Het einde van de Romeinse Republiek (3)

De vlakte van Farsalos

[In het eerste stukje beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend; in het tweede beschreef ik Caesars eerste successen, zijn nederlaag bij Dyrrhachion en zijn vlucht voorwaarts, richting Thessalië, waar zijn leger op de vlakte van Farsalos tegenover Pompeius kwam te staan.]

Toen Caesar het legerkamp van Pompeius naderde, trof hij diens leger in slagorde aan. Op de linkervleugel stonden de twee legioenen die door Caesar bij het begin van hun onenigheid op grond van een Senaatsbevel waren overgedragen: ze werden nu respectievelijk als het Eerste en het Derde aangeduid. Daar bevond zich Pompeius zelf. Het centrum van de slaglinie werd bezet door Scipio met de legioenen uit Syrië. Het legioen uit Kilikië, versterkt met de Spaanse cohorten […], was op de rechtervleugel geplaatst. Zij werden door Pompeius als zijn sterkste troepen beschouwd. Alle anderen had hij tussen het centrum en de vleugels opgesteld, en daarmee een totaal van honderdtien cohorten bereikt. Dit waren vijfenveertigduizend man, met daarbij nog ongeveer tweeduizend vrijwillig opgekomen veteranen, afkomstig uit […] zijn vroegere legers; deze had hij over de hele linie verdeeld. De zeven resterende cohorten had hij ter bescherming verspreid over het legerkamp van en de naburige vestingen. Zijn rechtervleugel werd beveiligd door een rivier met steile oevers; daarom had hij zijn hele ruiterij en alle boogschutters op de linkervleugel kunnen plaatsen.{{Caesar, De Burgeroorlog 3.88-96; vert. Hetty van Rooijen.}}

Honderdtien cohorten, ofwel elf legioenen, en nog zeven cohorten reserve: dat zou een fenomenale strijdmacht zijn. Caesar kon er maar acht legioenen tegenover stellen. Gelukkig voor hem lagen de verhoudingen iets anders dan hij wil doen geloven, want Pompeius had in feite tweeëntwintig cohorten achtergelaten aan de Adriatische Zee om garnizoensdienst te verrichten. Een deel van zijn troepen was bovendien recent gerekruteerd en hij vertrouwde ze nog niet ten volle. Daarom had Pompeius de tweeduizend veteranen verspreid over deze eenheden: zij moesten het goede voorbeeld geven.

Caesar had zijn oude opstelling gehandhaafd en het Tiende Legioen op de rechtervleugel, het Negende op de linkervleugel geplaatst, hoewel dit laatste door de gevechten aan de Adriatische Zee sterk was uitgedund. Daarom verbond hij het met het Achtste Legioen, zodat hij van de twee legioenen er bijna één maakte, en gaf ze bevel elkaar wederzijds te steunen. In zijn slagorde stonden tachtig cohorten opgesteld, in totaal tweeënzeventigduizend man; zeven cohorten had hij ter bescherming van het legerkamp achtergelaten. Over de linkervleugel had hij Marcus Antonius het commando gegeven, over de rechter Publius Sulla, over het centrum Gnaeus Domitius. Zelf stelde hij zich tegenover Pompeius op.

Tegelijkertijd observeerde hij Pompeius’ bovengenoemde opstelling en vreesde hij dat zijn eigen rechtervleugel door diens grote menigte ruiters omsingeld zou worden. Daarom haalde hij snel uit de derde linie van elk legioen een cohort weg […], plaatste die tegenover de ruiterij, maakte zijn bedoeling duidelijk, en waarschuwde dat de overwinning afhing van de moed van deze cohorten. Ook beval hij de derde linie en het leger als geheel niet aan te vallen zonder zijn uitdrukkelijke commando. Wanneer hij het moment daarvoor gekomen achtte, zou hij met zijn vaandel het teken geven.

