Geliefd boek: The Hare with Amber Eyes

Met Edmund de Waals The Hare with Amber Eyes. A hidden inheritance (2010) heb ik een speciale band. Het boek gaat over de adellijke, Joodse familie Ephrussi uit Wenen. De Ehrussis kwamen oorspronkelijk als graanhandelaren vanuit Odessa naar Wenen. Als in 1862 de Donau een grote overstroming veroorzaakt, leent de familie grote bedragen aan de staat om de kades te herstellen. Het was in het Habsburgse Rijk niet ongewoon om zo’n familie met een adellijke titel te belonen, ook bij Joodse families. De Ephrussis uit Odessa splitsten zich op in een Weense (bankiers) en een Parijse tak (graanhandelaren). Sinds ik het boek kocht heb ik het regelmatig geraadpleegd voor informatie over Joodse adel. Maar natuurlijk ook wegens de indrukwekkende geschiedenis.

De Waal beschrijft zijn speurtocht naar zijn familie aan de hand van een verzameling van 264 netsuke, waaronder een haas met ogen van barnsteen. Toen Japanse mannen nog een kimono droegen werd een netsuke aan de gordel geknoopt om daaraan ‘spullen’ op te hangen. Het zijn kunstzinnige en praktische voorwerpen. Vrouwen stopten kleine spullen in de mouwen van hun kimono.

Edmund de Waal (1967) is een Britse pottenbakker die prachtig wit glazuur gebruikt. Hij dankt zijn Nederlandse achternaam aan zijn grootmoeder Elisabeth Ephrussi (1899-1991) die rechten en economie in Wenen en de Verenigde Statten studeerde. Ze trouwt maart 1928 te Wenen met de Amsterdamse doopsgezinde handelaar in cacao Hendrik de Waal, die gescheiden was en al een zoon had. Het was toen gebruikelijk dat er getrouwd werd in de woonplaats van de ouders van de bruid. Door haar huwelijk verwerft zijn grootmoeder de Nederlandse nationaliteit. Haar zuster Gisela – “younger and far, far prettier” – trouwt met de Spaans-Joodse bankier Alfredo Bauer uit een welgestelde familie.

Het jonge paar vestigt zich in Laren (NH) waar Hendrik de Waal al sinds 1925 woonde. De oudste zoon Victor, de vader van Edmund, werd in 1929 in Amsterdam geboren, de tweede zoon in 1931 te Wenen. Daarna verhuisde het gezin naar Parijs. In 1939 vestigde het gezin zich definitief in Engeland.

In 1991 verwerft de schrijver een tweejarig stipendium om Japans te studeren, het tweede jaar zal hij in Tokyo doorbrengen. Dat biedt hem de mogelijkheid om zijn oudoom Ignace regelmatig te bezoeken die daar al lang woont. Samen bekijken ze de in een vitrine opgestelde netsuke. “It is very big collection of very small objects.” Sommige zijn niet groter dan een duim. Zijn oudoom haalt vaak herinneringen op aan zijn ouderlijk huis in Wenen. Als Ignace in1994 overlijdt erft zijn Japanse vriend Jiro de collectie.

Om te achterhalen hoe de collectie tot stand kwam, gaat de schrijver naar Parijs. Hij bezoekt de Rue de Monceau bij het mooie Parc Monceau, gelegen in het deftige 8ste. De straat kende veel welgestelde Joodse bewoners in de negentiende eeuw, waaronder Rothschilds, De Camondos (tegenwoordig een museum) en de Ephrussis. In Parijs worden de Ephrussis gezien als migranten uit Rusland. Ze richten een handelsmaatschappij voor graan op en krijgen de bijnaam Les Rois de Blé. Maar hun zoon Charles blijkt ongeschikt voor de handel. Hij wordt eigenaar van een krant, ontwikkelt zich tot kunsthistoricus en verzamelaar van kunst. Zo verwerft hij bij een kunsthandelaar een vitrine met de 264 netsuke. Het moet ook toen al een prijzige aanschaf zijn geweest.

