Promoveren

Een half jaar geleden kreeg ik een mailtje van een bewonderde hoogleraar die opperde dat ik nog eens zou promoveren. Instinctief was mijn antwoord “nee” en ik heb in Algerije nagedacht waarom. Een deel van het antwoord luidt dat als ik onderzoeker was, ik niet de Oudheid maar de oudheidkunde zou onderzoeken. Welke fouten maken kwakhistorici nu het meest en wat zijn de tegenstrategieën? Ik wilde mijn vermoedens best eens testen maar dit soort vragen paste niet bij het instituut, dus ik heb de uitnodiging gelaten wat ze was, al was ik gevleid dat een hoogleraar meende dat ik iets had te bieden.

DNA en hermeneuse

De gedachte bleef echter hangen. Ik ben vijfenvijftig, ik kan het op dit moment nog doen. En ook: ik maak me zorgen om mijn vak en ik ben er vrij zeker van dat de huidige, hyperspecialistische onderzoekers niet in staat zijn de cruciale vraag van dit moment aan te pakken. Die vraag is: hoe moeten we de hermeneuse (de kunst het verleden goed te begrijpen) aanpassen nu de DNA-revolutie de hermeneutische horizon irrelevant maakt? Hoe vermijden we, als we onze netten wijder dan ooit moeten werpen, een situatie waarin “anything goes” en hoe scheiden we zinvolle van minder zinvolle interpretaties?

Weliswaar betreft deze vraag niet het onderzoek dat ik doen wil, maar ik ben er vermoedelijk wel generalist genoeg voor en er móet een antwoord komen. Ik heb er met kerstmis, toen ik in Gemmenich werkte aan Bedrieglijk echt, nog over nagedacht, fietsend naar Vaals of Aken. Omdat ik het werk als buitenpromovendus zou moeten doen, zou een gedegen proefschrift acht of tien jaar kosten. Zolang kunnen we niet wachten. Beter dat iemand het zou doen, leek me, die wel voltijds eraan kon werken. Los daarvan: de vennootschap waarvan ik deel uitmaak kan niet hebben dat ik een deel van mijn tijd wijd aan zaken waarmee geen geld binnenkomt.

Ik zette het uit mijn hoofd. Het was vleiend dat een hoogleraar meende dat ik iets had te bieden – maar dat was het dan. Punt.

Monotheïsmen

Nu schreef ik zojuist wel dat ik niet de Oudheid wil onderzoeken, maar ik zou nog eens een synthese willen schrijven over de wereld waarin het jodendom, christendom en de islam zijn ontstaan. Ik heb er al over geblogd hoe ik in zo’n boek de feitelijke geloofspraktijk centraal wil stellen en wil tonen hoe de voor ons herkenbare orthodoxie en orthopraxie pas laat zijn ontstaan. Ik ben er nog steeds niet helemaal uit hoe ik dat wil aanpakken, maar het is iets dat me boeit en vertaalt zich vooralsnog in stukjes zoals dat over Sint-Joris.

Aan een proefschrift dacht ik niet maar donderdag kreeg ik dit onder ogen: de universiteit van Groningen heeft een promotieplaats in wat “Jewish, Christian and Islamic Origins” heet. Het is me op het lijf geschreven en daar komt nog bij dat ik Groningen een fijne stad en stadjers fijne mensen vind. Ik had dan wel geconcludeerd dat promoveren niets voor mij zou zijn, maar dit was geen buitenpromotie, dit was betaald werk. Met een loon dat hoger ligt dan wat ik nu uit de vennootschap haal. Natuurlijk zou ik dit met mijn zakenpartner moeten bespreken, maar er zou wel een constructie zijn te bedenken waarin de vennootschap mij uitleende aan de universiteit.

Déja vu

Kortom, ik stond in de verleiding. Tot ik de arbeidsvoorwaarden las.

De promotiestudent is een student en geen werknemer. Er is daarom geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie.

Ineens herinnerde ik me mijn aanstellingen aan de VU en vooral de juridisering van de menselijke verhoudingen. Als personeelslid ben je altijd de klos, want jij kent de slimmigheidjes niet. Ooit werd ik bijvoorbeeld uitgenodigd om aan de VU een half jaar lang het college te geven dat ik kort daarvoor, bij een eerdere aanstelling, had opgezet. Ik tekende een contract met de decaan, zegde mijn baan in Den Haag op en hoorde daarna dat ik geen contract had omdat het document niet ook door de directeur was getekend. Ik moest maar werken via een uitzendbureau (wat betekende dat ik geen pensioenopbouw had). Was dat gênant, nog pijnlijker was dat collega’s vonden dat ik dit maar normaal moest vinden.

De VU-juriste die later excuus maakte, verwisselde overigens twee van mijn aanstellingen. Zo oprecht waren de excuses. Moest ik ook maar normaal vinden. Ik moest trouwens óók normaal vinden dat toen ik eens solliciteerde naar een OiO-plaats, de commissie bestond uit één hoogleraar, die zelf een kandidaat had. Ik wacht nu alweer zevenentwintig jaar op het gespreksprotocol dat hij me nog ter goedkeuring zal toezenden. Blijkbaar normaal.

