Jarenlang was het een van de topstukken in het Landesmuseum in Bonn: het skelet van de eerst-gevonden Neanderthaler, ook wel bekend als “Neandertal 1”. Ontdekt in 1856 in het naar een meneer Joachim Neumann Neander genoemd dal, en opeens belangrijk na de publicatie van Darwins Origin of Species, is dit gedeeltelijk bewaarde skelet een van de belangrijkste voorwerpen uit de wetenschapsgeschiedenis.
De vondst, waarvan ontdekker Johann Carl Fuhlrott meteen begreep dat het ging om een andere mensensoort, is destijds niet zo grondig gedocumenteerd als wij nu wenselijk vinden. Waar de botten hebben gelegen, was daardoor lange tijd onduidelijk, maar gelukkig is de vindplaats rond 2000 teruggevonden, inclusief enkele nieuwe stukjes van het 40.000 jaar oude skelet. Deze gebeurtenis lijkt de aanleiding te zijn geweest voor de bouw van een nieuw museum in het Neanderdal, gewijd aan zijn beroemdste ingezetene, op nog geen halve kilometer van de vindplaats. Bonn moet zich, qua beroemde ingezetenen, nu beperken tot Beethoven.
In dit artikel wil ik samenvatten wat we weten over de pre-Romeinse geschiedenis van de huidige Italiaanse provincie Puglia, die grotendeels samenvalt met de gelijknamige historische regio Apulië. Ik was er zopas op reis en dat geeft altijd inspiratie. Bovendien is de cultuur die aan de Romeinen voorafging mij aangenaam raadselachtig.
Geografische situering
Dat Apulië een eigen geschiedenis heeft, begrijpen we door eerst te kijken naar de aardrijkskunde. De Apennijnen, de ruggengraat van Italië, buigen in het zuiden af en maken zo in het oosten ruimte voor een vlakte, die de historische regio vormt. Er zijn enkele uitzonderingen: de kleine uitstulping in het noorden – het “spoor” van de laars – is een geïsoleerde hoogvlakte, het nationaal park van Gargano. Centraal ligt de Alta Murgia, eveneens een hoger gelegen nationaal park.
De laagvlakte daar tussenin wordt verdeeld in de Tavoliere rond Foggia en de Salento, de echte hak van Italië. Bijzonder is dat er quasi geen rivieren zijn in deze regio. In het noorden heb je nog wel de Ofanto, die zich amper 170 kilometer richting Adriatische Zee slingert, en rond Bari is er bescheiden afwatering van de Alta Murgia, maar in de Salento is er … niks. Dat komt niet alleen doordat de streek zeer vlak is, maar vooral doordat ze geologisch bestaat uit kalksteen. Het water baant zich geen weg naar zee maar sijpelt de grond in. Wat je dus mist aan rivierenschoon, win je aan karstgrotten en andere spelingen der natuur.
Prehistorisch Apulië
De Prehistorie
De ons bekende menselijke geschiedenis van Apulië begint bij Foggia. In Pirro Nord zijn vuurstenen gevonden, die ongeveer 800.000 jaar oud zijn.noot Een studie uit 2024, gepubliceerd in Quaternary Geochronology, reviseert de traditionele datering van anderhalf miljoen jaar naar ca. 800.000 op basis van nieuwe dateringen van sediment en fossielen. Het blijft een van de oudste sites in West-Europa, maar niet meer het alleroudste. In het bergdorp Altamura nabij Bari zit een gefossiliseerd skelet van een Neanderthaler in een karstgrot verankerd. Bijzonder is dat men het sinds de ontdekking in 1993 mooi heeft laten zitten. Men denkt nog altijd na over een manier om het skelet uit de karst te halen, maar men is bang onherstelbare schade aan te richten en intussen is de geest van de archeologie verschoven van ophalen naar laten zitten voor later. Men is er echter alvast in geslaagd via de Uranium-Thorium-datering van een stukje karst het skelet te dateren tussen 172 en 128 duizend jaar oud. Een schraapsel uit een schouderblad leverde in 2015 een genetisch staal op dat zich liet identificeren als dat van de Neanderthaler. Het was daarmee destijds het oudste dergelijke DNA.
De oudste fossielen van de Homo Sapiens in Italië zijn aangetroffen in de Grotta del Cavallo in Salento: twee tanden van 43.000 tot 41.000 jaar oud. Ze werden een tijdlang beschouwd als de oudste in Europa, maar o.a. in Bulgarije is intussen ouder materiaal gevonden. Dan is er Delia, een vrouwelijke hominide die 28.000 jaar geleden leefde. Zij is ontdekt in Ostuni, met de resten van een terminale foetus in haar baarmoeder, een zeldzaamheid in het archeologisch onderzoek.
