij paleoproteomics is vast te stellen welke olfantensoort dit is (British Museum)

Ik heb al vaker geblogd over bioarcheologische onderwerpen, zoals het DNA-onderzoek en het isotopenonderzoek. Over antieke eiwitten (proteïnen) heb ik het echter nog niet gehad, maar die zijn wel de moeite waard. Het is bijvoorbeeld mogelijk om in antiek aardewerk na vele eeuwen nog sporen te vinden van bijvoorbeeld zuivel. Zo kunnen onderzoekers uitspraken doen over de toenmalige voeding, wat weer kan leiden tot inzicht in de toenmalige volksgezondheid. Ook zijn uitspraken mogelijk over antieke ziektes. Een team uit Nottingham is er bijvoorbeeld in augustus 2023 in geslaagd om oeroude antistoffen te identificeren in het tandglazuur van iemand die ooit afweer had opgebouwd tegen het virus dat de ziekte van Pfeiffer veroorzaakt.

De monsters zijn niet alleen uit tandglazuur te nemen, maar ook uit botmateriaal, tandsteen, keramiek, textiel, perkament en papyrus. Een van de voordelen van dit type onderzoek, dat wel wordt aangeduid als paleoproteomics, is dat eiwitten opvallend goed bewaard blijven. Eitwitonderzoekers kunnen daardoor dieper het verleden in dan bijvoorbeeld hun collega’s die zich bezighouden met antiek DNA.

Lees verder “Paleoproteomics”

Een nieuwe benadering van Julius Caesar

Jona wees al even op mijn nieuwe boek De Caesarroute dat verschijnt bij de Caesarexpositie in H’ART Museum in Amsterdam. Geen catalogus, maar een verhaal dat uitnodigt na een eerste kennismaking met Julius Caesar in Amsterdam, aan de wandel te gaan om de kennismaking te verdiepen. Het kan dus ook los van elkaar, maar de combinatie is wel zo aardig.

Een lage vindkans

Hoewel geschreven als een wandelgids voor een breed publiek, staat route ook voor een systematische benadering van het onderzoek naar Julius Caesar in de Lage Landen. Belangrijke uitdaging is wat ik de ‘schoenspijker in de hooiberg’ noem. Het goede nieuws is dat sinds 2008 bekend is dat Caesars soldaten uitzonderlijk grote schoenspijkers onder hun schoeisel droegen, waardoor ze te dateren zijn. Een kort erop in 2010 bij het Duitse Limburg an der Lahn gevonden kamp, is dankzij de vondst van die schoenspijkers met zeer grote waarschijnlijkheid aan de tijd van Caesar gekoppeld. Maar hoewel door de aanleg van een snelweg een flink deel van twee van zijn kampen is opgegraven, leverde dat slechts drie dateerbare schoenspijkers op. Ook de andere minder goed dateerbare vondsten zijn schaars, waaronder wat scherven en slechts één munt. Per vierkante meter opgraving van een kamp van Caesar is de kans iets dateerbaars uit zijn tijd te vinden zeer klein.

Lees verder “Een nieuwe benadering van Julius Caesar”

Digitale paleografie

Twee snippers van de Dode Zee-rollen met daarop de tekst van Prediker (Jordan Museum, Amman)

Om met de deur in huis te vallen: ik heb uw hulp nodig – daarover straks meer. Eerst wat context, daarna mijn verzoek.

Qumranologie

Over de Dode-Zee-rollen heb ik vaker geblogd. Het gaat om een grote groep tussen 1947 en 1956 ontdekte antieke religieuze teksten, gevonden in enkele grotten te Qumran, niet ver van de plek waar de Jordaan uitmondt in de Dode Zee. Het materiaal, dat pas in 2009 allemaal was uitgegeven, is ten dele afkomstig van een joodse sekte, misschien de essenen. Theorieën als zou de ruïne bij Qumran een klooster zijn geweest met de rollen als kloosterbibliotheek, zijn inmiddels achterhaald, maar een alternatief is er nog niet, terwijl wél duidelijk is dat er een relatie heeft bestaan tussen ruïne en grotten. (Er zijn overigens meer antieke teksten gevonden in die regio, die ook Dode-Zee-rollen worden genoemd, maar die hebben er weinig mee te maken.)

Het leuke van de qumranologie, zoals de bestudering van de Dode-Zee-rollen officieel heet, is dat er volop nieuwe technieken zijn, waardoor inzichten tot stand komen die niet alleen nieuw zijn maar ook anders. Er is dus sprake van een werkelijk innovatief onderzoeksprogramma. En het is nog Nederlands onderzoek ook.

Lees verder “Digitale paleografie”

Authenticiteitscriteria (2)

Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)

Ik introduceerde gisteren de problemen rond het onderzoek naar de historische Jezus. De oudheidkundige, geconfronteerd met verhalen die niet kunnen (denk aan natuurwonderen of voorspellingen die altijd kloppen), moet een middenweg vinden tussen goedgelovigheid en hyperscepsis. Dit speelt niet alleen bij het Jezusonderzoek; het speelt bij elke vraag naar de oude wereld. Het is alleen bij het Jezusonderzoek het meest expliciet onder ogen gezien.

