De grenzen van de Oudheid

Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

Bakermat

Maar wat is die Oudheid nou? De auteurs noemen het “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

Bepalen, vormen, beïnvloeden

Bepalen is vormen. U en ik maken elke dag op allerlei momenten allerlei keuzes. Als iets of iemand ons gedrag bepaalt, zijn die keuzes niet langer helemaal vrij. Wat De Blois en Van der Spek dus feitelijk zeggen is dat de Oudheid een cultuur had die ons gedrag nog altijd beïnvloedt. Een vroegere samenleving vormt, bepaalt, beïnvloedt door de eeuwen heen het gedrag in een latere samenleving.

Een voorbeeld. Terwijl ik dit schrijf, moet ik kiezen of ik straks ga slapen in mijn slaapkamer of dat ik mijn matras in de woonkamer leg, waar een kachel staat. Die tweede keuze is praktisch, de eerste is ingegeven door een traditie. We maken al eeuwen onderscheid tussen woonvertrekken en slaapvertrekken. We hebben een soort natuurlijke reflex, een habitus, om het te doen zoals we altijd hebben gedaan. Ooit is dat onderscheid ontstaan, het is doorgegeven en het bepaalt hoe we nu handelen. We kunnen het anders doen, maar dat is dan een keuze tegen wat we van nature van culture geneigd zijn te doen.

Voorbeelden

Ik vind het moeilijk zaken uit de Oudheid aan te wijzen die ons leven nog steeds vormen. Als ik het erover heb, wijs ik vaak op ons dagritme. We hebben allemaal verschillende circadiaanse ritmes maar toch is onze hele samenleving ingericht op ochtendmensen. Dat is een erfenis uit een agrarische samenleving, waarin het gros van de mensen met de kippen op stok ging en opstond om de koeien te melken. Maar veel verder dan dit voorbeeld kom ik eigenlijk niet en ik ben me ervan bewust dat dit eerder iets uit de Prehistorie is dan uit de Oudheid.

De Blois en Van der Spek geven andere voorbeelden.

  • De grote monotheïstische godsdiensten: dat is inmiddels zo’n wijd conglomeraat aan ideeën dat je elk denkbeeld én zijn tegendeel eraan kunt ophangen. De drie godsdiensten zijn vooral zélf gevormd door de samenlevingen waarin ze bestaan.
  • Bouwkunst, beeldende kunsten, letterkunde: hier is geen sprake van invloed maar van inspiratie – de actieve keuze van iemand in een latere periode om aansluiting te zoeken bij het verleden. Dit is dus het tegengestelde van invloed, die er altijd is en die je ondergaat, tenzij je er een keuze tegen maakt.
  • Recht: we hebben de vormentaal ontleend aan de Romeinse wereld maar drukken daarmee een volkomen andere inhoud uit.
  • Filosofie: idemdito, maar dan met Grieken.
  • Opvoeding in de Griekse en Romeinse cultuur: tautologie (“We zijn gevormd door de antieke cultuur omdat we mensen opvoeden in de antieke cultuur”)
  • Wetenschap: definitiekwestie.

Vorm en inhoud

Wat volgens mij het geval is, is dat er in de religie, bouwkunst, beeldende kunsten, recht en filosofie antieke vormentalen bestaan die we nog altijd hanteren, hoewel de inhoud aan vormende krachten wezenlijk anders is. Ik denk dat te verdedigen valt dat die inhoud – zeg gemakshalve: de westerse beschaving – is ontstaan tijdens de Renaissance van de Twaalfde Eeuw of de Verlichting. Dit geldt niet voor trivialiteiten als slaapkamers, maar de echt grote gedachten van onze tijd, die ons gedrag werkelijk beïnvloeden, zijn niet antiek.

(Tussen haakjes: de ironie dat ik hier een Aristoteliaans onderscheid tussen vorm en inhoud gebruik om iets uit te leggen, ontgaat me niet.)

(Nog een tussen haakje: u merkt dat ik de islamitische cultuur uit het verhaal weglaat. Dat is omdat die, kort door de bocht, ook een kant heeft die het klassieke erfgoed afwees en haar creatieve kant juist dáár zit. Dit is ook waar haar bijdrage aan de westerse beschaving het sterkst is.)

(Nog een tussen haakjes: het gemakzuchtige argument dat alle denken over culturele continuïteiten ontaardt in essentialisme, is precies dat – gemakzuchtig.)