Wat ik maar zeggen wil: de Groningse arbeidsvoorwaarden, waarin zo duidelijk staat aangegeven dat personeel rechteloos is, gaven me een onaangename déjà vu.

Promoveren? Zo niet

“Er is geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie”: in feite staat daar dat de universiteit geen verantwoordelijkheid neemt voor de mensen die de wetenschap verder brengen. Tja. Dan kun je dus geen wetenschap bedrijven.

Ik denk dat het schrijven van een proefschrift intellectueel uitdagend had kunnen zijn; ik denk dat ik er scherper van zou worden dan van bloggen; misschien heb ik inderdaad, zoals tenminste één hoogleraar denkt, iets te bieden. Los daarvan: ooit werd mijn doctoraalbul internationaal ingeschaald als kandidaats (“doctorandus onbenul”), maar ik heb sindsdien wel wat bijgeleerd en onzekerheid over wat ik waard ben vormt vermoedelijk mijn diepste drijfveer. Ik had graag de gelegenheid gehad iets over mezelf te ontdekken. Er viel dus best iets te zeggen voor een sollicitatie in Groningen, maar voor een universiteit met zulk personeelsbeleid valt niets te zeggen.

56 gedachtes over “Promoveren

  1. Birgit Klimke

    Waarom heet het eigenlijk Mainzer Beobachter? Ik een Nederlandse Duitse die al 32 jaar in Amsterdam woont….

    Sent from my BiPhone

    1. Frans

      Ik weet veel te weinig van arbeidsvoorwaarden op een universiteit om er iets zinnigs over te zeggen, maar toch: meer dan €2000 per maand? En als er geen arbeidsrechtelijke relatie is heb je ook de vrijheid om te kunnen zeggen dat je de Universiteit van Groningen helemaal ruk vindt als je daar zin in hebt. Anders gezegd: vrijheid blijheid. Maar dat zeg ik als leek en misschien is het wel onzin.
      Geen onzin: het onderwerp dat je noemt is zeker de moeite waard om te onderzoeken, met of zonder Groningse uni. Maar dan ga ik nog een stapje verder: waarom zou je je beperken tot die drie “godsdiensten van het boek”, zoals de islam ze noemt? Zeker binnen het kader van die DNA revolutie zou het machtig interessant zijn om te kijken in hoeverre er invloed is vanuit het oosten (hindoe, Boeddha) op het westen en andersom. Een vraag die mij interesseert is: hoe komt het toch dat ze er in dat Midden Oosten van overtuigd zijn geraakt dat alles moet worden samengevat in één (heilig) boek? Want daaruit volgt dat als het ene boek waar is, het andere boek niet waar is. De oosterse godsdiensten hebben dat helemaal niet.

      1. Frans

        Toevoeging: dat ik het woord godsdiensten gebruikt klopt al niet, want in het Boeddhisme is er helemaal geen God.

        1. Rob Duijf

          Dat is een veel gehoorde drogreden. Weliswaar is ‘het’ Boeddhisme – er zijn verschillende stromingen – enerzijds levensbeschouwelijk, anderzijds is er sprake van geloof in de eindeloze cyclus van wedergeboorte, mits men zich daarvan weet te bevrijden. Het Boeddhisme kent een monastieke traditie, devotie en allerhande rituelen, zoals het aanbidden en verzorgen van Boeddhabeelden, het brengen wierrook-, bloemen- en voedseloffers, het draaien van gebedsmolentjes, het rinkelen met belletjes en het blazen op toeters, het reciteren van de geschriften, het tuchtigen van lichaam en geest.

          Opmerkelijk is dat van Boeddha wordt gezegd dat hij mensen oproept niets aan te nemen, zonder het zelf te hebben onderzocht, zoals in de ‘Kalama Suta’ is opgetekend. (De Kalama’s zijn mensen die woonden in de stad Kessala in het land Kosala waar Boeddha als de monnik Gautama predikte).

          ‘9 – Daarom zeiden wij, Kalama’s, wat aldus was gezegd: Kom, Kalama’s.

          Ga niet af op wat is verkregen door er herhaald naar te luisteren;
          noch op traditie;
          noch op gerucht;
          noch op wat er in een geschrift staat;
          noch op een vermoeden;
          noch op een stelling;
          noch op een aanlokkelijke redenering;
          nog op een vooroordeel over een idee waarover is nagedacht;
          noch op de schijnbare bekwaamheid van een ander;
          noch op de overweging: ‘Deze monnik is onze leraar.’

          Kalama’s, wanneer u zelf weet: “Deze dingen zijn onheilzaam; deze dingen zijn verwijtbaar; deze dingen worden door de wijzen afgekeurd; wanneer deze dingen worden aangenomen en nageleefd, brengt dat schade en lijden”, doe er dan afstand van.’

          Kijk zelf maar wat daarvan door Boeddhisten in praktijk wordt gebracht; ze verschillen in niets van andere gelovigen.

      2. “En als er geen arbeidsrechtelijke relatie is heb je ook de vrijheid om te kunnen zeggen dat je de Universiteit van Groningen helemaal ruk vindt als je daar zin in hebt. Anders gezegd: vrijheid blijheid. Maar dat zeg ik als leek en misschien is het wel onzin.”

        De conditions voor een ‘PhD scholarship’ bij de Rijksuniversiteit Groningen staan hier beschreven.

