Eerste Belgen en eerste keizers

Belgische munt (Grand Curtius-museum, Luik)

Gisteren had ik het over Pytheas, die de oudste beschrijving van het kustgebied van de Lage Landen heeft gegeven, en een van u merkte op dat de Belgische geschiedenis dus blijkbaar niet begint met Julius Caesar. Daarop ontspon zich een discussie over “Sjuul de Keizer”. Iemand constateerde dat ouwe Sjuul geen keizer was en daarna kwam de vraag op waarom veel mensen wel denken dat Julius Caesar keizer was.

Eén, als Pytheas niet de oudste beschrijving van het kustgebied van de Lage Landen heeft geboden, is er nog een andere kandidaat voor een voor-Caesarische vermelding, namelijk Xenofon van Lampsakos. Zijn werk, geschreven rond 100 v.Chr., is verloren gegaan maar lijkt allerlei eilanden te hebben beschreven in de zeeën ten noorden van Skythië, zeg maar “barbaars Europa”. Vrijwel alles is, vanuit ons perspectief, verzonnen, maar bedenk dat het antieke waarheidsconcept niet leek op het onze. Dingen golden als waar omdat ze leken op dingen die mensen al kenden en waarvan ze aannamen dat ze waar waren. Plinius de Oudere citeert Xenofon

… dat drie dagen uit de noordelijke kust een eiland van enorme afmetingen ligt, Balcia geheten. Pytheas noemt het “het koninklijke”. Ook de Vogeleilanden worden vermeld – daar leven de bewoners van vogeleieren en haver – en nog andere eilanden, waar mensen met de hoeven van paarden ter wereld komen (zodat ze “Paardenvoeters” worden genoemd). Op weer andere eilanden, die van de Eenenaloorders, bedekken gigantische oren de verder naakte lichamen van de bewoners.

Lees verder “Eerste Belgen en eerste keizers”

Het einde van de Romeinse Republiek (4)

Portret van Caesar uit Nijmegen (nu in het Rijksmuseum van Oudheden)

[In de twee eerste stukjes beschreef ik het uitbreken en verloop van de Romeinse burgeroorlog tussen enerzijds Julius Caesar en anderzijds Pompeius en de Senaat. In het derde stukje kwam Caesars overwinning bij Farsalos aan de orde.]

Veel van de conservatieve senatoren die zo’n belangrijke rol hadden gespeeld bij het uitbreken van de burgeroorlog hoefden niet te zien dat hun overwinnaar zich steeds autocratischer zou gaan gedragen: ze waren gesneuveld. Toen Caesar hun lijken zag, kon hij slechts schamperen dat ze ’t hadden gekregen zoals ze het hebben wilden. Pompeius, die de oorlog niet had gewild, was te trots om Caesar genade te vragen en voer naar Alexandrië, waar hij werd vermoord. Zijn verslagen manschappen werden door Caesar opgenomen in vier nieuwe legioenen, die dienst zouden doen in de oostelijke provincies. Met drie van deze eenheden en zijn oude VI Ferrata zou Caesar in 47 een lokale leider in Noord-Turkije verslaan in een gevecht dat zou zijn vergeten als de zegevierende generaal de campagne niet had samengevat met de gevleugelde woorden “ik kwam, zag, overwon”.

Caesars mannen waren bereid voor hem door het vuur te gaan of, zoals het staat verwoord in de Aantekeningen bij de Spaanse Oorlog, de hemel voor hem te doen instorten. Crastinus, die zijn generaal voor de veldslag bij Farsalos had beloofd dat deze hem dankbaar zou zijn, was hem loyaal tot in de dood. Die trouw vloeide niet alleen uit voort uit het feit dat Caesar de soldij van zijn legionairs had verdubbeld, al zal dat ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Ze had er ook meer te maken dat de veldheer zich gedroeg als legionair en het goede voorbeeld gaf. In de aantekeningen bij de diverse oorlogen toont hij hoezeer hij hun mentaliteit deelde: voor hen was belangrijk wie zich dapper gedroeg en Caesar vermeldt regelmatig manschappen die zich onderscheidden.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (4)”

Het einde van de Romeinse Republiek (3)

De vlakte van Farsalos

[In het eerste stukje beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend; in het tweede beschreef ik Caesars eerste successen, zijn nederlaag bij Dyrrhachion en zijn vlucht voorwaarts, richting Thessalië, waar zijn leger op de vlakte van Farsalos tegenover Pompeius kwam te staan.]

Toen Caesar het legerkamp van Pompeius naderde, trof hij diens leger in slagorde aan. Op de linkervleugel stonden de twee legioenen die door Caesar bij het begin van hun onenigheid op grond van een Senaatsbevel waren overgedragen: ze werden nu respectievelijk als het Eerste en het Derde aangeduid. Daar bevond zich Pompeius zelf. Het centrum van de slaglinie werd bezet door Scipio met de legioenen uit Syrië. Het legioen uit Kilikië, versterkt met de Spaanse cohorten […], was op de rechtervleugel geplaatst. Zij werden door Pompeius als zijn sterkste troepen beschouwd. Alle anderen had hij tussen het centrum en de vleugels opgesteld, en daarmee een totaal van honderdtien cohorten bereikt. Dit waren vijfenveertigduizend man, met daarbij nog ongeveer tweeduizend vrijwillig opgekomen veteranen, afkomstig uit […] zijn vroegere legers; deze had hij over de hele linie verdeeld. De zeven resterende cohorten had hij ter bescherming verspreid over het legerkamp van en de naburige vestingen. Zijn rechtervleugel werd beveiligd door een rivier met steile oevers; daarom had hij zijn hele ruiterij en alle boogschutters op de linkervleugel kunnen plaatsen.{{Caesar, De Burgeroorlog 3.88-96; vert. Hetty van Rooijen.}}

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (3)”

Het einde van de Romeinse Republiek (2)

Een betere foto van Dyrrhachion heb ik niet

[Gisteren beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend.]

