De eerste landbouwers

Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)

Oudheidkundigen maken sinds de zeventiende, achttiende eeuw gebruik van drie soorten bewijsmateriaal: geschreven bronnen, materiële resten en parallellen in andere samenlevingen. Drie vensters op het verre verleden. Met het DNA-onderzoek, waar ik het gisteren al over had, gaat nu een vierde venster open. Ik rondde mijn vorige stukje af met een verwijzing naar de stamboom van DNA-groepen (hierboven) en vroeg uw aandacht voor de ongebruikelijke vertakking onder H. De verspreiding daarvan lijkt samen te hangen met de verspreiding van de landbouw.

Het ontstaan daarvan is een beetje een puzzel, die steeds verandert als er ergens oudere vondsten worden gedaan. De laatste keer dat ik het opzocht leek het erop dat ergens rond 9500 v.Chr. mensen aan de bovenloop van de Eufraat begonnen met de teelt van tarwe, meer precies eenkoorn en emmer. Na een eeuw of vijf werden de eerste schapen en geiten getemd in de Zagros– en Taurusbergen. Veeteelt is dus een latere ontwikkeling dan akkerbouw. Ruwweg tegelijk ontstond de eerste monumentale architectuur: ik blogde al eens over de fenomenale monumenten die zijn aangetroffen in Göbekli Tepe en Sanli Urfa. Vee en varkens volgden en het eerste aardewerk in het Nabije Oosten dateert van ruwweg 7000 v.Chr. In vijfentwintig eeuwen was de samenleving ingrijpend veranderd – archeologen noemen dat een revolutie.

Vanuit oostelijk Anatolië verspreidde de landbouw zich over de oude wereld. Tegen de tijd dat het aardewerk werd uitgevonden, dus rond 7000, werden de eerste boerderijen al gebouwd aan de kusten van de Egeïsche Zee, duizend jaar later vond er akkerbouw plaats op het Balkan-schiereiland, daarna kroop de landbouw als het ware langs de Donau westwaarts, tot rond 5000 ook aan de Atlantische Oceaan boeren woonden. De eerste boeren zijn archeologisch herkenbaar aan hun aardwerk, dat bekendstaat als “bandkeramiek”. Een andere route naar het westen liep via Italië naar het Iberische Schiereiland, en een derde route was langs de kust van noordelijk Afrika.

Lange tijd bestond de vraag hoe de landbouw zich verspreidde. Eén theorie was dat mensen haar overnamen van hun buren, door imitatie dus, waarna het in een regio al snel de dominante productiewijze was. Boeren kunnen immers veel meer voedsel produceren dan jagers en verzamelaars, wat wil zeggen dat een hogere bevolkingsdichtheid mogelijk wordt. Waar mensen boer werden, overvleugelden hun kinderen de rest van de bevolking, zodat binnen een generatie een samenleving van jagers en verzamelaars kon worden veranderen in een boerenmaatschappij.

Inmiddels blijkt dat alles toch genuanceerder te liggen, om niet te zeggen: onwaar te zijn. De boeren die naar het westen trokken, lijken hetzelfde mitochondriaal DNA te hebben gehad, dat behoorde tot groepen N1a, K1a en H. En H waaierde dus uit in allerlei vormen: een bevolkingsexplosie.

Voor ik verder ga: we hebben hier te maken met onderzoeksresultaten die niet alleen heel nieuw zijn, maar ook heel schaars. We zouden veel meer tests van antiek DNA willen hebben voordat we werkelijk stellige uitspraken kunnen doen. De informatie die ik hier geef, is nog meer dan anders ad hoc.

In elk geval dit lijkt ruwweg zeker: de landbouw verspreidde zich niet naar het westen door imitatie, want dan zou er continuïteit moeten zijn in het Europese DNA. In de praktijk zien we groepen als U4, U5 en V verdwijnen en de bovengenoemde DNA-groepen dominant worden, wat erop duidt dat de meeste boeren afstamden van boeren uit Anatolië.

Dat er sprake was van migratie, blijk ook uit het Y-DNA, het DNA dus dat kan worden gevonden op uitsluitend van vader op zoon doorgegeven Y-chromosoom: we zien bij landbouwers vaak de groep die bekendstaat als G2a. Belangrijker nog is dat we nauwelijks vermenging zien van de bevolkingsgroepen. De landbouwers hebben de jagers en verzamelaars domweg vervangen.