        Als ik het goed begrijp heeft een beurspromovendus (“de student”) een overeenkomst met de RUG waarin ze zich voor een x aantal jaren binden aan ondermeer een opleidingsprogramma en een onderzoeksplan (tezamen ‘de studie’ genoemd). Dit plan en programma dienen ontwikkeld te worden in overleg met de “primary supervisor” (ik neem aan dat dat de beoogd promotor is) voorafgaand aan de start van het “scholarship”.

        In de praktijk komt dit er wat ik van verschillende betrokkenen gehoord heb op neer dat je precies dezelfde vrijheid hebt als een promovendus die in dienst van de RUG is: in de natuurwetenschappen betekend dit dat je binnen een bestaand onderzoeksprogramma en binnen een bestaande benadering een subsubvraag uitwerkt, in de humanities is er wat meer speelruimte.

        Die overeenkomst verplicht de student om gedurende die x-jaar in Groningen te wonen (tenzij je in het kader van je onderzoek elders moet verblijven) en bevat een clausule die behelst dat RUG en student alles wat maar mogelijk is zullen doen om aan het eind van die x jaar promoveren.

        Het is ter beoordeling van de supervisor en graduate school wat telt als ‘alles wat mogelijk is’, maar reken er maar op dat als x gelijk is aan 3 of aan 4 je gedurende x jaar minstens 49 weken per jaar 60 uur per week aan je onderzoek en opleiding dient te werken.

        Ik heb verhalen gehoord over Allerlei nevenactiviteiten

        Dit alles is niets anders dan voor promovendi met een aanstelling.

        Beëindiging van de studie (of het nu van de kant van de RUG is of van de student) is alleen mogelijk in “extraordinary circumstances.” Wat als “extraordinary circumstances” geldt is niet gespecificeerd, de enige omstandigheid die in de “conditions” genoemd wordt is “unsatisfactory performance.”

        De conditions zeggen voorts dat beurspromovendi niet verplicht kunnen worden onderwijs te geven.

        Afgezien van de ontbrekende arbeidsrelatie en verwante zaken (geen recht tot stemming voor de ondernemingsraad bijvoorbeeld) is dit naar mijn indruk het belangrijkste verschil tussen beurspromovendi en promovendi met een aanstelling. Het is een mixed blessing. Ten eerste, is het zonder onderwijservaring vrijwel onmogelijk een vervolgbaan te krijgen. Ten tweede is er altijd veel onderwijs te geven en wordt je door je colleges met een scheef oog aangekeken als je daar geen aandeel in levert. Ten derde is het geven van onderwijs buitengewoon leerzaam. De meeste promovendi kiezen er daarom voor toch onderwijs te geven. Aan de andere kant beschouwt de graduate school het geven van onderwijs als een indicatie dat je niet alles doet wat mogelijk is om na x jaar te promoveren.

  2. En dan is het ook nog de vraag of je op jouw leeftijd en met jouw expertise gelukkig zou worden in een ‘baan’ waarin je bent overgeleverd aan de grillen, de luimen en de vooroordelen van je promotores. Ik heb enkele tientallen promovendi ‘begeleid’ als redacteur en daarbij mogen meemaken hoe zij steeds opnieuw door steeds nieuwe hoepels moesten springen. Promoveren is volgens mij alleen zinvol als je vervolgens een academische carrière ambieert.
    Gedenk Voskuil!

  3. Grijp je kans en kom naar Groningen. Ik woon er al 55 jaar naar volle tevredenheid. Dat is net zo lang als je nu oud bent. Maar je hebt (gemiddeld) nog 26 jaar te gaan!

  4. Willem Vermeer

    Het is niet leuk dat in ons systeem uitgerekend de enige mensen die een paar jaar achtereen voltijds aan onderzoek kunnen werken onvrij zijn en in veel opzichten rechteloos.

      1. Willem Vermeer

        Een andere kant is dat de soep op sterk uiteenlopende temperaturen wordt opgediend. Generaliseren is onmogelijk. Als je mazzel hebt, is er niets aan de hand.

        En vrij is het nooit geweest. In de traditionele Duitse manier (die nu wel niet meer zal bestaan) werd je geacht het gedachtegoed van je Doktorvater uit te dragen.

        Academische vrijheid is tot op grote hoogte een hersenschim. Ik heb tientallen jaren aan twee universiteiten gewerkt. Ik had een vaste aanstelling, evenals een paar uitstekende collega’s die toch bij bezuinigingen het veld moesten ruimen. Ik moest doen wat er nodig was en wat me werd opgedragen, net als iedereen in de werkende wereld. Het verschilt op geen enkele manier van andere werkkringen. Als je zelf zou kunnen bepalen wat je doet (afgezien van hele smalle marges), zou het een geweldige bende worden. De enige collega’s die het begrip academische vrijheid in de mond namen, deden dat om de kantjes eraf te lopen. [Pas op: kleine steekproef!]

        1. FrankB

          “Het verschilt op geen enkele manier van andere werkkringen.”
          Dat maakt “Er is geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie” des te pijnlijker. Zoals vaker in dit neo-liberale land zijn alle voordelen voor de werkgever en alle nadelen voor de werknemer. Dankzij een vergelijkbare constructie heb ik ruim een jaar voor de helft van het minimumloon gewerkt. Van VVD en tot op zekere hoogte CDA valt dat te verwachten, maar dat D’66 en PvdA eraan hebben meegewerkt of nog meewerken is een permanente schandvlek.
          JonaL heeft groot gelijk.

