Op de fiets naar Thessaloniki (4)

Mijn fiets, met volle tassen.

Ik heb u al eens verteld over Peter Connolly, de Britse tekenaar die zoveel heeft gedaan voor de bestudering van de antieke krijgskunst. Je kunt de redacteuren die beeldmateriaal gebruiken om de oude wereld te tonen, rustig indelen in twee groepen: degenen die menen dat een rechtenvrij Renaissance-schilderij of een negentiende-eeuwse gravure goed genoeg zijn en degenen die de kwaliteit willen halen die Connolly haalde. Hij kon echter ook goed schrijven en het was zijn verhaal over Hannibal dat me ertoe bracht de Alpen over te gaan. [[Vul hier zelf uw grap over olifanten en fietsen in.]]

Over de vraag welke pas Hannibal heeft genomen, was vorig jaar nog het een en ander te doen, maar voor zover ik kan zien heeft Connolly het probleem al in de jaren ’70 nuchter tot normale proporties teruggebracht en opgelost. U leest hier mijn samenvatting. Het ging om de Col du Montgenèvre tussen Briançon en Turijn. En daarover wilde ook ik Italië binnenrijden.

Vertrekkend uit Saint-Jean reed ik richting Grenoble, waar de echte klim begon. Ik herinner me van die stad overigens maar heel weinig. Wel weet ik dat ik het Maison Champollion niet heb bezocht; het is namelijk niet  in Grenoble zelf maar aan een route die ik niet nam. Die route, die bekendstaat als de Route Napoléon, zou ik overigens hebben kunnen nemen als mijn afkeer van klimmen groter was geweest, want deze weg leidde naar Marseille en zou me de Alpenpassen hebben bespaard. Ik weet nog dat ik erover heb gedacht die kant op te gaan. Het verlangen Hannibal achterna te gaan was echter  groter en achteraf zeg ik: gelukkig maar.

Ik heb bij de Carrefour groot ingekocht omdat de volgende dag een zondag was (en de winkels in 1992 nog sloten op die dag). Ik herinner me bovendien dat ik op een ansichtkaart aan een jongen van zes heb opgesomd hoeveel pasta, chocolade, bananen en cola ik nodig dacht te hebben. Later zou ik horen dat het kind daar diep van onder de indruk was geweest.

Langs de rivier de Romanche reed ik verder naar het zuidoosten om bij Le Bourg d’Oisans mijn tent op te slaan. Die plaatsnaam kent u want het is inderdaad het dorpje aan de voet van de beroemde klim naar L’Alpe d’Huez. Ik herinner me dat ik moe bij Camping La Piscine aankwam, met 120 kilometer achter de rug. Sinds Saint-Jean was ik 350 meter hoger gekomen. Bergrijden was niet echt mijn ding, zo wist ik nu (als ik al had getwijfeld) heel zeker, en de echte klim moest natuurlijk nog komen.

***

De volgende dag, een zondag, was het loeiheet. Ik zweette de zonnebrandcrème even hard mijn poriën weer uit, waardoor ik weinig grip had op mijn stuur. Maar het lukte: met een klein verzet klom ik gestaag hoger en hoger over een helling van 8%. Later halveerde dat percentage maar wat vooral fijn was, was dat het eindeloos lang zo bleef. Je kunt dan in een ritme komen. Evengoed heb ik een deel gelopen, uitkijkend over de rivier beneden me. Rond het middaguur was ik bovenaan de Col du Lautaret, op 2058 meter hoogte, ruim 1300 meter hoger dan Le Bourg d’Oisans. Andere fietsers zullen er minder moeite mee hebben gehad dan ik, maar ik heb ’t ’m wel geflikt.

Misschien was het hoogtepunt van mijn fietstocht – de woordspeling was onbedoeld maar komt me eigenlijk goed uit – wel het moment waarop ik me, thee drinkend, realiseerde dat ik tussen de skiërs zat. Ik was boven de sneeuwgrens.