Nog een laatste punt: landbouwers eten per definitie meer graan dan jagers en verzamelaars of vissers. Dat betekent dat ze minder vitamine-D krijgen en dat betekent weer dat landbouw niet zo goed is voor de gezondheid, tenzij je een andere bron hebt van vitamine-D. Er is geopperd dat de overgang naar landbouw beter mogelijk was als mensen door een mutatie een lichtere huid hadden en dus meer vitamine-D opnamen. Eén van deze groepen staat bekend als E1b1b1b1a of ook wel M81 en is te vinden langs de zuidelijkste van de drie genoemde routes westwaarts: zij trokken Egypte binnen en langs de kust bereikten ze uiteindelijk Marokko.

Indien dit klopt, is het verschil tussen blanke en zwarte mensen pas heel kort geleden ontstaan en is dit het DNA-bewijs voor wat we al wisten uit het fysisch antropologische materiaal maar in sommige kringen wordt ontkend: dat de Egyptische bevolking overwegend blank was.

[Wordt vervolgd]

16 gedachtes over “De eerste landbouwers

  1. Ben Spaans

    Ik heb weleens (tv-docu Discovery of National Geo.) vernomen dat de huidskleur van de groep van mensen die als laatste uit Afrika trok en onze meest directe voorouders waren overeenkwam met het pigment dat nu nog voorkomt bij de khoisan (bosj…) in zuidelijk Afrika.

    Hoe komen ze in het algemeen trouwens tot uitspraken over huidskleur bij mensen van zolang geleden?

      1. Ik weet overigens niet of wat ik zelf over het onderwerp schreef, 101% juist is. Als het een overgang van “graan in plaats van vis” was geweest, had ik het geloofd, maar het is “graan voor vis, vlees en planten” en of dat wel zo in elkaar steekt als ze beweren… ik aarzel.

      2. Ben Spaans

        Mooi. Er blijven wel grenzen aan wat er valt na te gaan, bv. door mogelijke vervuiling van het materiaal en klimatologische omstandigheden, aldus het artikel.

  2. Kees

    “Lange tijd bestond de vraag hoe de landbouw zich verspreidde. […] De landbouwers hebben de jagers en verzamelaars domweg vervangen.”
    Interessant is juist de vraag waarom de jager-verzamelaars, na miljoenen jaren zo geleefd en zich verspreid te hebben, overstapten naar landbouw en veeteelt. De reden die het meest plausibel klinkt, is overbevolking. Het nomadisch leven van de jager-verzamelaars kon niet meer op de oude voet doorgaan, de stamverbanden werden te groot. Er moest een list verzonnen worden: dat werd het domesticeren van het bejaagde en verzamelde voedsel.

    1. Ik vind de theorie dat de mensen boeren werden om bier te kunnen brouwen, veel leuker. En het is niet helemáál onzin want vaak vinden archeologen ook sporen van vliegenzwammen, een bekende halucinogeen. Wellicht waren de eerste boeren op zoek naar roes. Maar we weten het in essentie gewoon niet.

    2. Otto Cox

      Die overgang naar landbouw is -waarschijnlijk- gecompliceerder dan dat. Na de laatste ijstijd werden de klimaatomstandigheden gunstiger, en op een aantal plaatsen, in het bijzonder het midden-oosten, bijzonder gunstig. Dat betekende dat de jagers/verzamelaars in een minder groot gebied rond hoefden te trekken en op een aantal plekken min of meer permanente kampen gingen bouwen. De eerste granen werden in die omgeving als aanvulling op het jares/verzamelaarsdieet geooste en genuttigd. De bevolking groeide, langzaam. Zo’n 9000 v Chr veranderde het klimaat enigszins, het werd droger in het midden-oosten en de hoeveelheid voedsel verminderde. Die combinatie van factoren leidde tot het overgaan tot de landbouw. Dat leidde weer tot een snel groeiende (maar minder gezonde) bevolking. Zie bv “Mapping human history” va Olson en “Gun, germs and steel” van Diamond.

    1. Manfred

      Deze is leuk: “Dat kwam door enkele plantensoorten, zoals tarwe, rijst en aardappelen, die de sapiens hebben gedomesticeerd in plaats van andersom, zoals Harari opmerkt.”

