Oproer te Meppel (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam)
Op een vergadering van het college van Drost en Gedeputeerden, het dagelijks bestuur van de Landschap Drenthe, werd in de namiddag van 7 november 1785 een brief voorgelezen van Lucas Nysingh, schulteste Diever.
Drenthe had geen zitting in de Staten-Generaal, was niet één van de zeven provinciën, maar betaalde wel 1% van de generaliteitslasten, in verhouding tot het aantal inwoners en hun vermogen een bovenproportioneel aandeel. Anders dan de generaliteitslanden Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Westerwolde, had het in 1594, na de hereniging van Groningen met de Unie, wél zijn autonomie behouden. Stad en Lande van Groningen waren toen wel weer als volledig lid van de Unie geaccepteerd.
Pieter ’t Hoen werd op 18 oktober 1744 in de in Catharinakerk in Utrecht Nederduits Gereformeerd gedoopt. Zijn vader Reinier handelde in kruidenierswaren en kaas. Pieters moeder heette Johanna Hendrika Masman. Het gezin was niet onbemiddeld en Pieter kreeg een prima opleiding aan de Latijnse Hiëronymusschool. Het was de bedoeling geweest dat hij dominee zou worden.
[Tweede van Saskia Sluiters drie blogjes over de Patriottentijd. Het eerste was hier.]
“eenen gedugten en vooral actieven vijand”
De achttiende eeuw werd geplaagd door een groot aantal oorlogen. De ene was nog niet uitgewoed of de volgende stond alweer op uitbreken, en uiteraard kreeg de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden daar ook een deel van mee. De schatkist had er dermate onder te lijden dat er in geen tijden meer was geïnvesteerd in het leger en de oorlogsvloot. Integendeel: er was alleen maar op bezuinigd. Vandaar dat de Republiek nauwelijks een vuist kon maken toen ze in 1780 voor de vierde keer in oorlog met Engeland geraakte.
Voorheen was Frankrijk de gevaarlijkste vijand geweest. Langzamerhand was de dreiging echter naar Engeland verschoven. Dit bracht stadhouder Willem V (1748-1806) in een lastig parket, want de dynastieke banden van het Oranjehuis met Engeland waren innig. Willem II, III en IV hadden ieder een telg uit het Engelse koningshuis als bruid gehad. De moeder van stadhouder Willem V was de Engelse prinses Anna van Hannover. Hijzelf was getrouwd met prinses Frederica Sophia Wilhelmina, ofwel Wilhelmina van Pruisen (1751-1822). Ze was de dochter van August Willem van Pruisen, uit het huis Hohenzollern, en Louise Amalia van Brunswijk-Wolffenbüttel. De Frederik Willem van Pruissen op de titelblad van het Victorie-lied was haar broer. Ferdinand van Brunswijk was een volle neef van Wilhelmina. Net als Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolffenbüttel, de voogd en opvoeder van Willem V, die nog tot in 1784 als een soort schaduw-stadhouder fungeerde. Willem V volgde de adviezen van ‘Dikke Ernst’ meestal blind op.
En zo komen we bij die roerige jaren tachtig. Sandra Langereis begint dit deel van de biografie zo mooi:
De jaren tachtig van Eises eeuw waren mooi van lelijkheid. Alles begon te kieren en te scheuren in Nederland toen Engelse oorlogsschepen ervoor zorgden dat de overzeese handel vanuit de Hollandse havens onderuitging en Willem V als opperbevelhebber te land en ter zee weigerde daar iets aan te doen. (…) Zijn gedrag gaf vleugels aan de patriottenbeweging, die zich sterk ging maken voor inspraak van burgers in de politiek. De bodem viel weg onder de oude politiek in Nederland vanaf het moment dat in 1775 de grote indruk makende Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uitbrak… (p.169)
Burgers roeren zich, men wil meer democratie in stads- provincie- en landsbestuur. En Eise was een van hen. En Franeker was een echte patriottenplaats. (Anders dan nu was patriotdus een aanduiding voor progressieve lieden, anti-orangisten, mensen die invloed wilden in hun stadsbestuur en de prins van Oranje, Willem V, weg wilden hebben.)
