
Op een vergadering van het college van Drost en Gedeputeerden, het dagelijks bestuur van de Landschap Drenthe, werd in de namiddag van 7 november 1785 een brief voorgelezen van Lucas Nysingh, schultes te Diever.
Drenthe had geen zitting in de Staten-Generaal, was niet één van de zeven provinciën, maar betaalde wel 1% van de generaliteitslasten, in verhouding tot het aantal inwoners en hun vermogen een bovenproportioneel aandeel. Anders dan de generaliteitslanden Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Westerwolde, had het in 1594, na de hereniging van Groningen met de Unie, wél zijn autonomie behouden. Stad en Lande van Groningen waren toen wel weer als volledig lid van de Unie geaccepteerd.
Prinselijk bezoek
Het college had ter voorbereiding van het bezoek van stadhouder prins Willem V, zoals gebruikelijk, de schultessen aangeschreven om ervoor te zorgen dat er geen achterstallig onderhoud was aan de (zand)wegen en bruggen waarlangs “Zijn Hoogheit” zou reizen. Bovendien moesten zij ervoor zorgen, dat er voldoende paarden aanwezig waren om de wagens van het gezelschap tot het volgende aflossingspunt te brengen. Hiervoor zou worden betaald.
Nijsingh berichtte nu dat de paarden in zijn kerspel (gemeente) landbouwpaarden waren, die ongeschikt waren om de wagens te trekken, terwijl de boeren ze bovendien niet wilden verhuren. Uit het vervolg blijkt dat de meerderheid in het kerspel patriots was. Niettemin arriveerde de prins op 11 november in Meppel. Vanuit de erewacht, die bestond uit zowel oranjeaanhangers als leden van het patriotse exercitiegenootschap, werd een schot gelost, waardoor er één dode viel. Vermoedelijk was dit het enige Drentse slachtoffer in de woelige periode 1785-1787 en 1795-1801. De schutter kon niet worden gevonden.
Vrijkorpsen
Na desastreus verlopen Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784) waren overal in Nederland dergelijke genootschappen of vrijkorpsen opgericht. Het landschapsbestuur probeerde duidelijk beide partijen te vriend te houden en onlusten te voorkomen. Het stelde wel met succes een verplichting in om de korpsreglementen ter goedkeuring aan te bieden en verleende vervolgens een vergunning. De officieren moesten beloven zich als trouwe ingezetenen te gedragen, gehoorzaam en onderworpen aan de “hoge overigheden”.
Belangrijke exercitiegenootschappen waren er in Drenthe in De Wijk, Dwingeloo, Diever, Hoogeveen en Meppel, alle in het zuidwesten van het gewest. In het aangrenzende deel van Overijssel en de Noord-Veluwe zijn vooral Hattem en Elburg als patriottische centra bekend. Duidelijk is dat de sfeer ten plattelande niet veel afweek van die in andere gewesten.
In Diever, Dwingeloo en Leggeloo (toen nog onderdeel van Diever) exerceerden in februari 1785 circa 110 man met gedeeltelijk goede en gedeeltelijk “reddeloze” geweren of stokken. Kapitein was de schatbeurder en secretaris een bekende landmeter. Lucas Nysingh was zelf geen lid, maar droeg wel honderd gulden bij om “daervoor snaphanen te kopen en die te laten gebruiken door diegenen, deselve niet kunnen of willen betalen”. De schoolmeester en landbouwer Albert Hilberts Kok (die wij in een geheel andere rol later nog tegenkomen) was luitenant en “piper”, fluitspeler, samen met nog twee anderen. In totaal waren er elf officieren, eenenzestig schutters, ver tamboers en eenentwintig honoraire leden. De kerspelen Diever en Dwingeloo hadden elk enkele honderden inwoners, dus een zeer aanzienlijk deel van de mannen was lid.