Een oplossing is het gebruik van zo objectief mogelijke criteria. Nu bestaat perfecte objectiviteit niet, maar we kunnen criteria ontwerpen waar iedereen het over eens kan zijn. Je moet je voorstellen dat een gemengd samengesteld team van onderzoekers (bijv. een christen, een moslim, een jood en een atheïst) een gegeven tekst bekijkt en oordeelt of die voldoet aan een bepaald criterium. Als ze het er, ondanks uiteenlopende achtergronden, over eens zijn dat iets authentiek is of niet, mogen we aannemen dat dit ad hoc wel zo zal zijn. Voorlopig is dit de minst slechte benadering.

Lees verder “Authenticiteitscriteria (2)”

Authenticiteitscriteria (1)

Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering rond 200 na Chr.

Het was niet mijn bedoeling van het ene naar het andere stukje over het voorrabbijnse jodendom te stappen. Er is zoveel meer Oudheid. Maar mijn lezersbestand vernieuwt zich en oude vragen keren terug, zoals die naar de betrouwbaarheid van onze bronnen. Of het nu de evangeliën zijn of Tacitus of Cassius Dio of Suetonius of Flavius Josephus: ze hebben allemaal hun vooringenomenheden en een wereldbeeld dat niet het onze is. De lezer moet een vertaalslag van de ene naar de andere cultuur maken – we noemen dat hermeneutiek – en vervolgens moeten we de geboden informatie beoordelen.

Als het gaat om het Jezus-onderzoek (ik licht dit eruit omdat er een vraag over was) hebben we te maken met een vrij complexe situatie. De brieven van Paulus zijn redelijk oud en verwijzen naar een eerdere situatie, die die zal zijn geweest van de leerlingen die Jezus hadden gekend. Toen stond centraal dat het Einde nabij was.

Paulus concludeerde al dat de Wet van Mozes niet meer was wat ’ie was geweest, dat het belangrijk was te geloven dat Jezus de messias was geweest, dat de mensheid was gered en dat Jezus zou terugkeren om de volken te oordelen. (De discussie over het Nieuwe Perspectief op Paulus laat ik even buiten beschouwing.) Iets later ontstaan de evangeliën – eerst Marcus, dan Matteüs en Lukas, tot slot Johannes – en dan is het geloof in Jezus al belangrijker dan het geloof van Jezus.

Lees verder “Authenticiteitscriteria (1)”

Von Däniken en waarschijnlijkheid

De ouderdom van de Artemidorospapyrus

De spreekwoordelijke pseudowetenschapper is Erich von Däniken, die met Waren de goden kosmonauten niet alleen een batterij onzin de wereld inschoot maar ook een model heeft geschapen om aandacht te genereren. Je verdient geld met leuke weetjes, niet door uit te leggen wat wetenschap eigenlijk is. De feitelijke schade is ontstaan toen wetenschappers dit sensationalisme overnamen: we hebben, zoals u weet, wel boeken over gladiatoren maar geen websites met uitleg van hermeneutiek. En uitleg over archeologie gaat altijd over vondsten, nooit over archeologie.

Is Von Däniken dan een wegbereider voor academische miscommunicatie, veel invloed hebben zijn eigenlijke ideeën over ancient astronauts niet. (Wat aan desinformatie circuleert, komt doordat onderzoekers – hyperspecialisten dus – zich bezighouden met een voorlichting, een typische generalistenactiviteit. Eenmaal buiten hun specialisme vallen ze terug op handboekkennis en die is strijk-en-zet verouderd.) Omdat ancient astronauts dus wat marginaal zijn, was ik verbaasd toen ik een mailtje kreeg waarin iemand me erop wees dat ik genuanceerder had moeten schrijven over Von Däniken. Wetenschappers als ik, zo werd me uitgelegd, moesten dingen niet op voorhand uitsluiten.

Lees verder “Von Däniken en waarschijnlijkheid”

Testis unus testis nullus

Ptolemaios III Euergetes (Neues Museum, Berlijn)

Oudheidkundigen hebben veel gemeen met astronomen die naar bijvoorbeeld de Poolster kijken: ze kunnen het object van hun studie niet rechtstreeks observeren. Zoals astronomen alleen kunnen kijken naar licht dat vier eeuwen geleden is uitgezonden, zo hebben oudheidkundigen alleen toegang tot geschreven bronnen en archeologische overblijfselen. Het observeren van historische feiten is even onmogelijk als het rechtstreeks observeren van de Poolster. Dit betekent dat oudheidkundigen nooit zullen behoren tot het slag wetenschappers dat theorieën kan toetsen en opnieuw kan toetsen. Caesar werd slechts één keer vermoord en we hebben als bewijsmateriaal alleen een handvol geschreven bronnen.

Dat noopt tot voorzichtigheid maar er zijn wel gradaties van zekerheid. Laten we eens kijken naar de landwet die in 133 v.Chr. werd voorgesteld door de Romeinse politicus Tiberius Gracchus, waarin een maximum werd gesteld aan de hoeveelheid staatsland (meestal het land dat op een vijand was buitgemaakt) die iemand toegewezen kon krijgen. Er zijn slechts drie bewijsstukken:

Lees verder “Testis unus testis nullus”