          1. Willem Vermeer

            Even kleine correctie: dit sloeg op een arbeidsverleden van een paar decennia geleden.

            Als je nog wat verder teruggaat, kom je uit bij de situatie dat alleen mensen “of independent means” konden promoveren, of eventueel met een andere werkkring. Waarna je als privaat-docent kon worden aangesteld, maar de tegemoetkoming daarvoor varieerde van weinig tot niets. De situatie van nu lijkt in veel opzichten op die van voor de uitvinding van de wetenschappelijk ambtenaar of medewerker, alleen is alles nu veel hectischer, althans: zo ziet het er vanaf de zijlijn uit.

            Verder overigens helemaal eens.

  5. jacob krekel

    Dat neemt niet weg dat de boeken die je noemt wel geschreven moeten worden. Daar moet todch ergens een arbeidsrechtelijke mouw aan te passen zijn.
    Ik vraag me overigens af wat de ongenoemde hoogleraar precies bedoelde met “een bewonderde hoogleraar die opperde dat ik nog eens zou promoveren”. Was dat zo maar iets vrijblijvends, of had hij/zij daarover nagedacht en stand hem/haar daarbij iets bepaalds voor ogen.
    Ik ben het verder wel met Erik Hofmans eens dat een proefschrift niet het meest geëigende middel is voor die boeken die geschreven moeten worden.
    De collectieve denbkkracht van de elzers van dit blog is niet te onderschatten en als die zich serieus op deze vraag stoirten, komt er misschien toch een werkbaar antwoord.

    1. FrankB

      Natuurlijk is er een arbeidrechtelijke mouw aan te passen. SImpelweg een ouderwetse, degelijke arbeidsovereenkomst in plaats van semi-19e eeuwse toestanden.
      Dat werkbare antwoord komt er alleen als de Universiteit van Groningen het zo graag wil dat JonaL een stevige onderhandelingspositie heeft. Dat is de hele crux van de neoliberalisering – wie wil en kan het hardste onderhandelen. Door vierkant te weigeren en uit te leggen waarom heeft JonaL de juiste stap gezet. Bij voorbaat toegeven in de hoop dat de andere partij dat ook doet zal alleen maar averechts werken. In goed vertrouwen een handtekening zetten is een garantie voor misbruik door de andere partij.
      Dat is hoe Nederland sinds 1980 de economie heeft ingericht. Ik schreef een paar dagen geleden dat volgens de psychologie de optimale strategie is de ander te vertrouwen totdat deze het vertrouwen heeft beschaamd en hem/haar nooit meer te vertrouwen. Grote bedrijven (ik heb het niet over de slager op de hoek) en onderwijsinstellingen hebben daar ruimschoots aan voldaan.
      Het is dus nu aan de Universiteit van Groningen. Laat deze niets meer van zich horen dan is het antwoord nee. Heel eenvoudig.

      1. jan kroeze

        @FrankB: de vormgeving van de economie die we nu hebben is al begonnen in de jaren 70, ik heb er met m’n neus boven opgestaan. De macht moest gelegd worden bij de belegger en de directie diende aandelen te krijgen om zich te committeren aan het bedrijf. Ze wilden af van alles waar ze vonden dat ze er last van hadden, zoals vakbonden en inspraak enz.

  6. Bert Schijf

    Ik ben het geheel met Erik Hofmans eens. Vooral met zijn laatste zin. Wat we er ook van vinden die arbeidsvoorwaarden zijn nu eenmaal gebruikelijk aan Nederlandse universiteiten. Jonge mensen accepteren dat nog, daarvoor ben je te oud. Wat ik me weer goed kan voorstellen is dat je iets ambitieuzer wil schrijven dan een blog. Je blogs over die godsdiensten smaken naar meer en diepere uitwerking. Er zijn vast veel praktische problemen maar niets belet je om je gewenste boek te schrijven. Vorm een leesgroep van gelijkgezinde en deskundigen en hou regelmatige bijeenkomsten. Je hebt daarvoor vast een groot netwerk. Een beetje de sfeer van een promotie oproepen kan geen kwaad en je bent toch vrij man.

    1. ” Wat we er ook van vinden die arbeidsvoorwaarden zijn nu eenmaal gebruikelijk aan Nederlandse universiteiten. ”

      Nee, hoor. Alleen de RUG (met uitzondering van de rechtenfaculteit en de faculteit wijsbegeerte) en een faculteit van de EUR bieden dergelijke promotiebeurzen aan. De RUG heeft 850 promotiebeurzen, de komende drie jaar wordt dit aantal uitgebreid tot 1500. De EUR heeft 15 promotiebeurzen die ze alleen aan buitenlandse studenten aanbiedt. Het probleem speelt dus eigenlijk alleen op de RUG.

      1. Bert Schijf

        Ah, leuk dat u er weer bent. Uw verhaal over Groningen zal wel kloppen. Ik zal het nog eens navragen. Dat neemt niet weg dat er ook in Amsterdam (UvA) wel discussies zijn geweest over de status van een promovendus als student. De status van een provendus is nu ook in Amsterdam minder dan rond 2000.

