
[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme en het Mohisme zijn we nu toe aan de zogeheten “School van de Namen”. Het eerste deel was hier.]
Wie was Hui Shi?
Veel Chinese filosofen, zoals Confucius en Mozi, probeerden het ideale landsbestuur te bereiken door toekomstige heersers op te leiden. Maar zij zelf werden nooit heerser, en geen van hun directe volgelingen schopte het ooit tot staatshoofd of minister. Hui Shi (oude spellingswijze: Hui Shih) schopte het tot eerste minister van de staat Wei, een buurstaat van Qi. Wat we tegenwoordig nog weten van zijn filosofie gaat echter totaal niet over staatszaken.
Hui Shi moet een zeer belezen man zijn geweest: hij bezat vijf wagens vol boeken. En hij hield van debat: hij nam altijd het tegenovergestelde standpunt in van met wie hij sprak. Hij leefde waarschijnlijk van ca. 370 – 310 voor Chr, en was dus een tijdgenoot van Song Xing en Yin Wen – en hij zal hen gekend hebben, gezien ook Hui Shi een geziene gast was van de Jixia academie. Hij was daarnaast goed bevriend met de iets jongere taoïstische filosoof Zhuang Zi, die meende dat Hui een van de weinige mensen was die hem intellectueel konden uitdagen.
Meester Hui gebruikte graag analogieën. Toen een koning hem ooit vroeg om zich direct uit te drukken, en te stoppen met die vervelende analogieën, antwoordde Hui dat iedere uitleg eigenlijk een analogie is: in een uitleg wordt immers iets onbekends uitgedrukt in bekende termen.
En is een woord zelf niet ook een analogie? Als ik zeg “paard”, dan weet jij wat ik bedoel, omdat je door het label dat ik geef de associatie krijgt met andere paarden die je kent. We zagen al dat de late mohisten deze definitie van woorden overnamen.
Hui Shi moet ook zelf veel geschreven hebben, maar daarvan is niets bewaard gebleven. Hij is vooral bekend gebleven om zijn lijst met tien paradoxen die we onder andere in het taoïstische geschrift de Zhuangzi terugvinden. Helaas is die lijst zonder enige toelichting overgeleverd. Daarom is iedere interpretatie per definitie speculatief. Maar toch … als we ze naast elkaar lezen, krijgen we een beeld. We behandelen ze daarom alle tien.
De tien Paradoxen
De eerste paradox: “Het allergrootste heeft geen ‘buiten’; dat is het Grote Ene. Het allerkleinste heeft geen ‘binnen’; dat is het Kleine Ene”.
Hier gaat het niet om lichamen, maar om abstracte begrippen. In de praktijk is iets altijd ten opzichte van iets anders groot of klein.
De tweede paradox: “Dat wat geen dikte heeft, kan je niet op elkaar stapelen; het is duizend mijl in omvang.”
In de wiskunde noemen we dit een vlak. Ook hier beschrijft Hui iets dat in het echt niet kan bestaan. Hij heeft hiermee iets gevonden dat tegelijkertijd oneindig groot en oneindig klein moet zijn.
De derde luidt: “De hemel is net zo laag als de aarde; een berg is net zo hoog als een moeras”.
Op aarde lijkt deze stelling onzinnig, maar vanaf een miljard kilometer weg van de aarde is ze waar. Het lijkt hier te gaan om de relativiteit van hoog en laag.
De vierde paradox is mooi: “Zodra de zon het middaguur bereikt heeft gaat hij onder; zodra iets geboren is sterft het.”
Het is een poëtische omschrijving van de cyclus van ontstaan en verval, de fundamentele verandering die wel meer denkers in de natuur waarnamen.
De vijfde paradox is verwarrend: “Een kleine gelijkenis en een grote gelijkenis zijn verschillend. Dat kun je de kleine differentiatie noemen. Alle dingen zijn gelijk en verschillend. Dat kun je de grote differentiatie noemen.”
Hui Shi benadrukt hier wellicht dat gelijkenis relatief is: een paard is uniek, maar deelt ook kenmerken met andere paarden (als paard), dieren (als dier), of objecten (als ding). Zo zijn alle dingen zowel gelijk als verschillend – afhankelijk van je perspectief.
De zesde paradox: “Het zuiden heeft geen grens en toch is het begrensd.”
In Hui Shi’s tijd was het zuiden grotendeels nog onverkend – niemand wist waar het eindigde. Het moet ergens een grens hebben, al weten we niet waar. Het onbegrensde lijkt onbegrensd door gebrek aan kennis.
De zevende: “Ik ga vandaag naar Yüeh en kom er gisteren aan.”
Als ik het tweede deel van deze zin twee dagen later schrijf – en ondertussen naar Yüeh ga – is de zin waar. Maar drie dagen later is de zin al niet meer waar. Tijd is relatief.
De achtste: “Met elkaar verbonden ringen kunnen gescheiden worden.”
Als je met elkaar verbonden ringen scheidt, breken ze. Het is onduidelijk waarom ze dan toch te scheiden zouden zijn. De ene commentator verwijst naar twee cirkels die zonder volume zijn, en daarmee dus toch te scheiden, de andere wijst erop dat iedere vernietiging een nieuw begin betekent.
De negende: “Ik ken het centrum van de wereld: het ligt ten noorden van Yen en ten zuiden van Yüeh.”
