
Een klein jaar geleden vierde ik mijn zestigste verjaardag in Parijs, met onder andere een bezoek aan het Musée d’Archéologie national in de westelijke voorstad Saint-Germain-en-Laye. Daar is veel moois en heel veel interessants te zien, en het bovenstaande piepkleine portretje, zo klein als een lucifersdoosje, valt in beide categorieën.
Het maakte deel uit van een reeks van dit soort mammoetivoren beeldjes, die in 1894 zijn ontdekt door de Franse archeoloog Edouard Piette op een plek in het uiterste zuidwesten van Frankrijk met de welluidende naam “grotte du pape”. De “dame à la capuche” ofwel Dame van Brassempouy was wel het mooiste uit de collectie.
Dat komt natuurlijk ook door de bijna geometrische vorm. Het gezichtje heeft iets van een driehoek. Erboven ligt een uit vierkante kwastjes bestaand vierkant kapsel – als “kapsel” het juiste woord is. Het kan ook een muts zijn of een haarnetje. Persoonlijk vind ik de gedachte dat het haar zo mooi is gevlochten en opgebonden, als een soort sorbetkapsel, wel aantrekkelijk, maar het is natuurlijk volkomen onbewijsbaar, zoals zo veel in de oude wereld. De Franse archeologen identificeerden de geportretteerde in eerste instantie als een vrouw, maar zijn daarvan inmiddels teruggekomen: we weten het weer eens niet, zoals gebruikelijk. De naam “Venus van Brassempouy” is dus voorbarig.
De gelaatstrekken zijn vereenvoudigd, ja bijna abstract, wat mooi contrasteert met het in detail uitgewerkte kapsel. Als er een emotie in het gezicht ligt, en het pruilmondje suggereert dat wel, dan is dat uniek voor die tijd, zo’n 25.000 tot 22.000 jaar geleden. Het is jammer dat de beschildering niet meer zichtbaar is, maar er zijn sporen herkend van pigment.
Ook al weten we heel veel niet, we weten ook een paar dingen wel. Eén daarvan is dat dit soort beeldjes over een vrij groot gebied voorkomen in de periode die archeologen aanduiden als het Gravettien. In zijn boek Dageraad wijst Johan Hendriks erop dat
…. daar haast wel een gezamenlijk waardesysteem aan ten grondslag liggen. Iedereen in het Gravettien weet wat deze beeldjes betekenen. Alleen wij weten het niet.
Hij schrijft ook dat wel gedacht is geweest aan vruchtbaarheidsgodinnen, omdat weleens een zwangerschap werd afgebeeld, maar dat is niet meer dan een hypothese. Een hypothese, bovendien, die haaks staat op het gegeven dat we niet eens weten of het beeldje uit Brassempouy wel een vrouw voorstelt. Ik herinner er nog maar eens aan dat het idee dat alle religie is ontstaan om natuurverschijnselen te verklaren, eigenlijk een achttiende-eeuws verzinsel is, en dat de obsessie met seksualiteit iets is van de late negentiende eeuw. Het beste is, volgens mij, om te erkennen dat we het gewoon niet weten kunnen. Ik zie niet in wat daar moeilijk aan is.
[Dit was het 509e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

Göbekli Tepe
Culturele eerstes
Doggerland
Natuurlijk weten we niets echt zeker, maar dat kunnen we ook met het woord ‘waarschijnlijk’ of zoiets aangeven.
Is het haar? Kan, maar het lijkt over iets heen te liggen, dus kleding?
Is het een vrouw? Het smalle gezicht en de lange slanke hals doen mij daar wel aan denken ja.
Je moet iets een naam geven, en “dame met de capuchon” klinkt wat mij betreft dus prima.
Ja, je kunt een hoop onzekerheid suggereren met woorden als “waarschijnlijk”, “wellicht”, “misschien”. En het is onzin dat dat lezers zou afstoten, zoals je weleens hoort zeggen door zelfbenoemde communicatiedeskundigen.
Maar toch. Ik denk dat de onzekerheid nadruk verdient. Ik zit net vandaag in een discussie met een archeoloog die erop wijst dat archeologen vaak één interpretatie aan het publiek presenteren, terwijl archeologen onderling veel twijfels hebben. Het is vaker “het verhaal van…” dan het “de mogelijke verhalen van…”
Ik heb op mijn bureau voor mij altijd zo’n letterbakuiltje staan, dat komt nog uit mijn ouderlijk huis. Wellicht breken over enkele millennia archeologen hun hoofd over de vraag waarom dat uiltje in mijn huishouden is, maar als het ze me rechtstreeks zouden kunnen vragen zou ik ook antwoorden: ik weet het eigenlijk niet, gewoon een leuk dingetje, een ornamentje met een herinnering – meer kan ik er niet van maken ;).
Ik ga ook voor vrouw. (Of je een kind? Maar dan ga ik nog voor meisje.)
Het boek Dageraad van Johan Hendriks lijkt nog steeds nergens verkrijgbaar anders dan via de uitgeverij. Dat is toch raar?
Ik krijg almaar veiligheidswaarschuwingen op de site van de uitgever.
Dus dit is Nederland Kennisland: we hebben geen boek over een belangrijk onderwerp, de Prehistorie; geen uitgever wil eraan; een auteur die het belang wèl ziet, zet desondanks door maar belandt bij een uitgever die niet begrijpt dat een slechte website betekent dat hij omzet misloopt. En dus is er nog geen goed, beschikbaar boek.
Nou moet ik zeggen dat internet op dit moment, met alle spam, sowieso lastig is. Ik krijg regelmatig meldingen dat deze blog tijdelijk letterbrei toont, of dat e-mail niet aankomt. Er zijn certificaten die je in je mail kunt zetten, daar werk ik nu zelf aan. Maar de verstoring van het internet begint wel vervelend te worden. En inderdaad, daar lijdt Hendriks aan.
Richt direct een email aan de uitgever: fagus.uitgeverij@gmail.com
Meneer Hendriks, zou u uw uitgever niet kunnen suggereren in ieder geval een of meer exemplaren in de museumwinkel van het RMO of bij boekhandel Atheneum bijvoorbeeld te laten aanbieden?