      2. Bert Schijf:

        neemt niet weg dat er ook in Amsterdam (UvA) wel discussies zijn geweest over de status van een promovendus als student

        Ja dat klopt. Promovendi met een aanstelling hadden voor 1986 de rang van wetenschappelijk assistent en werden in schaal 10 ingedeeld. Met de invoering van het aio-stelsel (assistent in opleiding) in 1986 kwam er een aparte aio schaal die gerelateerd was aan schaal 10: het eerste jaar ontving je 55% van het salaris van 10.1 (dat was minder dan het minimumloon!), het tweede 60%, het derde 70% en vierde jaar 85 %. Dit omdat een aio het eerste jaar 45% van zijn werktijd onderwijs zou volgen, het tweede 40 % etc. Ik begon in 1989 als aio en heb tijdens mijn aio-schap nauwelijks onderwijs genoten. Op mijn opleidingsprogramma stond wel onderwijs vermeld – het ging om onderwijs dat ik zelf gaf (dat stond er in het opleidingsprogramma niet bij).

        De CAO Nederlandse Universiteiten liet toen geen aanstelling van beurspromovendi toe. Toch waren in die tijd wel beurspromovendi. Dit waren of mensen van buiten de EU die een beurs hadden vanuit het land van herkomst. Ook waren er buiten-promovendi die onbetaald of op kosten van hun werkgever aan een promotieonderzoek werkten.

        In 1995 begon de UvA met het aanstellen van beurspromovendi met een beurs van die universiteit. Dit scheelde de UvA 50% in salariskosten omdat er geen belasting, sociale lasten en (in het geval van werkloosheid) wachtgeld betaald hoefde te worden. Hier over zijn sinds 1999 met wisselend succes processen gevoerd. In 2006 kwam er een einde aan de beurspromovendi bij de UvA, dankzij een uitspraak van de Hoge Raad.

        Sinds 2016 loopt er een landelijk experiment met beurspromovendi waaraan alleen de EUR (in zeer beperkte mate – 15 plaatsen voor buitenlandse studenten) en de RUG (1500 plaatsen voor binnen- en buitenlandse studenten) meedoen.

        “De status van een provendus is nu ook in Amsterdam minder dan rond 2000”

        In welk opzicht?

        In financieel opzicht is de situatie van een promovendus nu volgens mij veel beter dan die van een promovendus in de humanities rond 2000. Het salaris van een promovendus is nl. sinds die tijd geleidelijk, maar aanmerkelijk opgetrokken (de technische universiteiten trokken de salarissen van nieuwe aio’s in 1998 al op tot die van schaal 10). Op dit moment is het salaris van een promovendus in het eerste jaar 10% van het salaris van schaal 10.0, het tweede jaar is het gelijk aan het salaris van 10.1, derde jaar van 10.2 en vierde jaar van 10.3. Dat is aanzienlijk meer dan in mijn tijd, terwijl de huidige promovendi wel onderwijs krijgen.

        Ook de beurspromovendi van nu zijn beter af dan de beurspromovendi van rond 2000. Niet alleen is de beurs veel hoger dan toen (de netto betaling van ong. 1850 per maand is ongeveer gelijk aan het netto salaris van een promovendus met aanstelling in het eerste jaar), bovendien draagt de werkgever inkomstenbelasting en sociale lasten af waardoor i.t.t. rond 2000 rechten op WW ontstaan en de student aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag, huursubsidie, en uitkeringen bij ziekte en zwangerschap.

  7. iqnada

    Beste Jona

    Mijn deelneming. Wat heb je het weer duidelijk , bondig en terzake uitgelegd.

    In mijn solliciteerperiode-Belg zijnde en wat ouder- was onderwijs en administratie*verzuild en was gebaseerd op clientèlisme , nepotisme en als je dat niet accepteerde, laat staan besefte, was je een sukkel. Gerontocratie, dat ook. U kent hermeneutiek dus kan afleiden dat mijn carrière zozolàlà was.

    * Ook het leger.

    Bedankt voor uw blog: dagelijks hoogtepunt voor mijn denkmachine!

    Greetings from the mountains of madness!*

    * Ik woon op loopafstand van de Jura en de uitlopers van de Alpen, maar ik kan de Mainzer Beobachter lezen!

  8. A. Harmens

    De slechte arbeidsvoorwaarden hebben naar mijn idee te maken dat universiteiten ook niet zoveel perspectief kunnen bieden. Veel promovendi die ik kende en die door zijn gegaan in de geesteswetenschappen zijn in het buitenland terechtgekomen of wegens gebrek aan perspectief gestopt (waaronder ondergetekende, maar vooruit, misschien was het gewoon niet goed genoeg). Met Erik Hofmans conclusie ben ik het dan ook niet helemaal eens. De juridisering van het arbeidscontract of het niet opbouwen van pensioen ben ik ook in andere sectoren (gezondheidszorg, overheidsbestuur, particuliere sector) tegengekomen. Niet fraai, maar zeker niet uniek. Wel heb ik de ongelooflijke klunzigheid en schraperigheid van de universiteit meegemaakt (dringende vergaderverzoeken of zelfs een slotcollege terwijl je aanstelling al afgelopen is, dat werk). Dat herken ik wel in Jona’s stuk.