De Waal geeft een schets van het leven dat Charles als rijke vrijgezel geleid zou kunnen hebben. Diners, soirees, vrouwen en paarden, kort gezegd. De minnares van Charles is de vrouw van een Joodse bankier. Het is maar een kleine wereld. Wie Marcel Prousts De Kant van Swann heeft gelezen zal die levensstijl bekend voorkomen. De Waal meent dat Charles Ephrussi een van de inspiratiebronnen voor Proust was bij zijn portret van Charles Swann. Proust woonde in dezelfde buurt.

Charles Ephrussi is een neef van Victor Ephrussi, de overgrootvader van Edmund de Waal. Als die trouwt met de pas achttienjarige Emmy Schey von Koronia schenkt Charles het bruidspaar een vitrine met de 264 netsuke. Het wordt gezien als een zeer genereus geschenk. Wel is er het probleem waar die grote vitrine geplaatst moet worden. De vitrine eindigt uiteindelijk in het boudoir van mevrouw.

Wie uit de Universiteit van Wenen aan de Ringstrasse komt, ziet aan de overkant een enorm, stadspaleis met twee torentjes. Op de gevel is met discrete, gouden letters Casinos Austria aangebracht. Dat was de woning van de Ephrussis. Er woonden toen meer welgestelde Joden aan de Ringstrasse (“Ein jüdischer Boulevard”).

Antisemitisme is rond 1900 al een politieke stroming in Wenen. De puissant rijke Ephrussis zijn volledig geassimileerde Joden met een aristocratische levensstijl, ze nemen zelfs deel aan jachtpartijen. Ze gaan nooit naar de synagoge, maar laten de geboorten van hun kinderen wel bij het rabbinaat registreren. Maar ook voor hen zijn er uitsluitingen. Gehuwde niet-joodse vrouwen komen nooit op bezoek. Jonge, ongehuwde mannen komen wel naar diners, maar eenmaal getrouwd verdwijnt het contact. Victor mag lid worden van exclusieve clubs, maar geen bestuurslid. Joseph Roth noemt de Ephrussis in zijn romans Radezkymarsch en Das Spinnennetz. De levensstijl van de Ephrussis is eigenlijk heel internationaal en kenmerkend voor Europese adel en de bourgeoisie, ook in Amsterdam. Maar daar op een veel bescheidener schaal.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog gaat het leven de Ephrussis in dezelfde stijl door. Maar na de wapenstilstand verandert dat. Er wordt een tweede zoon geboren. Er is schaarste aan levensmiddelen. Oostenrijk wordt een republiek. De dochter Elisabeth slaagt erin om zich te laten inschrijven aan de Weense universiteit. “She had escaped. She had made it from one side of the Ringstrasse to the other,” is het commentaar van haar kleinzoon.

Eind jaren dertig nemen antisemitische rellen toe en met de Anschluss maart 1938 is het leven van de overgrootouders voorgoed verstoord. Alleen met steun van hun kordate dochter Elisabeth, beschermd door haar Nederlandse paspoort, lukt het uiteindelijk Oostenrijk te verlaten. De niet-Joodse kamenierster Anna is de enige die in het immense gebouw achterblijft. Het echtpaar reist naar Slowakije. Daar kunnen Victor en Emmy geen kant meer op. Er is geen geld. De overgrootmoeder overlijdt daar en Victor blijft alleen en hulpeloos achter. Weer lukt het Elisabeth vlak voor de het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hem naar Engeland te halen waar hij in 1945 overlijdt.