Yen was de meest noordelijke staat van “de landen van het midden”, Yüeh de meest zuidelijke. Kortom: het centrum van de wereld kan overal en nergens liggen. Volgens de Chinezen was de wereld onbegrensd, en als dat zo is, kan het centrum werkelijk overal zijn.
De tiende: “Hemel en aarde zijn één: heb alle dingen evenveel lief.”
De eerste negen paradoxen laten zien dat alles relatief is en constant verandert. Absolute verschillen bestaan niet. Een logische conclusie is daarom dat alle dingen feitelijk één zijn. Als alle verschillen relatief zijn, moeten we de “duizend dingen” ook op gelijke manier behandelen. Het “liefhebben” betekent: accepteer het bestaan zoals het is.
Hui Shi heet een “Chinese sofist” te zijn, maar deze paradoxen doen eerder denken aan die van Zenon van Elea, die deze honderd jaar eerder opstelde om de grenzen van het logisch redeneren te tonen, en een lans te breken voor de eenheidsgedachte van zijn leraar Parmenides. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat Hui Shi deze verhalen van Zenon gelezen heeft. Het gaat om parallelle denkers.
Hoe is het om een vis te zijn?
Hui Shi en Zhuangzi lopen over een brug. Zegt Zhuangzi tegen Hui: “Kijk eens hoe vredig en blij die vissen daar rondzwemmen!”
Hui: “Wat een onzin. Hoe kan jij dat nou weten? Jij bent toch geen vis? Hoe kan jij nu weten dat die vissen blij zijn?”
Zhuangzi: “Jij bent mij niet. Jij kan niet weten dat ik niet weet wat die vissen voelen.”
Hui (geïrriteerd stel ik mij voor): “Ik ben jou niet, dus ik weet inderdaad niet wat jij weet en voelt. Maar jij bent zeker geen vis – dus weet jij ook niet wat die beesten voelen.”
Deze anekdote staat in de Zhuangzi. Natuurlijk kan Zhuang Zi het niet laten een snedig antwoord te geven – een antwoord dat taoïsten later als een enorme overwinning zagen. We zullen het bespreken als we bij Zhuang Zi zijn aangekomen. Hui’s punt is echter duidelijk: levende wezens weten niet hoe het is om elkaar te zijn.
Dit standpunt komt terug in het beroemde essay van Thomas Nagel uit 1974, “What is it like to be a bat”. Zelfs met vleugels en een sonarsysteem kunnen we niet weten hoe het is om als vleermuis geboren te worden. Nagel gebruikt dit tegen reductionisme als verklaring voor bewustzijn, overigens zonder te verwijzen naar Hui Shi. Wellicht wist hij niet dat zijn gedachte meer dan tweeduizend jaar oud was.
De consequenties van wat Hui Shi zegt zijn groot: wij begrijpen dieren niet – en elkaar evenmin. Ons fundament is wederzijds onbegrip. Met observeren en praten proberen we dat een beetje goed maken – maar we grijpen vaker mis dan we denken.
Dit standpunt kan destructief overkomen, maar is niet makkelijk te weerleggen. Het leert ons voorzichtig te zijn. Als iemand zegt “wat is die vis gelukkig!”, dan zegt dat meer over hemzelf dan over de vis.
De erfenis van meester Hui
Hui Shi is een van de meest genoemde vertegenwoordigers van de “School van de Namen”. Veel andere denkers oordeelden uitgesproken negatief over hem. De later levende confucianist Xunzi vergelijkt hem met Deng Xi, die overigens tweehonderd jaar eerder leefde, en verwijt hen dat ze geen wetten, rituelen en koningen volgden. Hij waarschuwt voor hun gevaarlijke macht met logische redeneringen de massa te verleiden. De Zhuangzi eindigt nota bene met een vernietigende recensie van Hui Shi: hij zou een twistzieke gast zijn, irritant voor iedereen, iemand die zijn talent verspeelde aan gebeuzel en haarkloverij over details, terwijl hij “de Tao” niet vond – een deerniswekkend figuur.
Maar dit deel van de Zhuangzi is waarschijnlijk niet door Zhuang Zi zelf geschreven, en het staat op gespannen voet met andere anekdotes over hun vriendschap. Bovendien past de beschuldiging dat iedereen hem irritant vond niet bij zijn succesvolle carrière.
Tussen de regels door blijkt Hui Shi een analytische en relativistische geest te zijn geweest. Waarschijnlijk was hij helemaal zo niet geïnteresseerd in die mystieke “Tao”, en haalde hij meer plezier uit het voeren van debatten, en de studie van logica, natuur- en wiskunde. Zijn oproep om alles onder de hemel lief te hebben toont dat hij niet zonder moraal was. Zijn relativisme leidde niet tot cynisme, maar tot een kosmische visie van eenheid en gelijkheid.
Bovendien hield hij de mensen scherp: in zijn bijzijn kon je niet zomaar wat beweren – je moest je claims goed onderbouwen. We zullen later zien dat Zhuangzi veel van zijn relativisme overnam, al gaf hij er wel zijn eigen draai aan.
[Dank je wel Kees! Deze vijfdelige reeks wordt morgen afgerond met het denken van Gongsung Long.]
Zelfde tijdvak
Alexander de Grote in Miletemaart 11, 2025
Kampyr Tepeoktober 6, 2015
De joodse Diaspora (1)mei 12, 2024

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.