Besluit

Ik denk dan ook dat De Blois en Van der Spek iets anders hadden moeten schrijven: de Europese cultuur heeft de afgelopen eeuwen inspiratie ontleend aan de Joods-Grieks-Romeinse cultuur en hun voorgangers in Egypte en Mesopotamië. Het is een latere keuze geweest om op de Oudheid terug te grijpen en de grenzen van de Oudheid zijn niet die van het object dat onze cultuur vormt, maar zijn de grenzen die het kennend subject eraan oplegt.

In gewone mensentaal: de Oudheid van De Blois en Van der Spek is simpelweg wat we in West-Europa altijd de Oudheid hebben genoemd. De grenzen van de wetenschappelijke vakgebieden zijn nu eenmaal historisch gegroeid.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

17 gedachtes over “De grenzen van de Oudheid

  1. jacob krekel

    Een voorbeeld van de invloed van de Romeinen is het onderscheid tussen eigendom en bezit. De Romeinen hadden een woord voor de totale, en ongelimiteerde beschikkingsmacht over iets, ons concept “eigendom”. Dat begrip is vrij zeldzaam, de bijbel b.v. kent het niet, dat komt niet verder dan bezit, het houderschap van een zaak. Volgens economen is zonder eigendom de moderne economie, en de start daarvan in de 18e eeuw, eigenlijk onmogelijk, want die berust erop dat mensen eigendom kunnen verwerven en zodoende door een onzichtbare hand toch bijdragen aan het algemeen welzijn. De merites van deze gedachtengang laat ik in het midden, maar het is duidelijk een geval van invloed vanuit de oudheid.

    1. Nee hoor, want net als bij “wetenschap” zijn “eigendom” en “bezit”een kwestie van definitie. Volgens de argumentatie van JonaL dan, want ik ben het met u eens.

    2. Ik denk inderdaad dat we het in deze sfeer moeten gaan zoeken: de noties die aan het eigenlijke denken voorafgaan. Het onderscheid tussen beschaving en barbarij lijkt me er ook zo een. Ik zit te piekeren over een blogje over het denkbeeld dat een beschaving ten onder kan gaan.

    3. Inderdaad denk ik dat het onderscheid tussen eigendom (dominium) en bezit (possessio) een belangrijk gedachtegoed van de Romeinen is dat doorwerkte in latere rechtssystemen. Maar het is niet exclusief Romeins, al is dit wel de gangbare opvatting. Ik heb in mijn proefschrift, Grondbezit in het Seleucidische rijk (Amsterdam -VU-, 1986: 6-44) proberen aan te tonen dat het Babylonische en het Griekse recht dit onderscheid ook kenden. Het proefschrift is vrij toegankelijk online (via de VU en via mijn academia.edu webpagina). Wellicht heb ik niet iedereen overtuigd.

      1. jacob krekel

        Het is best mogelijk dat er nog andere rechtssystemen zijn die dit onderscheid ook kennen, maar – zo heb ik vroeger op college geleerd – wij hebben het van de Romeinen geërfd.

  2. “Als iets of iemand ons gedrag bepaalt, zijn die keuzes niet langer helemaal vrij.”
    Er is altijd wel iets of iemand die onze keuzes beïnvloedt. Het valse dilemma “of vrije wil is absoluut of er is geen vrije wil” maakt vele, zo niet de meeste discussies over het onderwerp zo onzinnig.

    “dat de Oudheid een cultuur had die ons gedrag nog altijd beïnvloedt”
    Dit is gemakkelijk aan te tonen: christelijke religie, het deductieve denken van de oude Grieken en de systematische waarnemingen van de Babyloniërs voldoen aan alle criteria van continuïteit.

    “De drie godsdiensten zijn vooral zélf gevormd door de samenlevingen waarin ze bestaan.”
    Dit is geen tegenwerping. Continuïteit betekent niet onveranderlijkheid. De drie voorbeelden komen niet exclusief in de westerse cultuur voor (waarbij ik christelijke religie vervang door religie in het algemeen en kruisbestuiving door globalisatie negeer) maar ook weer niet in alle menselijke culturen. Willen we weten hoe dat komt dan komen we onvermijdelijk bij de Oudheid terecht.

    “hier is geen sprake van invloed maar van inspiratie”
    Je kunt je afvragen hoe relevant dit onderscheid is.