De Gestapo neemt het Ephrussipaleis in beslag en het wordt systematisch leeggeroofd. De kamenierster Anna wordt gedwongen mee te helpen. Het lukt haar dagelijks enkele netsuke uit de vitrine te pakken en in haar matras te verstoppen. Als Elisabeth in 1945 naar het paleis terugkeert, vertelt een Amerikaanse militair in het gebouw dat er iemand in het paleis woont. Het blijkt Anna te zijn, die Elisabeth alle 264 netsuke overhandigt. Naast zijn grootmoeder, is Anna de tweede bijna onzichtbare heldin van het verhaal. Het lukt De Waal niet om te achterhalen wat haar achternaam is en wat er met haar is gebeurd. Uiteindelijk komt de collectie bij de schrijver zelf terecht. Hij wordt de vijfde eigenaar.

Het boek werd door verscheidene uitgevers geweigerd. Het was dus niet te voorzien dat het een internationale bestseller zou worden. Het werd in het Nederlands vertaald, en in vele andere talen

[Op mijn uitnodiging aan de vaste lezers van deze blog om geliefde boeken te delen, ging Huibert Schijf voor de achtste keer in. Bedankt Huibert!

Mocht nog iemand zin hebben om mee te doen – stuur maar in. De lockdown duurt nog wel even, er is geen bal op TV maar wel een avondklok, en u verrijkt uw mede-blog-lezers door ze op mooie boeken te attenderen.]

11 gedachtes over “Geliefd boek: The Hare with Amber Eyes

  1. Henk

    Geweldig boek inderdaad. Ben in Odessa bij de woning geweest, maar de communisten hadden er weinig respect voor, de bomen groeien uit de ramen.
    Het boek van Elizabeth is wat minder van kwaliteit …..

  2. Truus Pinkster

    Ook ik heb dit boek, ademloos bijna, gelezen.
    Mij leerde het ook heel veel over het vooroologse (WOII) virulente ant-semitisme in Oostenrijk
    Ik zal het nooit vergeten.

    1. Frans van Burkom

      Ja, absoluut een meesterwerk van deze ook al geniale keramist. Maar lees het in het Engels en vooral niet in de rampzalige Nederlandse vertalingen zoals daar zijn ‘Het Knopenkabinet’ of nog veel erger ‘De Haas met de amberkleurige ogen’, waarmee een uitgever de markt dacht te kunnen veroveren, daarbij per abuis naar een echte haas verwijzend, in plaats van naar een haasvormig kunstobject.

      1. Het probleem is niet de vertaling “haas” voor “haasvormig kunstvoorwerp”, maar de vertaling “amberkleurig” waar het materiaal barnsteen bedoeld wordt. Titel werd bij herdruk gewijzigd.

  3. Ja, een heel indringend boek.
    En als je het gelezen hebt, lees dan ook De Waals prachtige boek over zijn zoektocht naar de oorsprong van porselein: The white road. Een soort logboek over de reizen die hij in tijd en ruimte maakt naar de diverse centra van productie. Het ‘oergebied’ in China en alle Westerse pogingen om dat toen wonderbaarlijke materiaal na te maken. Smullen. Na het lezen zal dat suffe porseleinen kopje, mooi of lelijk, nooit meer hetzelfde zijn.

  4. Elizabeth

    Ha, weet je wat ik nu aan mijn man voorlees? The Hare with Amber Eyes.
    Na Radetskymars (Joseph Roth), The Little Book (Selden Edwards) en The Children’s Book (A.S. Byatt) te hebben voorgelezen, komen we de periode van zeg maar 1860 tot 1920 in Parijs, Londen, Vienna beter te kennen.

    Edmund de Waal’s The White Road is inderdaad ook een fijn boek.

  5. “er is geen bal op TV”
    Och, Met het Mes op Tafel is best leuk – er zijn zelfs regelmatig vragen bij die met de Oudheid te maken hebben, soms triviaal, soms minder. Zoals gisteren: in welk tegenwoordig land ligt Antiochië? Het programma daarna (alleen op woensdag), Atlas, is ook van een behoorlijk niveau, zij het eenzijdig (geen mens- en sociale wetenschappen tot nu toe). Ze zijn er wel voor de avondklok ingaat, maar daar hebben we Uitzending Gemist voor.

Reacties zijn gesloten.