    Dat je (weer) student bent als promovendus, dat is recente Angelsaksische invloed en dat past in de algemene internationale trend. Ik denk ook niet dat het zoveel beter is in het buitenland, ook niet wat niveau betreft, naar aanleiding van wat ik in het kort heb gezien in andere landen.

    Grosso modo kan ik ondanks alles iedereen een promotietraject van een aantal jaar aanbevelen, hetzij als AIO/OIO of als buitenpromovendus. Je leert er heel veel van, over de praktijk van het onderzoek en over je eigen kunnen.

    Tot slot, ik vind het vreemd om dit stuk op je eigen website te plaatsen. Natuurlijk krijg je hier vooral bijval. Als discussiestuk hoort het eigenlijk op een algemener platform of in een krant.

      1. FrankB

        Welnee, je gedraagt je precies zoals de overheid al jaren van je verwacht: als een calculerende burger. Zou je dat niet doen dan laat je je uitbuiten. Dat is de achterliggende betekenis van

        “Er is geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie”

    1. Bert Schijf

      Ik kan gemakkelijk praten. Ik ben al in de vorige eeuw gepromoveerd als onderdeel van mijn academische loopbaan. Ik kan me moeilijk voor stellen dat die slechte arbeidsvoorwaarden bedoeld zijn om mensen af te schrikken. Veel promovendi die in onderzoeksscholen promoveren kunnen hun academische leven nog rekken met een postdocplaats, of door van tijdelijke aanstelling naar tijdelijke aanstelling te hollen. Dat is niet vol te houden. Daar zit de werkelijke verspilling van talent. Het is een schrale troost maar in de omringende landen is het niet anders, hoewel in Duitsland wel verbeteringen zijn ingevoerd, Maar in de Verenigde Staten is situatie nog wel en paar graadjes erger.

      1. A. Harmens

        Het speelveld is ook veel internationaler geworden. Tegen iemand die gepromoveerd is, wordt nu makkelijker gezegd: ‘In Sidney zoeken ze nog postdoc voor onderzoek X, iets voor jou?’

        1. A. Harmens

          En in Hongarije wil een jonge onderzoeker nu iets met de relatie tussen jodendom en christendom doen, maar ja, weinig perspectief, heel laag salaris en Orban als president. Die zal misschien denken ‘misschien is die baan in Groningen iets’.

          1. Ik sluit overigens niet uit dat de Groningse advertentie is geschreven om zo iemand aan te trekken. Ik heb me niet in de diepste details verdiept maar een formulering als “de ideale kandidaat is niet meer dan drie jaar geleden afgestudeerd” zou niet ongebruikelijk zijn. En een fors deel van de oudheidkundige personeelsadvertenties is alleen schijn open; ik herinner me een geval waar ik zelf in de commissie zat om een zieke docent te vervangen, waar we allang wisten wie we wilden hebben (namelijk de man die al eerder de zieke docent had vervangen), en waar we vervolgens verbaasd waren toen nog iemand solliciteerde. We hebben die beschaafd ontvangen en eerlijk geconstateerd dat die echt minder geschikt was.

            Dit was, denk ik, oké. Ik ben bestuurslid geweest van een stichting waar een van mijn laatste bestuurlijke beslissingen was dat iemand zou worden aangesteld om een website te verbeteren. Later hoorde ik dat de directeur, die de sollicitatie leidde, een advertentie heeft geplaatst maar geen van de sollicitanten heeft opgeroepen, omdat de directeur al wist wie hij wilde hebben. Die website is overigens nooit verbeterd.

            1. “een fors deel van de oudheidkundige personeelsadvertenties is alleen schijn open”

              Zoals voor vele posities aan universiteiten.

              Studenten die voor een advanced master op de RUG studeren krijgen de kans om 3 maanden van hun laatste jaar onder begeleiding een voorstel voor een promotieplaats voor te bereiden. Als dat in dit geval gebeurt is, is er grote kans dat kandidaten die pas via de advertentie van deze plaats horen het waarschijnlijk wel vergeten.

              Mijn ervaring is dat je als je de contactpersoon belt en deze op de vrouw/man af vraagt, of ze al een kandidaat hebben, je meestal wel te horen krijgt of er al dan niet zo’n favoriete kandidaat is (“we hebben inderdaad al een heel sterke kandidaat, maar als er een nog sterkere kandidaat solliciteert zullen we die ook overwegen”).

      2. FrankB

        “bedoeld zijn om mensen af te schrikken”
        Zijn ze ook niet. Ze zijn bedoeld om de sociaal-economische ongelijkheid in dit land te vergroten. Mensen voor wie niet promoveren nog schadelijker is zullen zich meestal laten uitbuiten. Op die manier heb ik dat baantje voor de helft van het minimumloon aangenomen – niet aannemen zou nog nadeliger voor mij zijn geweest.
        Dit werkt uiteraard als

        1) een tekort aan promovendi de universiteit maar weinig schaadt;
        2) het aanbod aan promovendi groter is dan de universitaire vraag, zodat de uni die promovendi kan selecteren die bereid zijn het hoofd te buigen, wat uiteindelijk bijdraagt aan het vergroten van de sociaal-economische ongelijkheid.

