Lucanus over Caesars oversteek naar Albanië

Romeins oorlogsship (quadrireme) op een munt uit Patras (Museum für antike Schifffahrt, Mainz)

Als ik u zeg dat het 4 januari was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 28 november 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag morgen 2069 jaar geleden?”

Hij was bezig met de overtocht van de Adriatische Zee. Kort daar voor was hij aangekomen in Brindisi in de hak van Italië en zoals we al zagen waren daar meer manschappen dan zomaar mee te nemen waren op de schepen – waarvan er te weinig waren. Desondanks waagde hij zich aan de oversteek. Op 5 januari (29 november 49) zette hij voet aan wal in Palasë in het huidige Albanië.

De gebeurtenis is een ruime eeuw later beschreven door de dichter Lucanus, die in zijn Pharsalia vertelde over de Tweede Burgeroorlog. U moet weten dat in de Grieks-Romeinse letteren iedere tocht over zee altijd werd verstoord door een storm en niet zelden ook een schipbreuk (morgen meer). Als Lucanus geen storm op zee zou hebben ingelast, zou zijn publiek vreemd hebben opgekeken: “hè, dat is raar, zou hij geen gedicht kunnen schrijven over een storm? wat een incomplete dichter!” Lucanus kon echter geen gebeurtenis verzinnen die er niet was geweest – en dus ontneemt hij de opvarenden de verwachting van een gezellige schipbreuk.

***

De zon zeeg onder de zee en de eerste sterren verschenen,
reeds dankten de dingen hun schaduw aan ’t bleke schijnsel van Luna,
toen tegelijk alle schepen het anker lichtten: de touwen
vierden de zeilen, de zeelui richtten de ra, ze spanden het zeildoek
aan met de linkerschoot en hoog aan de mast kreeg het topzeil
de volle ruimte; ze spreidden het zo dat geen windje gemist werd.

Amper stak een zuchtje op dat de zeilen voor even
deed bollen en lichtjes bewoog, of ze vleiden zich tegen de mast aan
en zegen neer op het scheepsdek. Ver uit de kust houdt het windje
de schepen al niet meer bij die het eerst de zee op gevoerd heeft.

Loom strekt de zee zich uit; ten prooi aan diepe bedwelming
stagneert het gestremde water, roerloos als drassige vennen. …

Grimmige kalmte heerst en boven sinistere diepten
strekt zich een starre vlakte; ’t regime van natuurwet en regel
slaakt z’n greep op de zee, die breekt met het oudergewoonte
kenteren van het getij dat haar heen en weer doet bewegen:
geen huiverwindje beroert haar, noch spiegelt ze glinsterend zonlicht.

Caesars gestremde vloot stond bloot aan tal van gevaren:
de vijand bracht vast met zijn riemen de lome zee in beroering
en kwam er al aan; ook dreigde bij windstille zee die de schepen
vasthield, de honger. Zo vroegen ongehoorde gevaren
om ongehoorde gebeden: men smeekte om storm die de golven
om zou woelen zodat de zee die tergende loomheid
af zou schudden … – maar geen wolken,
geen golfslag te zien. De heldere lucht en het roerloze water
lieten geen hoop op een schipbreuk… Maar toen de nacht was verdreven
hulde de dag zijn licht in wolken, woelde het zeediep
allengs weer om en bracht de Ceraunische bergen al nader.

Daarop maakten de schepen vaart, de krommende golven
stuwden ze voort en dankzij de wind, bij gunstige zeegang,
klauwden ze weldra de ankers vast in het zand van Palaeste.

[Een overzicht van de reeks over Julius Caesar is hier.]

Een gedachte over “Lucanus over Caesars oversteek naar Albanië

Reacties zijn gesloten.