Daarna mocht ik naar beneden. Ik heb al eens verteld over de bijna mystieke ervaring die ik had toen ik het 900 meter lager geleden Briançon binnenreed – u leest het hier nog eens. Ik kan wel wat verzinnen over zuurstofgebrek en hallucinaties maar het is werkelijk zo gegaan.

Van de stad zelf herinner ik me de vestingwerken van Vauban en de camping municipal bij de rivier, waar ik die middag de enige bezoeker was. Tot ergernis van de exploitant, die liever een vrije avond zou hebben gehad en wraak op me nam, denk ik, door het warme water van de douche af te sluiten. In elk geval: ik had die dag slechts 75 kilometer afgelegd maar was een wereld verder gekomen.

***

Col du Montgenèvre

Het regende heel licht toen ik begon aan de beklimming van de tweede pas, de Col du Montgenèvre. Ik zal niet zeggen dat het gemakkelijk was, maar na de Col du Lautaret viel het mee: van Briançon naar de top is een klim van 700 meter, iets meer dan de helft van het hoogteverschil van de dag ervoor. Dit was dus waar Hannibal de Alpen over was gegaan.

Op de pas lag een verlaten wintersportdorp waar ik mijn eerste lires opnam maar niets te eten of te drinken kon kopen. De douane zwaaide me door, ik was in Italië en kon beginnen aan de afdaling naar een wat vriendelijker landschap.

[Het zomerfeuilleton, waarvan het eerste deel hier was te vinden, gaat later deze week verder op de Povlakte. Als u er een landkaartje bij zoekt, dan is er nog een Google Earth-bestand voor u.]

5 gedachtes over “Op de fiets naar Thessaloniki (4)

  1. Ben Spaans

    Peter Connolly’s boek over Hannibal lijkt nooit in een Nederlandse vertaling uitgebracht te zijn, i.t.t. zijn boeken over de Romeinse en Griekse legers. Jammer, ik heb het helemaal gemist. Ook vraag ik me af waarom Connolly nooit iets vergelijkbaars heeft gepubliceerd over de legers van de late Romeinse keizertijd (maar gelukkig hebben we nu Ken Broeders – ik heb onlangs de volledige Apostata-reeks kunnen aanschaffen).

    Diep respect voor je fietstocht van toen. Ik zou er niet eens aan durven beginnen.

  2. John

    indrukwekkend,,,alleen verkeerde pass, Hannibal is zeer waarschijnlijk over de Clapier gegaan, men zoekt daar nu naar olifantenbotten. Clapier nog steeds nauwelijks begaanbaar, begin gemakkelijk, maar tweede helft zeer zwaar.

      1. John

        John Hoyte was een van de eersten die de Clapier als meest waarschijnlijke aangaf. Deze voldeet aan alle voorwaarden. Hoyte trok zelf met olifant over de Alpen, maar nam niet de Clapier omdat die te moeilijk was, met name de afdaling richting Susa is vrijwel onmogelijk. Het onderwerp is de energie misschien niet waard, maar stel dat men kan bewijzen dmv het aantreffen van olifantenbotten, dat dit de route van Hannibal was, dan zou blijken 1) wat voor onmenselijke prestatie Hannibal geleverd heeft gezien de zwaarte van de passage en 2) dat Livius qua nauwkeurigheid van beschrijving ook een huzarenstukje geleverd heeft.
        Bij een andere mogelijke passage, de Col de la Traversette meent men weliswaar ontlasting van olifanten te hebben gevonden uit die periode, maar het is waarschijnlijk dat Hasdrubal, de broer van Hannibal, deze route enkele jaren na Hannibal genomen heeft met een leger met olifanten. Bepaald minder succesvol, al snel werd zijn leger verslagen.
        Blijft een interessante puzzel waar historici zich al lang over buigen en die op een dag wel opgelost zal worden door het aantreffen van botten die voldoende gedateerd kunnen worden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s