Dit laatste is een van de passages die de lezer doen begrijpen waarom Caesars mannen hem verafgoodden. De troepen die de opdracht zouden hebben gekregen niet aan te vallen zonder zijn uitdrukkelijke commando waren VI Ferrata, dat al vijf jaar in dienst was, de legioenen zeven tot en met twaalf, de kern van zijn leger die nog had gestreden tegen de Helvetiërs, en het Veertiende, dat al zes jaar met Caesar optrok. Alleen het Zevenentwintigste bestond uit rekruten, en daarom had Caesar het tussen twee veteranenlegioenen in geplaatst. Geen van deze mannen hoefde te worden herinnerd aan het belang van discipline, maar ze moeten gevleid zijn geweest dat hun generaal hun strijdlust zó groot achtte dat hij ervoor moest waarschuwen. Ook de volgende anekdote past in dat kader:

In Caesars lager bevond zich de vrijwillig opgekomen veteraan Crastinus, die het jaar ervoor bij hem eerste centurio van het tiende legioen was geweest, een buitengewoon moedig man. Hij zei, toen het signaal was gegeven: “Mannen van mijn oude manipel, volg mij, en zet je in voor je bevelhebber, zoals je beloofd hebt! Alleen dit gevecht is nog over; daarna zal hij zijn oude dignitas terugkrijgen en wij onze vrijheid!” En met een blik naar Caesar zei hij: “Imperator, vandaag zal ik ervoor zorgen dat u mij bij mijn leven of na mijn dood dankbaar kunt zijn!” Na deze woorden stormde hij als eerste uit de rechtervleugel vooruit, gevolgd door ongeveer honderdtwintig keursoldaten van de vrijwilligers.

Tussen de beide linies was juist genoeg ruimte voor de aanloop en aanval van de beide legers. Maar Pompeius had zijn mannen opgedragen Caesars aanval op te vangen, niet van hun plaats te komen en op die manier Caesars linie uiteen te trekken. […] Zo zouden Caesars soldaten door de tweemaal zo lange aanloop buiten adem en geheel uitgeput raken.

Naar onze mening gaf Pompeius hiermee geen blijk van goed inzicht. Want in alle mensen is van nature een zekere aandrift en energie aanwezig, die door strijdlust ontvlamt. Bevelhebbers moeten die niet onderdrukken maar versterken. Niet voor niets is het van oudsher de gewoonte van alle kanten trompetten te laten schallen en gezamenlijk de strijdkreet aan te heffen. Men meende dat daardoor de vijanden afgeschrikt en de eigen troepen aangevuurd werden.

Op het signaal voor de strijd stormden de soldaten voorwaarts met hun wapens in de aanslag. Maar toen ze bemerkten dat de Pompeianen hun niet tegemoet kwamen, vertraagden ze, als ervaren en in eerdere gevechten geoefende militairen, vanzelf hun looppas en hielden ongeveer halverwege halt, om hun krachten niet te verbruiken voordat ze de vijand bereikten. Na korte tijd hervatten ze hun stormloop, wierpen speren en trokken volgens de instructies van Caesar snel hun zwaarden. Ook de Pompeianen deden hun plicht. Ze vingen de speren op, weerstonden de aanval van de legioenen, bleven in rij en gelid en grepen na het werpen van hun speren eveneens hun zwaarden.

Na het tot hemzelf gerichte compliment van Crastinus becommentarieert Caesar Pompeius’ tactiek, en vervolgens prijst hij zowel zijn eigen manschappen als hun tegenstanders. Dit laatste vertelt veel over Caesars afwegingen aan het einde van dat jaar. Toen was Pompeius al dood en waren diens manschappen ingelijfd in Caesars leger. Eraan herinneren dat deze legionairs een laffe tactiek ten uitvoer hadden gebracht, was nodeloos grievend. Niet zij hadden gefaald, schreef Caesar, maar hun generaal en de conservatieve senatoren, die zulke dappere soldaten niet waard waren geweest.

Terwijl de legioenen slaags raakten, wist Caesars ruiterij met behulp van de extra cohorten op de rechtervleugel de cavalerie van Pompeius terug te drijven. “Caesar had zich dus niet vergist,” merkt de auteur van de Aantekeningen bij de Burgeroorlog bescheiden op. In feite is zijn boodschap dat de legioenen aan beide zijden even goed waren, maar dat hijzelf een betere generaal was dan Pompeius. Die krijgt nog een trap na.