    “drukken daarmee een volkomen andere inhoud uit.”
    Ja en? Maak de tijdsspanne lang genoeg en dit wordt onvermijdelijk. Hiervan worden we nauwelijks wijzer.

    “Wetenschap: definitiekwestie.”
    Ja en? We hebben nou eenmaal definities nodig om te weten waarover we het hebben. Feit blijft dat moderne wetenschap zowel gebruik maakt van deductie als van inductie. Feit blijft ook dat de oude Grieken de laatste hebben ontwikkeld (en ja, zij werden ook beïnvloed), zowel in wat wij tegenwoordig filosofie noemen als in wetenschap. Feit blijft daarbij dat de Babyloniërs de eerste hebben ontwikkeld.
    Een nauwe definitie van wetenschap, waar ik de voorkeur aan geef, is methodologisch naturalisme. Wel, Sir Isaac Newton was volgens deze definitie geen pure wetenschapper, want hij gebruikte een god om zijn model van ons Zonnestelsel rond te krijgen. Toch is het absurd te stellen dat hij daarom geen invloed had op de natuurkunde zoals die op onze middelbare scholen wordt onderwezen.
    Volgens mij leg jij de lat veel te hoog mbt “de Oudheid beïnvloedt de hedendaagse westerse cultuur”. Op jouw manier heeft niets van voor WO-2 nog enige invloed anno 2021. Dat kun je volhouden, maar draagt niets bij tot ons begrip.
    Het is wel gezellig om het zo oneens te zijn met je.

  3. sara

    Het is allemaal een kwestie van woorden uiteindelijk. Ik heb al moeite met de term ‘oudheid’.
    Maar ja, we moeten het beestje toch een naam geven.
    Misschien is ‘Historie van vroegere beschavingen’ een idee. Als we kijken wat toen bedacht en gedaan is, kunnen we duidelijk aangeven wat we daarvan nu nog allemaal denken, geloven en gebruiken. Ik zie dat niet zozeer als beïnvloeden e.d., maar eerder als voortbouwen op.

    Kenner van Sumerië, Samuel Noah Kramer behandelt in zijn boek ‘History begins at Sumer’ maar liefst 39 onderwerpen die voor het eerst in Sumerië ontstonden. Je kunt ze de voorlopers noemen.
    Zaken zoals: de eerste scholen, zenuwoorlog, geschiedschrijver, Mozes, pharmacopeia, landbouw almanak, cosmogonie en cosmologie, moraal, spreekwoorden en gezegden, dierenfabels, Noah, liefdesgedicht, bibliotheekcatalogus, messiassen, Mater Dolorosa, aquarium, om enkele te noemen.

    Dit zou ik graag op de middelbare school op het lesprogramma gehad willen hebben. En vandaar ’terug’ naar onze tijd. Dan beseffen we dat de vorm kan verschillen, maar dat de inhoud nog steeds (grotendeels) dezelfde is. Ik weet niet of ik dat eigenlijk verontrustend moet vinden, gezien wat er allemaal gebeurt in ons huidig tijdsgewricht..

    Dit waren zomaar wat losse gedachten.

  4. “De Oudheid is gewoon leuk… Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen”
    Een uiterst gevaarlijke opmerking: wie moet dat dan betalen en waarom dan juist deze hobby; en ten koste van welke andere?

    1. Ik weet niet of de constatering van een feit ooit gevaarlijk is. Dit weet ik wel: de Oudheid is gewoon leuk, net als een film of een concert, en een liefde voor film, muziek of de Oudheid behoeft geen rechtvaardiging.

      Dat de overheid wetenschappelijk onderzoek subsidieert, verdient wél rechtvaardiging. En dat kan stukken beter, want de claim dat de geesteswetenschappen belangrijk zijn en het feit dat de inzichten zelden professioneel worden gedeeld (Neerlandistiek.nl is een positieve uitzondering), zit nogal wat lucht. Om niet te zeggen: de claim dat de geesteswetenschappen belangrijk zijn, is slechts een niet-onderbouwde claim.

      1. Jona
        Als je bedoelt je constatering dat het “leuk” is dan heb je daarmee financiers een gevaarlijk argumnet aangedragen. Dan lok je de vraag uit waartoe het dan moet worden betaald door de gemeenschap voor algemeen nut

        1. Die vraag mag ook gesteld worden, vind ik. Het zijn gemeenschapsmiddelen en die moeten worden verspild aan de hobby’s van wie dat toevallig leuk vindt. De Raad voor de Cultuur typeerde bijvoorbeeld de limes als “hobby en lobby”. Dat geld viel beter te besteden.