De verovering van Italië was een simpele zaak. Zoals Titus Livius het verwoordde bestormde Caesar de wereld met het Dertiende Legioen, waarvan de soldaten aan hun negende dienstjaar begonnen. Pompeius beschikte over twee legioenen, die allebei ooit deel hadden uitgemaakt van Caesars Gallische leger: het Eerste, dat op het punt stond af te zwaaien, en het Vijftiende. Toen een groot deel van laatstgenoemde eenheid overliep naar de invaller, kon Pompeius niet anders doen dan Italië ontruimen en zich terugtrekken in het oosten.

Caesar nam Rome in en analyseerde de situatie: Pompeius’ troepen waren in Spanje zonder generaal en Pompeius was in het oosten zonder troepen. Caesar lichtte niet minder dan vijftien nieuwe legioenen, stuurde ze als garnizoen naar Gallië en trok zelf naar Spanje, waar hij met zijn oude Gallische legioenen de Pompeianen versloeg. Tegelijk trok een van zijn ondercommandanten met het overgelopen deel van het Vijftiende en het nieuwe Zestiende naar Afrika, maar dit leger werd vernietigd door de troepen van de Senaatsgetrouwe gouverneur. Aan het eind van het jaar was Caesar terug in Italië, zag tussen de bedrijven door kans enkele economische maatregelen te nemen en lichtte nog eens vier legioenen. In het volgende jaar, 48 v.Chr., voegde hij er nog eens zeven aan toe, zodat alle nummers tot en met drieëndertig waren vertegenwoordigd, behalve XV en XVI.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (2)”

Het einde van de Romeinse Republiek (1)

De brug over de Rubico

Een tijdje geleden beschreef ik hoe Julius Caesar in Alesia Vercingetorix versloeg. Het was niet het einde van de Gallische Oorlog, die nog ruim een jaar zou duren, maar de einduitkomst stond na die gebeurtenis vast. Het Romeinse Rijk strekte zich voortaan uit vanaf de Eufraat in het oosten naar de Atlantische Oceaan in het westen. Het was desondanks toch te klein voor én Julius Caesar én zijn schoonzoon-en-rivaal Pompeius én de conservatieve leden van de Senaat.

Het eerbiedwaardige staatsorgaan had al een kleine eeuw geprobeerd de opkomst van militaire potentaten te verhinderen en was er vaak in geslaagd de macht van al te succesvolle commandanten in te perken. Maar daarvoor hadden Pompeius en Caesar inmiddels teveel overwinningen behaald en teveel rijkdommen verworven, Pompeius in het oosten en Caesar nu in Gallië. Ze waren te groot geworden om nog genoegen te nemen met wat lange tijd voor een senator de hoogste eer was geweest: een triomftocht waarbij zijn collega’s hem bewonderend toejuichten en voor één dag erkenden als eerste onder gelijken. Voor zowel Pompeius als Caesar gold dat ze altijd de eerste man in Rome wilden zijn, de man met de grootste dignitas, “waardigheid”.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (1)”

Alesia (1)

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Veel Romeinse auteurs meenden dat de verovering van Karthago – ik blogde er al over – het begin was geweest van een periode van zedenverval. Geldzucht en machtswellust hadden hun intrede gedaan, de Romeinen hadden hun oprechtheid verloren, list en geweld waren acceptabele politieke middelen geworden. Het was van kwaad tot erger gegaan doordat militaire leiders de Senaat onder druk zetten en de Volksvergadering paaiden met geschenken, waardoor het volk lui en vadsig zou zijn geworden.

Titus Livius gaf de lezers die zijn geschiedwerk ter hand namen het advies erop te letten hoe de moraal eerst begon af te brokkelen, vervolgens meer en meer verviel en uiteindelijk in hoog tempo ineenstortte. De enige antieke auteur die verder keek dan het zogenaamde verval van normen en waarden, was Appianus van Alexandrië, die aan het begin van zijn boek over de Burgeroorlogen de diepere sociaal-economische veranderingen beschreef.

Lees verder “Alesia (1)”

Caesar in Zuid-Limburg

Een van de twee nieuw-ontdekte schatten (© Vrije Universiteit)

Ik was vanmorgen bij een persconferentie in het Limburgs Museum in Venlo. Wat daar werd aangekondigd was echt leuk: de ontdekking van twee Keltische muntschatten in de buurt van de rivier de Maas, ter hoogte van Sittard. Op de foto hierboven ziet u een van die schatten en u leest er op de website van het Handelsblad meer over.

De dubbele schatvondst is niet de eerst ontdekte muntschat uit deze periode. We kenden er al negen uit België en Nederland en ook nog één uit Duitsland. Het wonderlijke is dat ze allemaal dateren van pakweg 60-50 v.Chr. Daarnaast zijn er uit dit decennium ook nog ruim 130 losse muntvondsten bekend, die dus niet tot een schat worden gerekend. Ter vergelijking: uit de voorafgaande eeuw kennen we slechts twee muntschatten. Na het midden van de eerste eeuw v.Chr. neemt het aantal munt- en schatvondsten dan weer drastisch af. Er is dus een even scherpe toe- als afname en die piek kan geen toeval zijn. Archeoloog Nico Roymans van de VU legt een verband met de veldtochten van Julius Caesar.

Lees verder “Caesar in Zuid-Limburg”