Een opvallend lid was R.W. Nysingh uit Leggeloo, een broer van de schultes, tevens lid van de Etstoel (het Drentse gerechtshof) voor het Beilerdingspil. Bovendien waren vrijwel alle personen die voor het kerspel op de landdag verschenen en andere kerspelbestuurders lid. Uit een brief van Carel de Vos van Steenwijk, de belangrijkste Drentse patriot uit 1792, aan een Leidse krantenuitgever is bekend dat de gebroeders Nysingh goede en belangeloze patriotten waren die de “zaken des lands kundigh” behartigden en “verstandig en zeer eerlijk” waren. Beiden waren lid van de Asser Herensociëteit, een informeel regentengezelschap. Met andere woorden, de oppositie tegen Oranje was aanzienlijk. De Vos van Steenwijk werd na 1795 de eerste ambassadeur voor de Nederlanden in de Verenigde Staten. De drost Van Heiden Reinestein en zijn plaatsvervanger Van Dörnberg Heiden waren door de prins benoemd en trouwe aanhangers van Oranje.
Goejanverwellesluis
De prins had zich na zijn vertrek uit Den Haag in Nijmegen gevestigd, nadat de Staten van Holland hem het commando over het Haagse politiegarnizoen hadden ontnomen. Van daaruit had hij dus ook zijn reis naar de noordelijke gewesten ondernomen. Zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen probeerde in juni 1787 naar Den Haag terug te keren maar werd bij Goejanverwellesluis tegengehouden door het lokale vrijkorps. Daarop greep haar broer koning Frederik Willem II van Pruisen in met een leger van 20.000 man, waarvan een deel in de vesting Coevorden werd gelegerd.
Nadat het gezag van de prins aldus was hersteld, eisten Drost en Gedeputeerden nog dezelfde maand de ontbinding van de exercitiegenootschappen en een eed van trouw aan de Erfstadhouder. In geheel Drenthe tekenden 107 mensen en weigerden er 600. Van de zesenzeventig leden uit Diever weigerden er zestig en tekenden alleen degenen die een overheidsfunctie hadden, zoals de schoolmeester, de kerkvoogden en andere plaatselijke bestuurders. De eigendommen werden in beslag genomen met inbegrip van het vaandel en de muziekinstrumenten.
De conclusie is dat het oranjegezinde deel van het landschapsbestuur probeerde de oppositie in het gareel te houden, mede in het besef dat een patriotse schultes bij zijn patriotse ingezeten meer gedaan kon krijgen. De drost had informanten in alle kerspelen bij wijze van inlichtingendienst. Illustratief is het verzoek van de drost aan schultes Nysingh om zijn broer over te halen schultes in Ruinen te worden. De vermogende boer en schoolmeester Albert Hilberts Kok was in 1833 de gewestelijke gangmaker van de Afscheiding van de gereformeerden, ongetwijfeld mede vanwege zijn niet aflatende afkeer van Oranje.
***
Literatuur
A. den Teuling, “Kerspel, Mairie, gemeentebestuur”, in: J. Bos e.a. (red.), Geschiedenis van Diever (1992) 139-160. Daar zijn ook de voetnoten te vinden.
[Geïnspireerd door de bijdragen van Truus Pinkster, Saskia Sluiter en Han Borg over de achttiende en de negentiende eeuw, schreef Arnold den Teuling deze gastbijdrage. Dank je wel Arnold!]
Zelfde tijdvak
Perzen, Grieken en pseudohistorici (4)mei 12, 2021
Bilderdijknovember 10, 2013
De Europese canon (31-35)juni 2, 2024

Niet het eerste dat ik hier verwachtte te lezen. Wel boeiend. Misschien wel omdat het onverwacht is.
Wat is dit leuk zeg, al die aandacht voor de vroege patriotten. Ik heb de indruk dat wij boomertjes er op school alleen datgene over hoorde waar men echt niet onderuit kwam. Het paste niet in de Oranjemodus, die na WO 2 weer flink werd gecultiveerd.
Wat mooi dus om te lezen dat het patriottisme tot in de haarvaten van de samenleving zat en niet alleen in de grotere steden.
Dank je wel Arnold!
Jij en Truus hebben inderdaad wel wat in gang gezet. Later vandaag is er nog meer.