Botten uit de Grotta delle Veneri bij Parabita suggereren het bestaan van vruchtbaarheidsculten uit het Gravettien-tijdperk (ongeveer 25.000 jaar geleden), terwijl in de grot Le Mura in Monopoli fossiele resten zijn gevonden van een kind van ongeveer anderhalf jaar, gedateerd op 17.000 jaar. DNA-onderzoek uit 2024 voegt toe dat het kind blauwe ogen had en een donkere huid. Deze en andere vondsten leiden tot de hypothese dat Apulië deel uitmaakte van de toevluchtsoorden (“refugia”) voor de eerste Europese moderne mensen tijdens de laatste ijstijd.
Bij Manfredonia zijn de nederzetting en de graven van Masseria Candelaro ontdekt, daterend uit het zesde millennium v.Chr., die aantonen dat de vlakte ten zuiden van de Gargano sinds het vroege Neolithicum bewoond was. In Passo di Corvo, aan de rand van Foggia, staat een van de grootste neolithische archeologische sites van Europa (zesde tot vierde millennium millennium v.Chr.). De daar aangetroffen landbouwpraktijk kwam vermoedelijk vanuit het Midden-Oosten naar Italië en entte zich op de vruchtbare Apulische vlakte. De Laterza-cultuur, vernoemd naar het dorp waar de grafplaatsen zijn aangetroffen, was mogelijk de laatste neolithische cultuur van Italië voor de Bronstijd.
Bronstijd
Recente opgravingen in Roca Vecchia hebben een imposant vestingwerk uit de Bronstijd (zeventiende tot en met elfde eeuw v.Chr.) aan het licht gebracht, met aanwijzingen voor Mykeense contacten. In hetzelfde gebied bevindt zich nog een belangrijke archeologische site: de grot van Posia Piccola (ook Poesia Piccola genoemd), ontdekt in 1983. Die draagt talrijke votiefinscripties, soms over elkaar gelegd, uit verschillende tijdperken en beschavingen.
Ook uit de Bronstijd dateren de vondsten rond Ruvo di Puglia: een nederzetting op de weg van Molfetta naar Matera uit ongeveer 2000 v.Chr. In de hutten zijn sporen aangetroffen van metaal- en steenbewerking, waaronder een bronzen bijl.
Akkerbouw lijkt zo logisch maar was dat in de voor-westerse wereld allerminst. Ik wees er al op dat het landschap in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee weliswaar heel gevarieerd is maar zelden gastvrij. In een ander blogje vertelde ik dat de regens vallen op het verkeerde moment. Waar bergen zijn – en waar was dat eigenlijk niet? – is weinig ruimte voor akkerbouw. De rivier- en kustvlakten zijn doorgaans klein, als ze niet onleefbaar waren door de eeuwenlang alom aanwezige malaria. Het is logisch dat de akkerbouw doorbrak op de grote vlakte van Mesopotamië, al is dat, zoals we nog zullen zien, niet waar deze activiteit is ontstaan.
De rivieren waren namelijk bepaald niet behulpzaam voor de eerste boeren. De Eufraat en Tigris, gevoed door de in het voorjaar smeltende sneeuw van Armenië, traden namelijk buiten hun oevers op het moment waarop de gewassen ontkiemden. Dat dwong de akkerbouwers in deze regio om dammen, dijken en cisternen te bouwen. De extra inspanning gold blijkbaar als een acceptabele prijs om te betalen voor het jaarlijks afgezette laagje vruchtbare klei, de aanwezigheid van vis en de mogelijkheid van eenvoudig transport.
De Dame van Brassempouy (Musée d’Archéologie national, Saint-Germain-en-Laye)
Een klein jaar geleden vierde ik mijn zestigste verjaardag in Parijs, met onder andere een bezoek aan het Musée d’Archéologie national in de westelijke voorstad Saint-Germain-en-Laye. Daar is veel moois en heel veel interessants te zien, en het bovenstaande piepkleine portretje, zo klein als een lucifersdoosje, valt in beide categorieën.
Het maakte deel uit van een reeks van dit soort mammoetivoren beeldjes, die in 1894 zijn ontdekt door de Franse archeoloog Edouard Piette op een plek in het uiterste zuidwesten van Frankrijk met de welluidende naam “grotte du pape”. De “dame à la capuche” ofwel Dame van Brassempouy was wel het mooiste uit de collectie.
Gebit van een Neanderthalermeisje (Le Phare, Andenne)
De bovenstaande kaak is millennia oud. Deze tanden behoorden aan een neanderthalermeisje waarvan de resten zijn opgegraven in de Scladina-grot bij Sclayn, niet ver van de Maas. Het museum Le Phare in Andenne, halverwege Namen en Hoei, stelt niet alleen tentoon wat archeologen hebben gevonden, maar legt ook uit hoe ze weten wat ze weten. Loop maar even mee wat we allemaal kunnen afleiden van deze tanden.
Om te beginnen, heel simpel: de dunne, ronde onderkaak helpt om vast te stellen dat we te maken hebben met een meisje. Mannen, zowel Homo neanderthalensis als Homo sapiens, hebben doorgaans een wat vierkantere onderkaak. De identificatie is inmiddels bevestigd door het DNA-onderzoek: geen Y-chromosomen. Een huzarenstukje, want dit DNA is 80.000 jaar oud.
