5. Het probleem

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het vijfde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

De letterenfaculteiten maakten geen beleid om toch doctorandi 2 op te leiden, hoewel dat gewoon kan. Van Rens Bod is bijvoorbeeld de suggestie alle letterenfaculteiten te fuseren tot één instelling die er weer toe doet. Zelf heb ik een iets bescheidener voorstel gedaan: fuseer de oudheidkundige instituten tot één instelling die wél een deuk in een pak boter slaat. In plaats van het wetenschappelijk minimum op deze of een andere manier te verdedigen, stonden de faculteiten toe dat doctorandi 1 solliciteerden naar promotieplaatsen. Waar ooit twaalf jaar waren verstreken tussen propedeuse en promotie, ging het voortaan in acht. Sindsdien zijn proefschriften fors uitgevallen scripties.

Ook in het onderwijs daalde het niveau. De kennismakingen met verwante disciplines verdwenen steeds verder naar de achtergrond. Archeologen leren geen Latijn meer, classici weten onvoldoende van geschiedtheorie.

De niveaudaling raakt ook oudere academici, die nog wel wetenschappelijk zijn opgeleid. Ze profiteren namelijk niet langer van de nieuwe ideeën die ouderejaarsstudenten ooit meenamen vanuit hun bijvakken. In Bedrieglijk echt beschrijf ik hoe makkelijk bijbelwetenschappers en classici overgaan tot de publicatie van papyri met een onduidelijke herkomst, die vaak vals blijken. Zulke problemen zouden zijn voorkomen als de onderzoekers genoeg hadden geweten van laboratoriumtechnieken, bijvoorbeeld doordat de onderwijspraktijk nog had bestaan waarin het overzicht van docenten samenkwam met de nieuwe inzichten die studenten opdeden bij hun bijvakken. Je merkt het ook aan het ontbreken van methodische vernieuwing: het blijft beperkt tot de positieve heuristiek, de negatieve blijft ongewijzigd. Men speelt op veilig.

Ik vertel natuurlijk niets nieuws als ik zeg dat er problemen zijn in het onderwijs en het onderzoek. André Klukhuhn waarschuwde al in 1987 voor de problemen in een boek dat Hypothese van het heden heette; Christien Brinkgreve, Kees Fens, Herman Koningsveld, Chris Lorenz, Bart Tromp en nog een hele batterij vooraanstaande academici kwamen een paar jaar later met het pamflet Van het universitair front geen nieuws. De universiteiten zijn dertig jaar doorgegaan met het uitvoeren van wanbeleid.

Aan hun derde grote taak, de overdracht van inzichten, kwamen de overbelaste geesteswetenschappers helemaal niet toe. Een fatale fout. Inzicht verwerven in de eigen denkbeelden is immers betekenisloos als die inzichten niet tot de mensen doordringen.

Sinds de jaren tachtig is zo een tegenstelling gegroeid tussen enerzijds het grote maatschappelijke belang van de humaniora en anderzijds de academische praktijk, waarin het onderzoek te gespecialiseerd, het onderwijs te kort en de overdracht afwezig is. Hierdoor is moeilijk uit te leggen dat de humaniora ertoe doen.

[Vandaag bestaat mijn blog tien jaar. Ik maak een persoonlijke balans op. Dit stuk wordt vandaag nog zeven keer vervolgd.]