        Zoals mijn opdrachtgever voor mij altijd een ander kon aannemen.
        Dit is al ongeveer 40 jaar openlijk overheidsbeleid. Wie door de mooie woorden (die van D’66 zijn nog het ergst) heen kan prikken ziet het recht voor zijn/haar neus.

    2. FrankB

      “Niet fraai, maar zeker niet uniek.”
      Nee, nogal wiedes, het is vanaf 1980 doelgericht overheidsbeleid om stapje voor stapje werknemersrechten te verminderen en rechtsposities steeds meer in het voordeel van werkgevers te brengen. Zoals ik hierboven al schreef heb ik dankzij dat beleid ruim een jaar voor de helft van het minimumloon gewerkt.
      Net als JacobK hierboven mist u het cruciale punt. Natuurlijk zal JonaL er heel veel van leren. De essentiële vraag is of dat het misbruik waard is dat hij zal moeten ondergaan. Hij heeft uitgelegd waarom niet. De prijs (inclusief het werk opgeven dat hij voor Livius.org doet) is simpelweg te hoog. In mijn geval lag dat door omstandigheden anders, al maakt dat het misbruik niet minder schandelijk.
      De overheid heeft de boel zo ingericht dat burgers doorlopend moeten calculeren. JonaL heeft dat gedaan en de uitkomst is negatief. Zo eenvoudig is het. De Universiteit van Groningen zal met een zodanig bod moten komen dat de uitkomst positief wordt. Wie uitgaat van een calculerende burger mag niet op liefdadigheid rekenen.

  9. A .Minis

    Ach ja,, promoveren. Dat is nu kennelijk anders dan vroeger, heel lang geleden. Mijn vader schreef in drie maanden tijds een geschrift over de apocoinou in een of ander middeleeuws geschrift (van Veldeke) en hoppa, hij was dr iplv. drs. Zo heb ik het althans altijd gehoord. Hij was toen leraar Duits op een middelbare school.
    Ik denk dat u doodongelukkig zou worden in het academische circuit. Is het echt onmogelijk om die boeken te schrijven? Minder bloggen en schrijven op uw zolderkamertje? parttime leraar worden? U bent nog jong, u vindt nog wel een oplossing.

  10. A. Minis

    De apoKoinou, uiteraard.
    Waarom eigenlijk een boek? Wat dacht u van een reeks artikelen, bijv. in Mnemosyne of Lampas?

    1. Helaas. Ik schrijf niet over de Oudheid maar over oudheidkunde. Lampas weigerde een stuk waarin ik een wetenschapstheoretisch punt maakte aan de hand van een voorbeeld; dat voorbeeld wilden ze wel hebben maar de kern van het betoog moest eruit. Mnemosyne was in een ander stuk niet geïnteresseerd.

      Bedenk: de geschiedtheoretische vakken, ooit eerstejaarsstof, zijn wegbezuinigd. Leiden heeft bijvoorbeeld de leerstoel van Chris Lorenz opgeheven omdat hij niet voldoende geld binnenbracht in de vorm van promotiebonussen. Anders gezegd: men vindt het wel best dat de interne kwaliteitscontrole van de wetenschap vervalt aangezien wetenschappelijke kwaliteit geen geld oplevert.

      Dat is eigenlijk hét centrale probleem waar iedereen momenteel omheen danst. in Engeland kon daardoor de kwestie-Obbink zes jaar dooretteren.

      1. A. Minis

        Ik dacht dat die tijdschriften ook wel geinteresserd zouden zijn in oudheidkunde. Dat zijn ze niet, maar zijn er dan geen geschiedkundige tijdschriften?

  11. Robbert

    Hallo Jona Lendering! Je brengt wel wat meer mee dan een beginnende promovendus en 8 a 10 jaar lijkt me volstrekt overdreven, al zal drie maanden niet genoeg zijn. Dus praten over arbeidsvoorwaarden kan geen kwaad, al zijn de beschouwingen van ervaringsdeskundigen hierboven niet hoopvol.
    Gat dan maar dat boek schrijven, religie verkoopt ook nog maar zoek primair een Engelse of Amerikaanse uitgever voor kansen op een grote oplage en neem de achterflaptekst voor lief.
    Jawel, goede adviezen genoeg, vanavond.

    1. “praten over arbeidsvoorwaarden kan geen kwaad”

      Over de inhoud van je onderzoek, het opleidingsplan en de termijn van de studiebeurs valt te praten, over de arbeidsvoorwaarden niet. Er is geen vacature die gevuld moet worden. Er is een beurs te vergeven.

    1. Ja, het is inderdaad ellende. Overigens is het boek van Floris Cohen de zoveelste bijdrage in het genre “academicus ziet in wat elke afgestudeerde sinds 1985 weet”.

