De taal der Romeinen

Romeinse meertaligheid: Latijns-Punische inscriptie uit Lepcis Magna (meer)

Deze Romeinenweek schrijf ik elke dag een stukje over, wel, de Romeinen. Ik zal zaterdag, de eerste dag van het Nijmeegse Romeinenfestival, ingaan op het belang van re-enactment, dat voor velen een niet goed begrepen vorm is van wetenschapsvoorlichting, en ik wil zondag de vraag behandelen hoe de Romeinen ook na een eeuw of twintig nog relevantie zouden kunnen hebben – “What have the Romans ever done for us?

Op dat stukje vooruitlopend: de Romeinen waren altijd bereid dingen van anderen over te nemen en erkenden dat ook. Anders dan de Grieken, die bluften dat ze de dingen die ze overnamen beter deden, gaven de Romeinen hun culturele inferioriteit toe. Daarmee zetten ze een toon die in de Europese cultuur nog zou doorklinken tot in de zeventiende eeuw. Het Romeinse minderwaardigheidscomplex had als paradoxaal gevolg dat de romanisering van Anatolië en Syrië inhield dat de Griekse cultuur zich verspreidde.

Of zelfs dat niet. De volken in het wereldrijk mochten hun eigen cultuur handhaven. Doorgaans nogal pragmatisch: ze waren Romeins als het ze uitkwam. In Galilea nam de bevolking de Griekse taal van de Romeinse heersers niet over en bleef Aramees spreken. De taal van de Romeinen was dus alleen soms het Latijn: de ingezetenen van het Romeinse Rijk spraken alle talen van de wereld. (Hieruit volgt, uiteraard, dat een goede Romeinse literatuurgeschiedenis zich niet tot het Latijn mag beperken.)

Dat de Galileeërs Aramees spraken, leidde aan het begin van de negentiende tot enige consternatie, want het betekende dat Jezus niet de taal had gesproken waarin de evangeliën zijn geschreven en het Hebreeuws van de Joodse Bijbel alleen passief had beheerst. Dat was destijds wat verontrustend. Het gold namelijk als vanzelfsprekend – u mag hier de namen van Kant en Herder invoegen – dat wij denken in een taal, zodat de structuur van een taal invloed heeft op de wijze waarop we denken (en op ons wereldbeeld). Als Jezus Grieks zou hebben gesproken en wij Grieks leerden, was steeds het idee geweest, konden mensen dichterbij Jezus komen. Daarom was het gymnasium opgericht – overigens tevens om dichterbij Homeros en de andere Griekse auteurs te komen.

De constatering dat Jezus geen Grieks sprak, kwam dus slecht uit maar niemand heeft er ooit een echt punt van gemaakt. De geleerden waren destijds nog echt geleerd en als een van hun axioma’s aan flarden ging, dan vonden ze dat vooral interessant. Op wat schermutselingen na werd Jezus’ Aramese achtergrond probleemloos aanvaard en als ik me goed herinner, staat ze gewoon in het Cultureel woordenboek. Het is in elk geval geen kwestie waarover nog grote wetenschappelijke debatten zijn. En dat maakt het BBC-artikel waarover ik zo meteen zal bloggen, zo onbegrijpelijk.

[wordt vervolgd]

Een gedachte over “De taal der Romeinen

Reacties zijn gesloten.