Het leukste van het bezoek aan een ‘nieuwe’ stad is een kaart maken met het plaatselijk belang, dan de boekwinkels, de tweedehands boekwinkels en de musea. Dat levert altijd verrassingen op. Zo waren wij laatst in Bourges, en wat een leuke stad is dat. In de eerste plaats natuurlijk de kathedraal die op elke kaart hoort te staan met de bovenaards mooie ramen.
Maar dan. Als je er op een dag bent dat alleen het stadspaleis van Jacques Coeur open is, en de rest dicht, dan ga je na dat bezoek naar het Muséum d’histoire naturelle. Het museum ligt op een moeilijk te vinden locatie in een buitenwijk. In eerste aanblik is het vooral educatief gericht, met een rez-de-chaussée-rondleiding door het menselijk lichaam. Op de eerste verdieping wordt de inrichting van het museum leuker met paleontologie, mineralogie, met verwijzing naar de negentiende-eeuwer Georges Cuvier, en de twintigste-eeuwer Gabriel Fouchier, die een dubbelfunctie had als én ‘monseigneur’, religieuze functionaris, in Bourges, én wetenschappelijk directeur van het museum. Deze functies beten elkaar niet in zijn persoon. Integendeel, zijn persoonlijke collecties kwamen in het museum terecht en hij had een belangrijke rol in het uitbreiden van de collectie. Hij werd tenslotte in dankbaarheid ook naamgever van het museum.
Het zevende blogje in de reeks over de Europese historische canon behandelt het tijdperk van de revoluties, zeg maar de achttiende eeuw.
Het museum
Periode: 1734
De Capitolijnse Musea in Rome gelden als het oudste museum ter wereld, al waren er natuurlijk altijd rijke mensen met mooie verzamelingen, die ze graag aan anderen toonden. De collectie op het Capitool, waar het Romeinse stadhuis staat, gaat terug tot 1471, toen paus Sixtus IV een paar bronzen beelden schonk aan de stad. Daar kwam sindsdien een enorme collectie standbeelden en inscripties bij.
Wat in 1734 nieuw was, was dat de stad het museum open stelde voor het publiek. Kunst was niet langer iets van de eigenaren, maar werd het gemeenschappelijk bezit van de mensheid. Het museum bestond ooit uit één vleugel naast het raadhuis, daar kwam al snel een tweede vleugel bij; in de twintigste eeuw annexeerde het museum een aangrenzend paleis en de laatste uitbreiding is een ondergrondse corridor onder het stadhuis. Het beroemdste stuk op het Capitool is de middeleeuwse wolvin.
Dit gevelsteentje bevindt zich in de Runstraat in Amsterdam. De tekst is duidelijk: “Fridericus D. III, Kooning van Pruysen”, ofwel koning Frederik de Derde van Pruisen. Zoals te zien, is het portret echter verwijderd, en wel zó dat je kunt zien waar het is geweest en met achterlating van de tekst. Het is dus de bedoeling dat we weten dat iemand een enorme hekel had aan deze vorst.
Het gaat om de man die als Frederik III heerste als keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen. In 1701 verwierf hij de koningstitel, en moderne historici duiden hem aan als koning Frederik I. Hij overleed in 1713. Dit steentje is dus tussen 1701 en 1713 gemaakt, en ik zou me kunnen voorstellen dat de opdrachtgever een enthousiaste koopman is geweest die zaken deed met Pruisen. Vreemd zou dat niet zijn. De Republiek had grote belangen in het Oostzeegebied, en bovendien streden Pruisen en de Republiek zij aan zij in de Spaanse Successieoorlog.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.