[Slot van een gastbijdrage van Dieter Verhofstadt over het Ishango-beentje. Het eerste deel was hier.]
Kritiek en weerlegging
In 2010 maakte Olivier Keller, een Franse publicist over de geschiedenis van de wiskunde, op een nogal pamflettaire manier brandhout van de diverse interpretaties van het Ishango-beentje, niet alleen de gissingen van de originele vinder, de notie van priemgetallen, of een astrologische inslag, maar ook de rekentabel waarop Huylebrouck en Pletser zijn geland. Hij hekelde de kunstgrepen die soms nodig zijn om die interpretatie te schragen en dat het ontdekte patroon dan nog onvolledig is.
Met dergelijke goede wil liggen er nog tal van botten te wachten op amateurs van wiskundige interpretaties.
[Tweede deel van een gastbijdrage van Dieter Verhofstadt over het Ishango-beentje. Het eerste deel was hier.]
Een rekenkundig instrument?
De in het vorige stukje genoemde overwegingen nopen tot voorzichtigheid bij de interpretatie van het Ishango-beentje met zijn 168 inkepingen. Nochtans leent het zich tot enthousiaste stellingname. De streepjes staan immers in duidelijk afgescheiden groepjes en die groepjes zijn gestructureerd in drie kolommen. De linkse en rechtse kolom hebben de meest opvallende structuur:
Het Ishango-beentje is een interessant stukje oudheidkunde, niet alleen als voorwerp maar ook als case study voor de oudheidkunde zelf. De interpretatie van de feiten is immers onderhevig aan de belangen van betrokken personen, instituten en landen. Verder moeten we opletten als we de kennis die we vandaag hebben, projecteren op de mensheid van toen. Ten slotte hebben de disciplines van archeologie en wiskunde geen sterke interactie in de geschiedenis van de wetenschap. Ze laten het speelveld aldus aan deelnemers met uiteenlopende methodieken.
Het beentje (of twee beentjes) werd in 1960 gevonden in toenmalig Belgisch Kongo, in de regio Ishango, aan de oevers van de Semliki, vlakbij waar het Edwardmeer overloopt in die rivier. De Belgische archeoloog Jean de Heinzelin de Braucourt trof het beentje “ter grootte van een potlood” aan in gestold vulkanisch materiaal, samen met menselijke resten en andere tekenen van bewoning.
De Danseres van Geldrop (Noord-Brabants Museum, Den Bosch)
In de archeologische opstelling van het Noord-Brabants Museum in Den Bosch staan allerlei interessante voorwerpen. Ik heb er onlangs met plezier een uurtje doorgebracht. Zo nu en dan is de toelichting echter wat beknopt, zoals bij het zandstenen voorwerpje dat bekendstaat als “De danseres van Geldrop”. U ziet het hierboven. Als u goed kijkt, herkent u wat lijntjes. Het is moeilijk te herkennen, maar het is inderdaad een afbeelding van een danseres. Hier ziet u meer. De toelichting is dat de tekening dateert uit ongeveer 11.000 v.Chr.
Ooit is deze steen door prehistorische jagers gebruikt om vuursteen te bewerken. Maar daarnaast is er een figuurtje ingekrast van een halfnaakte danseres. Deze ontdekking veroorzaakte in 1961 grote opwinding: nog nooit was in Nederland kunst uit de Oude Steentijd gevonden. Wetenschappelijk onderzoek heeft de echtheid van de steen bevestigd.
Een 50.000 jaar oude vuistbijl, gevonden op de Maasvlakte. Het voorwerp is gemaakt van Wommersomkwartsiet, gewonnen in Vlaams Brabant, 175 kilometer verderop. Het illustreert hoe mobiel Neanderthalers waren.
Nederland heeft geen archeologiemuseum. Net als Vlaanderen overigens, dat in Brugge tot voor kort wel zo’n museum had. Onze musea tonen vooral voorwerpen, waarmee ze een verhaal over het verleden vertellen. Dat is ook goed. Het verleden is immers belangrijk. Maar ik zou willen dat ergens ook naar behoren werd uitgelegd wat archeologie is. Gelukkig is er nu de expositie over Doggerland in het Rijksmuseum van Oudheden. Het sterke is dat deze niet alleen gaat over de Steentijd van een gebied dat nu ligt op de bodem van de Noordzee, maar dat ze ook vertelt hoe en waardoor we weten wat weten.
De naam “Doggerland” is daarbij ietwat misleidend, want die term verwijst naar de Doggersbank, de ondiepte halverwege Nederland en Engeland. De expositie gaat echter over een wat groter gebied. Veel vondsten zijn vlak onder de Nederlandse kust gedaan. De paleolithische voorwerpen komen bijvoorbeeld van de stranden van de Zeeuwse archipel en de Waddeneilanden, terwijl flink wat mesolitische vondsten zijn gedaan op de Maasvlakte. Lees verder “Doggerland”→
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.