Toen Pompeius zag dat zijn ruiterij verslagen was en hij de paniek waarnam bij het deel van zijn leger waarop hij het meest vertrouwde, verloor hij ook zijn vertrouwen in de overige troepen, verliet de slag en reed rechtstreeks terug naar het legerkamp. Tegen de centurio’s die hij bij de hoofdpoort op wacht had gezet, riep hij luid, zodat ook de soldaten het hoorden: “Bescherm het kamp en verdedig het krachtig als er moeilijkheden komen. Ik ga de andere poorten langs om de wachttroepen van het kamp moed in te spreken.” Hierop begaf hij zich naar zijn veldheerstent. Zijn vertrouwen in de overwinning had hij verloren, maar hij wachtte toch nog op de afloop.

Korte tijd later viel het kamp in handen van Caesars manschappen.

Er waren priëlen te zien, een grote hoeveelheid uitgestald zilveren vaatwerk, tenten overdekt met verse graszoden … en nog veel andere zaken die wezen op overmatige zucht naar weelde en vertrouwen in de overwinning. Deze hang naar overbodige luxe liet duidelijk zien dat ze geen enkele zorg hadden gekoesterd omtrent de afloop van de dag. […]

Toen onze mannen zich al binnen de wal bevonden, greep Pompeius een paard, rukte zijn veldheerstekens af, haastte zich door de achterpoort het kamp uit en galoppeerde rechtstreeks naar de stad Larisa. Ook daar pauzeerde hij niet; hij trof er enige van zijn mannen op de vlucht, reed met dezelfde snelheid zonder nachtelijke onderbreking, vergezeld van dertig ruiters, tot aan zee en begaf zich aan boord van een graanschip.

De slag bij Farsalos staat te boek als het einde van de Romeinse republiek en het begin van Caesars alleenheerschappij.

[Wordt nog een keer vervolgd]

7 gedachtes over “Het einde van de Romeinse Republiek (3)

  1. FrankB

    “staat te boek als …..”
    Merkwaardig toch, die gewoonte (behoefte?) om ingrijpende veranderingen vast te pinnen op één datum. En vaak zo willekeurig. Want dit impliceert dat de Republiek voortbestaan had als Pompeius de slag en daarmee de oorlog had gewonnen. Daar geloof ik nou net helemaal niks van.

  2. Dirk

    Ook de uitkomst van Philippi lag niet vast. Brutus en Cassius hadden daar zomaar kunnen overwinnen. Of daarmee dan de Republierk gered was geweest, is natuurlijk ook maar de vraag. Het systeem was rot. Zouden Brutus en de senaatspartij dit hebben kunnen rechttrekken? Wellicht zagen zij de fout ook minder in het systeem dan in personen, te weten Caesar, Antonius, Octavianus.

      1. Dirk

        Misschien drukte ik me niet duidelijk uit. Ik bedoel niet dat de senaatspartij uit een corrupte elite zou bestaan die gezuiverd moest worden, maar dat de Republiek in crisis was en dat de oorzaken niet opgelost zouden zijn met een overwinning van de republikeinen.

  3. eduard

    Mooie moraliserende details, dat luxe vaatwerk, die schaduw gevende prielen, en die met verse graszoden bedekte koele tenten, schandelijk comfort. En natuurlijk dat halsoverkop vluchten van Pompeius, in plaats van zijn troepen aan te voeren. Allemaal gedrag dat Romeinen onwaardig is. Terwijl Caesar vast niet uit een mok van gebakken klei zal hebben gedronken, zijn tent ook een open voortent of luifel zal hebben gehad, zijn soldaten er ook voor zullen hebben gezorgd dat ze tegen de Thessalische hitte beschermd waren, en Caesar bij een nederlaag ook niet veel anders had kunnen doen dan de benen te nemen.

  4. Robbert

    De grote vraag van Farsalos is, waardoor de numeriek overmachtige cavalerie onder de ervaren Titus Labienus, na gestuit te zijn door Ceasar’s ruiterij en extra cohorten, daarna volledig in lucht zou zijn opgelost.
    Voor zover ik me herinner heb ik nergens een plausibele verklaring gelezen.

Reacties zijn gesloten.