          Er zijn meer voorbeelden waar ik, als oudheidkundige, denk “geef me geld want ik vind het leuk”, en als burger denk “besteed dat geld daar waar meer kenniswinst valt te boeken”.

          1. Jona
            De Limesisten zijn miscchien wel het beste voorbeeld. Blijkbaar de club met de best lobby. Je hebt heel duidelijk gemaakt dat dat juist het verkeerde voorbeeld is voor het inzicht in de geschiedenis der lage landen. Nu ik hier toch ben: via overhoren van mijn kleinzoon krijg ik ook het canon helemaal mee. Onbegrijpelijk. Van de ene periode en regio direct naar de andere zonder tijdbalk of verbindende tekst. Terug verwijzen naar namen en gebeurtenissen die niet besproken zijn.
            Weetjes moeten kunnen reproduceren zoals wat deden de Egyptenaren met de doden?; met alle redelijk gruwelijke details.
            Heb je het boek zelf gelezen?

  5. Ik zie dat FrankB al veel gras voor mijn voeten heeft weggemaaid, maar ik plaats het stukje dat ik net geschreven heb toch maar.

    “Wortel trekken”.
    Over dit onderwerp bekvechten Jona en ik al zo’n dertig jaar zonder elkaar te kunnen overtuigen. Let us agree to disagree, maar misschien kan ik lezers van dit stukje overtuigen. Laat ik beginnen met een meevoelen met Jona: ook ik word altijd een beetje misselijk van wat wijlen Govert van Driel, assyrioloog te Leiden, “wortel trekken” noemde. Zo’n beetje alles zou in Griekenland zijn wortels hebben, zoals democratie (quod non), toneel (quod non), en verder vrijwel alles. Ook het gedweep met “oudste” vind ik vermoeiend: de eerste democratie (Sumer? Athene? Nederland?), de eerste wereldtaal (welke is dat? Akkadisch, Aramees, Latijn, Engels?), de eerste steden (wat is een stad eigenlijk?), de eerste periode van globalisering (de Hellenistische? De Romeinse keizertijd? De tijd van de ontdekkingsreizen (16e eeuw), of toch pas de 19e eeuw met mondiale arbeidsverdeling?).
    Maar dan komt het verschil. Jona wekt de indruk dat ik (de inleiding is grotendeels door mij geschreven) beweer dat alles wat we nu hebben, in een rechte lijn uit de Oudheid komt. Dat is niet zo en dat beweer ik ook niet. Jona trekt om mij te typeren het woord ‘bepalen’ uit zijn verband. Ik beweer niet dat de antieke godsdiensten ons leven ‘bepalen’, maar dat ‘[T]al van zaken die de westerse en islamitische culturen heden ten dage bepalen’ in de oudheid zijn ontstaan. Dus niet dat de oude culturen ons leven bepalen. Dat gaat inderdaad te ver. En sommige zaken hebben inderdaad weinig met de oudheid te maken, al wordt dat vaak beweerd. Onze democratie is ontstaan in de Middeleeuwen (standenvergaderingen) en heeft niets met de Atheense democratie te maken, ons toneel komt ook uit de Middeleeuwen (abele spelen) en hebben pas veel later inspiratie opgedaan uit de antieke spelen. Maar in veel gevallen is er wel degelijk een lijn te trekken van Oudheid tot heden. Jona noemt zes van mijn voorbeelden en bestrijdt die. Wat hij echter doet is een bewering in mijn schoenen schuiven die ik niet doe en gaat die vervolgens bestrijden. Ik benoem ze alle:
    1. Christendom. Jona zegt: ‘De drie godsdiensten zijn vooral zélf gevormd door de samenlevingen waarin ze bestaan.’ Natuurlijk is dat waar, maar dat neemt niet weg dat de godsdienst ontstaan is door het optreden van Jezus in de tijd van Keizer Tiberius en doordat het christendom al in de oudheid al een instituut werd. En natuurlijk is het christendom van nu niet hetzelfde als dat van 2000 jaar geleden, maar dat beweert niemand.
    2. Bouwkunst, beeldende kunst, letterkunde. Jona zegt: ‘hier is geen sprake van invloed maar van inspiratie – de actieve keuze van iemand in een latere periode om aansluiting te zoeken bij het verleden’. Inderdaad is de rechte lijn hier vaak niet te trekken en gaat het vaker om ‘receptie’ = bewust inspiratie zoeken, dan om ‘Nachleben’, ‘voortleven’. In mijn onderwijs wees ik altijd uitdrukkelijk op dit verschil. Ik zie nu dat ik dit in de inleiding niet gedaan heb. Ik ga er wel op in in de Epiloog, i.h.b. op de laatste bladzij, p. 350. Maar ook hier geldt, dat zeker niet alles na 1200 ontstaan is op een tabula rasa.
    3. ‘Recht: we hebben de vormentaal ontleend aan de Romeinse wereld maar drukken daarmee een volkomen andere inhoud uit.’ “Volkomen andere inhoud” is om te beginnen zwaar overdreven, maar zelfs als dat zo zou zijn, nou en? Die vormentaal is bepaald niet onbelangrijk. Inhoud en vorm zijn trouwens niet makkelijk te scheiden.
    4. ‘Filosofie: idemdito, maar dan met Grieken’. Ook hier: nou en? Natuurlijk is de moderne filosofie niet gelijk aan de Griekse, maar wel zijn daar discussiepunten aangeroerd, die nog steeds en in al die eeuwen ertussen onderwerp geweest zijn van filosofisch debat met voortdurende verwijzingen naar Aristoteles en anderen. Jona zelf houdt niet op de zeggen hoe belangrijk het “Organon” van Aristoteles is voor de moderne logica.
    5. ‘Opvoeding in de Griekse en Romeinse cultuur: tautologie (“We zijn gevormd door de antieke cultuur omdat we mensen opvoeden in de antieke cultuur”)’. Nee, dit is geen tautologie. Want als de Europeanen waren opgehouden onderwijs te geven in Latijnse en Griekse taal en cultuur, zou van voortleven of receptie geen sprake kunnen zijn.
    6. ‘Wetenschap: definitiekwestie.’ Dit is wel een vage kritiek. Wetenschap wordt heden ten dage anders bedreven dan in de Oudheid (zoals alles anders was in de oudheid). Nochtans kan men zeggen dat de moderne astronomie begonnen is in Mesopotamië (dus toch een eerste? Nou vast niet, maar wel de eerste die we goed kunnen bestuderen), dat dankzij Alexander de Grote de Grieken konden kennismaken met de Babylonische databestanden, en dat zij daarmee verder aan het werk gingen. Hierop bouwden Middeleeuwse en latere astronomen op voort, ja, ook door concepten uit de oudheid radicaal af te wijzen. Maar dat is de basis van wetenschap. Interessant is een boek van Francesca Rochberg, ‘The Heavenly Writing’ (Cambridge University Press 2004), waarin zij de verschillen uitlegt tussen de manier van wetenschappelijk redeneren van de oude Babyloniërs en moderne wetenschappers. Dus ja, andere wetenschap, maar er is toch een lijn.
    Bert van der Spek, Haarlem, 10-2-2021.