  3. Interessante materie, Jona.
    Ook het artikel van mnbO is verhelderend!
    Ik ben zo vrij hieruit een passage te citeren:
    …Researchers can now conduct similar analyses in relation to skin, eye and hair pigmentation to see what kind of evolutionary role the genes related to these characteristics might have played. Before any DNA analyses had been conducted, many researchers had already thought that there must have been significant evolutionary pressure on humans living under the scorching African sun to have more melanin in the skin – and therefore more protection against harmful solar radiation – while the humans that lived in the North of Europe would rarely need large amounts of this pigment to protect them from damage due to sun exposure. Studies such as those conducted by the group headed by Cátira help us understand what shaped these and other adaptations….
    Op 27 januari heb ik hierover als rjvbever69 een reactie gegeven op je blog over ‘culturele eerstes’, waarop ik geen antwoord kreeg. (geen verwijt, hoor!)
    In het artikel aangehaald door mnbO schijnen de gedachten dezelfde richting uit te gaan als wat ik toen zei. Waarschijnlijk is huidskleur meer een fenotypische dan een haplotypische eigenschap.
    Voor diegenen die minder in deze materie thuis zijn (hoop niet te belerend over te komen!):
    Het fenotype is het totaal van alle waarneembare eigenschappen (kenmerken) van een organisme. Het is het resultaat van de genetische aanleg (het genotype) van een individu en de invloed daarop van zijn omgeving. De term werd in 1911 bedacht door Wilhelm Johannsen (1857-1927), om onderscheid te maken tussen de erfelijke eigenschappen van een organisme enerzijds en het resultaat daarvan anderzijds.[1][2] Het woord betekent letterlijk verschijningsvorm en is afgeleid van het Griekse phainein, doen schijnen, laten zien. Een voorbeeld is de huidskleur bij mensen. Deze wordt deels door het genotype bepaald, maar ook beïnvloed door de zon (het milieu). In dit geval heeft dus ook de omgeving invloed op het fenotype.
    Fenotype zou bijvoorbeeld uitgedrukt kunnen worden met de formule:
    fenotype = genotype + invloed van buitenaf
    Bron: Wikipedia
    Momenteel ben ik een buitengewoon boeiend en diepgaand boek over deze materie aan het lezen. Wellicht ken je het, maar ik noem het even:
    Jean Manco – Ancestral journeys (Thames and Hudson, 2013; revised and updated edition 2015) (paperback, € 16,95)
    De eerste 3 hoofstukken heb ik uitgelezen. De volgende twee gaan over wat je hier boven behandelt. Ik hoop dat je nog even doorgaat hiermee. Voor mij en waarschijnlijk vele anderen interessant.

  4. Tonni

    Mateloos interessant, heb het schema geprint om het bij deze hele reeks bij de hand te hebben. Voor de puzzelaar in mij is het dan frustrerend dat er nogal wat mist in het schema zoals G2a en R1b. Weet iemand completere schema’s?

    1. Rutgerius44

      Beste Tonni, een zeer uitvoerige uitleg met ontstaan (schema’s van de fylogenetische haplogroep R1b), leuke kaartje van de verspreiding, migraties, invloed op cultuur en levenswijze staat uitvoerig in het volgende artikel:

      http://www.eupedia.com/europe/Haplogroup_R1b_Y-DNA.shtml

      Misschien leuk om te weten dat dit artikel ook enkele beroemdheden vermeldt die tot deze haplogroep behoren of een van zijn subclades behoren.

      Voor de G2a groep verwijs ik naar:

      http://www.eupedia.com/europe/Haplogroup_G2a_Y-DNA.shtml

      Ook hier weer dezelfde opmerkingen als hierboven.
      Hopelijk heb er iets aan.

      Roger van Bever

  5. Een leuk stukje over het DNA van de landbouwers.
    Mag ik er nog iets aan toevoegen? Het zou kunnen dat er toch een vermenging was tussen de eerste landbouwers en de laatste jagers. Ik heb het niet meteen bij de hand maar ik heb een geloofwaardig wetenschappelijk artikel gelezen dat jonge boeren en zonen van boeren regelmatig naar de jagersgemeenschappen gingen om daar een bruid (of maîtresse?) te kiezen. Of ze die bruid via het normale spel veroverden, dan wel met geweld, weten we uiteraard niet. Maar het gevolg was dat de jagersgroepering uitdunde, terwijl de jagers zich vlot konden vermeerderen en hun genetische materiaal voortdurend konden verversen.
    Alleen zie je dat niet terug als je alleen kijkt naar het DNA dat via de mannelijke lijn wordt doorgegeven.

    Overigens spoort dit DNA-verhaal omtrent de verspreiding van de landbouwers ook met taalkundige gegevens. Peter Schrijver van de Universiteit van Utrecht (en vroeger van de universiteit van München) vertelt dat hij in het Nederlands restanten terugvindt van enkele pre-Indo-Europese talen, waaronder een oude taal uit Anatolië die vermoedelijk met de eerste landbouwers tot bij ons is gekomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s