  12. Beste Jona,
    Er is louter met het oog op de verdere ontwikkeling van je eigenlijke vakgebied geen doorslaggevende reden om het onderzoek dat je diep in je hart graag wilt doen, niet te gaan doen. Natuurlijk kan je allerlei drogredenen en andere bezwaren verzinnen om er van af te zien. Die liggen in deze tijd voor het oprapen.
    Jouw motief is echter: ‘Ik zou nog eens een synthese willen schrijven over de wereld waarin het Jodendom, Christendom en de Islam zijn ontstaan….‘Jewish, Christian and Islamic Origins’ is als thema me op het lijf geschreven en daar komt nog bij dat ik Groningen een fijne stad en stadjers fijne mensen vind. Ik ben vijfenvijftig, ik kan het op dit moment nog doen’.
    Het gaat dus niet om het promoveren, het gaat niet om het proefschrift, het gaat om het een stap verder op weg helpen van de door jou in je hart gedragen geesteswetenschap.
    Dus mijn advies is: toch maar doen….en dan vult het zich arbeidsvoorwaardelijke en zo verder wel in. Vertrouw daar maar op. Het zou een grootse (vrije!) daad zijn!

    Frans W.

    1. Martin

      De meeste reacties gaan niet in op wat Jona als reden voor het “nee” opgeeft: hij zou de oudheidkunde willen onderzoeken en niet de Oudheid. Er zijn namelijk in de oudheidkunde teveel kwakhistorici die dus uit hun nek kletsen. Voor zo’n onderzoek zou geen ruimte zijn. Dat is wel een treurige conclusie.

      1. Ja. En bedenk dat tijdschriften als Lampas en Mnemosyne dit ook niet WILLEN publiceren. De ongeschreven gedragscode is – en dat geldt voor elke bureaucratie – dat positieve kritiek wordt uitgelegd als “de vuile was buiten hangen”. En dat mag niet.

    2. FrankB

      Ik zou niet weten waarom “Er is geen sprake van een arbeidsrechtelijke relatie” een drogreden zijn om van promotie af te zien. Kunt u dat toelichten? Met verwijzing naar bv.

      https://www.logicallyfallacious.com/logicalfallacies/search

      “Vertrouw daar maar op.”
      Uitstekend idee, vertrouwen op een instituut dat bij voorbaat al laat zien niet te vertrouwen te zijn, in het verleden heeft bewezen niet vertrouwen te zijn en onder de plak zit van een overheid die van de calculerende burger – die dus niet te vertrouwen is – het centrale uitgangspunt heeft gemaakt.

  13. Ben Spaans

    Schrijf een boek zou ik zeggen. Daar bereik je veel meer mensen mee. Bedenk ook dat de maatschappij de komende tijd echt niet leuk wordt. Straks zit je alleen in Groningen, zonder veel kans op contact terwijl de frustratie over je ‘studentenbestaan’ je tot hier zit, (zover ken ik je inmiddels wel, als ik dat mag zeggen).

  14. frayek

    Voor iemand die het beste van de oudheidkunde gratis voor een groot publiek beschikbaar en interessant maakt (een eredoctoraat waardig maar goed), lijkt me het gemiezel om arbeidsvoorwaarden en boekjes van x+93 pagina’s voor 77 euro niet iets om gelukkig mee te zijn. / Het wil me niet duidelijk worden waarom de DNA-revolutie de hermeneutische horizon irrelevant zou maken. Genealogy is not.. hoe was het ook alweer.

    1. FrankB

      “gemiezel om arbeidsvoorwaarden”
      UItbuiting tegemoet treden middels liefdadigheid garandeert de grootst mogelijke ellende.
      Bert Spaans ziet het goed. Uiteindelijk zal een promotie onderzoek tot een publicatie leiden. Om de eigen intellectuele behoefte te bevredigen heeft JonaL geen promotietraject nodig. Hij heeft al laten zien uitstekend in staat te zijn buiten universiteiten om te publiceren. Hij heeft voldoende contacten om mensen te vragen om op zijn onderzoek toe te zien. Het grootste verschil is dan uiteindelijk de doctorstitel. Nou, boeien.

    2. Het gaat niet om de genealogie, het gaat om de beweeglijkheid. De DNA-revolutie toont dat mensen en dus ideeën hypermobiel zijn geweest. Dan kun je dus de situatie krijgen dat een Aramese tekst de beste kans biedt om een Latijnse inscriptie uit Keulen of dat een vondst uit Iberië begrijpelijk wordt door te kijken naar iets uit Yemen. Er is geen beperking meer bij het zoeken van het comparandum. De grote uitdaging is nu het vinden van beperkingen om “anything goes” te vermijden.

  15. A. Minis

    Een ding vind ik wel de van moeite van het bedenken waard: “intuítief zei ik ”nee”. Ik ga eerder op mijn intuitie af dan op mijn verstand, maar dat ligt voor iedereen anders. Als ik u was, zou ik toch luisteren naar die innerlijke stem. Zou u echt scherper zijn als het om een promotie-onderzoek ging? Of zou u insuffen van het gelazer eromheen? Zo te lezen is dat niet mis, u zich maar ergeren, ten koste van uw energie. Zou het niet beter zijn om te studeren op die godsdiensten, puur om het plezier van het studeren? U kunt dan altijd nog zien wat u doet met wat u op schrift stelt. Wie weet groeit het uit tot een boek.

  16. Als je weet wat je wilt opschrijven en je promotor ziet het zitten, hoef je als buitenpromovendus niet tien jaar bezig te zijn. Mijn promotor zei: goed plan, dat moet in twee jaar lukken. Hetgeen geschiedde.

Reacties zijn gesloten.