  6. Of wij nu al dan niet geloven in astrologie (gebaseerd op zeer oude astronomie met achterhaalde dierenriem en oude namen voor sterrenbeelden e.d.), wanneer ik op mijn (kwarts)horloge met Romeinse cijfers kijk, zie ik een uurwerk met 60 minuten en elke minuut 60 seconden. Pogingen onder de Franse Revolutie om samen met ons tiendelig metriek stelsel ook tiendelige uurregeling in te voeren zijn grandioos mislukt.
    Tiens, waarvandaan kwam dat rare ouderwetse 60-delige systeem weer?

    1. kijk eens in combinatie met Sumerie bij Wikip
      ik herinner me dat een antwoord is dat 6 deelbaar is door 2 en 3 en daardoor een makkelijker stelsel isgrondtal vormt dan 10

  7. Dirk

    Inderdaad. Ik geniet hiervan als van een voetbalwedstrijd: op geen enkele wijze zou ik iets kunnen bijdragen op het veld, maar het is aangenaam om van de zijlijn te mogen kijken naar het geleverde spel. Een verademing ook tegenover vele andere hedendaagse debatten, omdat mensen hier de moeite doen om elkaars gedachtengang te begrijpen.
    Ik ben toch niet zo strikt in het definiëren van invloed. Receptie komt ook niet uit de lucht vallen.

Reacties zijn gesloten.